ECLI:NL:GHAMS:2026:129

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
23-000099-23
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van een strafoplegging voor medeplegen van straatroof met geweld en opzetheling van een auto

Op 20 januari 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 5 januari 2023. De verdachte, geboren in 1985 en thans gedetineerd in P.I. Alphen, was eerder veroordeeld voor vermogensdelicten met geweld. In deze zaak heeft het hof de verdachte schuldig bevonden aan het medeplegen van een straatroof met geweld en opzetheling van een auto. De rechtbank had de verdachte in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van 19 maanden, maar het hof heeft deze straf vernietigd en een gevangenisstraf van 202 dagen opgelegd, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn en de omstandigheden van de zaak. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte samen met een ander geweld heeft gebruikt tegen het slachtoffer, wat heeft geleid tot ernstige verwondingen. De verdachte heeft ook een auto opzettelijk geheeld en zich schuldig gemaakt aan huisvredebreuk. Het hof heeft de ernst van de feiten en de recidive van de verdachte meegewogen in de strafoplegging. De op te leggen straf is gegrond op verschillende artikelen van het Wetboek van Strafrecht, en het hof heeft de beslissing van de rechtbank voor het overige bevestigd. De uitspraak is gedaan door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof, waarbij de redelijke termijn van de procedure is overschreden, wat heeft geleid tot een strafkorting van 10%.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000099-23
datum uitspraak: 20 januari 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 5 januari 2023 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-130584-22 en 15-102535-21 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
adres: [adres] ,
thans uit anderen hoofde gedetineerd in P.I. Alphen, locatie Eikenlaan te Alphen aan den Rijn.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof is niet gekomen tot andere beslissingen dan de rechtbank, verenigt zich met het vonnis en zal dit daarom bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Wel zal het hof de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen en de bewijsmotivering verbeteren en aanvullen, na het eventueel instellen van beroep in cassatie, in een op te maken aanvulling op dit arrest.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 19 maanden met aftrek.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 570 dagen waarvan 367 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de opgemaakte PBC-rapportage in de zaak met het parketnummer 15-188834-23 blijkt dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van de feiten in 2023. De verminderde toerekenbaarheid van de verdachte zal er ook zijn geweest tijdens het plegen van onderhavige feiten. In die zaak is de verdachte inmiddels onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaren en tot tbs met dwangverpleging. De raadsman verzoekt het hof artikel 63 zwaar te laten meewegen in de strafoplegging.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een straatroof, waarbij grof geweld tegen het slachtoffer is gebruikt. Het slachtoffer is geslagen, heeft daardoor een fikse hoofdwond opgelopen en werd zodanig verwurgd dat hij amper lucht kreeg. Aangezien de beide mannen in de meerderheid waren, was het slachtoffer niet in staat zich afdoende tegen hen te verweren. Vervolgens hebben de verdachte en de medeverdachte hem in hulpeloze toestand achtergelaten. Het is een feit van algemene bekendheid dat personen die op dergelijke wijze overvallen worden daar vaak nog lange tijd psychische klachten en een angstig gevoel aan kunnen overhouden. Dergelijke feiten versterken ook de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Het bewezenverklaarde feit getuigt van een groot gebrek aan respect voor andermans eigendommen en het emotioneel welbevinden van het slachtoffer.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de opzetheling van een auto, waarmee hij de eigendomsrechten van de rechthebbende heeft geschonden en voorts heeft hij zich schuldig gemaakt aan huisvredebreuk waarbij hij een raam van de betreffende woning heeft vernield. Dit zijn hinderlijke feiten die bij de benadeelden veel ergernis en overlast veroorzaken.
Uit een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 16 december 2025 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld is wegens het plegen van vermogensdelicten met geweld en een vernieling. Dit weegt in het nadeel van de verdachte mee.
Het hof houdt rekening met straffen die meestal worden opgelegd voor soortgelijke feiten, zoals beschreven in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). In deze oriëntatiepunten wordt bij een straatroof met geweld, in geval van recidive, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf genoemd voor de duur van acht tot tien maanden. Deze overval is bovendien in vereniging gepleegd aan de openbare weg, tijdens de nachtelijke uren waarbij sprake is geweest van toepassing van fors geweld waardoor letsel bij de aangever is ontstaan. Voor een opzetheling wordt in geval van recidive een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden genoemd. Daarnaast komt dan nog een strafdeel voor het plegen van de vernieling en de huisvredebreuk.
Gelet op de hierboven genoemde omstandigheden, waaronder de recidive en de mate van geweld, is het hof met de rechtbank van oordeel dat een forse gevangenisstraf in beginsel passend en geboden is.
Het hof dient echter rekening te houden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. In de zaak met het parketnummer 15-188834-23 is de verdachte op 31 januari 2025 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren en een tbs-maatregel met dwangverpleging. De verdachte heeft volgens zijn strafblad in die zaak vanaf 31 juli 2023 tot 28 februari 2025 voor een periode van ruim 19 maanden in detentie gezeten. Dit is langer dan het deel van de gevangenisstraf die hij uit hoefde te zitten (als hij in aanmerking zou komen voor een voorwaardelijke invrijheidstelling). De verdachte bevindt zich in die zaak nog altijd in detentie in afwachting van zijn plek in de tbs-kliniek (als zogeheten tbs-passant).
Het hof stelt verder vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, is overschreden. Als uitgangspunt geldt (in dit geval) dat een strafzaak moet worden afgerond met een eindarrest binnen 24 maanden nadat de redelijke termijn is gestart, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn.
Op 10 januari 2023 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Het hof wijst op 20 januari 2026 arrest. Daarmee is de redelijke termijn in hoger beroep met één jaar en twee weken overschreden. Het hof houdt daarom rekening met een strafkorting van 10%.
Het hof is, onder al deze omstandigheden, van oordeel dat een gevangenisstraf met de duur van het voorarrest passend en geboden is, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 202 dagen.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 47, 57, 63, 138, 312, 350 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
202 (tweehonderdtwee) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.P. den Otter, mr. M. Iedema en mr. A.C. Bijlsma, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Steur, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 januari 2026. Mrs. R.P. den Otter en A.C. Bijlsma zijn buiten staat het arrest mede te ondertekenen.
[adres]