ECLI:NL:GHAMS:2026:1228

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
23-001572-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • A.W.T. Klappe
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen vonnis politierechter met gewijzigde straf en schadevergoeding

In hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter te Noord-Holland van 12 juni 2025 heeft het gerechtshof Amsterdam op 10 april 2026 het vonnis vernietigd voor wat betreft de opgelegde gevangenisstraf en de vordering van de benadeelde partij.

Het hof veroordeelde de verdachte tot een gevangenisstraf van vier weken, waarvan de uitvoering werd opgeschort voor een proeftijd van twee jaar. Dit betekent dat de straf niet ten uitvoer wordt gelegd tenzij de verdachte binnen die proeftijd opnieuw een strafbaar feit pleegt.

Daarnaast wees het hof de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding toe tot een bedrag van €100, bestaande uit €25 materiële en €75 immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf respectievelijk 4 januari 2025 en 31 december 2024. De overige vorderingen van de benadeelde partij werden afgewezen.

Het vonnis van de politierechter werd voor het overige bevestigd. Tevens werd een gijzelingstermijn van maximaal één dag vastgesteld voor het geval de verdachte niet aan de betalingsverplichtingen voldoet, zonder dat dit de verplichting tot schadevergoeding opheft.

Uitkomst: Het gerechtshof legt een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken op en wijst een schadevergoeding van €100 toe aan de benadeelde partij.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer eerste aanleg : 15-085783-25
parketnummer hoger beroep : 23-001572-25
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam, enkelvoudige strafkamer, van 10 april 2026 gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 12 juni 2025 in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte]
geboren: op [geboortedag] 1973 te Alkmaar
adres: [adres] .

Toepasselijke wettelijke voorschriften

de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 300 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en de vordering benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 100,00 (honderd euro) bestaande uit € 25,00 (vijfentwintig euro) materiële schade en € 75,00 (vijfenzeventig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 100,00 (honderd euro) bestaande uit € 25,00 (vijfentwintig euro) materiële schade en € 75,00 (vijfenzeventig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 4 januari 2025
en van de immateriële schade op 31 december 2024.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Gewezen door mr. A.W.T. Klappe, in bijzijn van mrs. N.R.H. Marsera en P.E. de Wildt griffiers.
mr. A.W.T. Klappe