Het gerechtshof Amsterdam heeft op 4 mei 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in Amsterdam. De verdachte werd beschuldigd van het bezit van aanzienlijke hoeveelheden hasj en hennep, aangetroffen bij een doorzoeking in zijn woning op 8 maart 2023. De tenlastelegging betrof ongeveer 2587 gram hasj en 1600 gram hennep.
De verbalisanten baseerden hun verdenking op de uiterlijke kenmerken en de kenmerkende henneplucht van de aangetroffen bruinkleurige blokken en een zilverkleurige sealbag. Er is echter geen indicatieve test uitgevoerd om de aard van de stoffen te bevestigen. Het hof stelde dat een indicatieve test niet noodzakelijk is indien het dossier voldoende andere aanwijzingen bevat, maar concludeerde dat die aanwijzingen ontbraken.
Het enkele vermoeden van de verbalisanten werd onvoldoende geacht om tot een bewezenverklaring te komen. Het procesdossier bevatte geen aanvullende bewijsmiddelen ter ondersteuning van het vermoeden. Daarom kon niet met de vereiste mate van zekerheid worden vastgesteld dat de aangetroffen spullen daadwerkelijk hasj en hennep bevatten.
Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en sprak de verdachte vrij van het tenlastegelegde. De advocaat-generaal had gevorderd tot veroordeling, maar het hof volgde dit niet. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarbij één rechter niet kon ondertekenen.