Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1295

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
200.335.860/01 OK
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:350 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling onderzoekskosten in enquêteprocedure tegen besloten vennootschap

In deze enquêteprocedure heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van de betrokken besloten vennootschap vanaf 1 januari 2019. De onderzoeker werd benoemd en een onderzoeksbudget vastgesteld, dat later werd verhoogd tot €115.000 exclusief omzetbelasting.

Na afronding van het onderzoek diende de onderzoeker een specificatie van de bestede uren en kosten in. Belanghebbenden uit de kring van aandeelhouders brachten bezwaren in tegen de specificatie, met name over de transparantie van de urenafboeking en het inschakelen van kantoorgenoten zonder afstemming.

De Ondernemingskamer oordeelde dat de specificatie voldoende inzicht bood in de bestede uren en afboekingen, en dat het inschakelen van kantoorgenoten was voorzien in het plan van aanpak en niet betwist was door belanghebbenden. De vergoeding van €115.000 werd daarom vastgesteld en de beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De vergoeding van de onderzoeker wordt vastgesteld op €115.000 exclusief omzetbelasting.

Uitspraak

beschikking
___________________________________________________________________
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.335.860/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 6 mei 2026
inzake
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[Beheer],
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[vennootschap],
beiden gevestigd te [plaats] ,
VERZOEKSTERS,
advocaten: voorheen
mr. M.P.H. Sandersen
mr. R.M. de Rooij, beiden kantoorhoudende te Amsterdam, thans
mr. J.M. Blanco Fernández, kantoorhoudende te Amsterdam,
t e g e n
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[Beheer],
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[vennootschap],
beiden gevestigd te [plaats] ,
VERWEERSTERS,
e n t e g e n
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[broer A Holding],
gevestigd te [plaats] ,
2.
[broer A],
wonende te [plaats] ,
BELANGHEBBENDEN,
advocaten:
mr. J.G.M. de Koningen
mr. J.G. Uijttenhove-Kuitert, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[broer B Holding],
gevestigd te [plaats] ,
2.
[broer B],
wonende te [plaats] ,
BELANGHEBBENDEN,
advocaat:
mr. G.C. Endedijk, kantoorhoudende te Amsterdam.
Hierna zullen partijen en andere (rechts)personen (ook) als volgt worden aangeduid:
  • verzoeksters/verweersters afzonderlijk als Beheer respectievelijk de Vennootschap en gezamenlijk als de Vennootschap c.s.;
  • [broer A Holding] als [broer A Holding] ;
  • [broer A] als [broer A] ;
  • [broer A Holding] en [broer A] gezamenlijk als [broer A] c.s.;
  • [broer B Holding] als [broer B Holding] ;
  • [broer B] als [broer B] ;
  • [broer B Holding] en [broer B] gezamenlijk als [broer B] c.s.

1.Het verloop van het geding

1.1
Voor het verloop van het geding wordt verwezen naar de beschikkingen van de Ondernemingskamer in deze zaak van 2 en 6 mei 2024, 2 september 2024, 4 oktober 2024, 8, 14 en 22 mei 2025 en 10 en 23 april 2026.
1.2
Bij die beschikkingen heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van de Vennootschap c.s. over de periode vanaf 1 januari 2019 (zoals omschreven in rechtsoverweging 3.8 tot en met 3.10 van haar beschikking van 2 mei 2024), bepaald dat de kosten van het onderzoek ten laste komen van de Vennootschap c.s., een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon benoemd teneinde het onderzoek te verrichten en de aanwijzing van deze onderzoeker en de vaststelling van het onderzoeksbudget aangehouden. Voorts heeft de Ondernemingskamer mr. J.G. Molenaar bij wijze van onmiddellijke voorziening benoemd tot bestuurder van Beheer, met beslissende stem, en bepaald dat deze bestuurder zelfstandig bevoegd is Beheer te vertegenwoordigen en dat zonder deze bestuurder Beheer niet vertegenwoordigd kan worden.
1.3
Bij beschikking van 2 september 2024 is mr. A.H.J. Saes te Amsterdam (hierna ook: de onderzoeker) benoemd tot onderzoeker.
1.4
Bij beschikking van 4 oktober 2024 heeft de Ondernemingskamer het onderzoeksbudget vastgesteld op € 70.000, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen. Bij beschikking van 14 mei 2025 heeft de Ondernemingskamer het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten verhoogd tot € 115.000, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen.
1.5
Bij beschikking van 10 april 2026 heeft de Ondernemingskamer bepaald dat het ter griffie van de Ondernemingskamer neergelegde onderzoeksverslag aldaar ten inzage ligt voor belanghebbenden.
1.6
Bij brief van 21 april 2026 heeft de onderzoeker een specificatie van de aan het onderzoek bestede uren en gemaakte kosten aan de Ondernemingskamer doen toekomen. Deze specificatie sluit – na afboeking van een deel van de bestede uren – op een bedrag van € 115.000, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen.
1.7
Bij beschikking van 23 april 2026 heeft de voorzitter van de Ondernemingskamer [broer A] c.s. en [broer B] c.s. gemachtigd om aan bepaalde derden mededelingen te doen uit het onderzoeksverslag.
1.8
Bij e-mail van 23 april 2026 heeft de secretaris van de Ondernemingskamer partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de in 1.6 genoemde specificatie. Bij brief van 30 april 2026 hebben [broer B] c.s. een tweetal bezwaren tegen de specificatie van de onderzoekskosten naar voren gebracht. Bij e-mail van eveneens 30 april 2026 heeft de onderzoeker een nadere toelichting gegeven op de door haar verstrekte specificatie. In een e-mail van 4 mei 2026 hebben [broer A] c.s. geschreven geen opmerkingen te hebben bij de verantwoording van de onderzoeker.

2.De gronden van de beslissing

2.1
De onderzoeker heeft ten behoeve van de vaststelling van haar vergoeding een gespecificeerde opgave gedaan van de door haar in het kader van het onderzoek verrichte werkzaamheden en de daaraan bestede uren. De Ondernemingskamer heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten.
2.2
[broer B] c.s. hebben in hun brief van 30 april 2026 bezwaar gemaakt tegen de urenspecificatie, omdat hieruit niet goed te begrijpen is welke tijdsbesteding er uiteindelijk in rekening is gebracht, van wie er uren zijn afgeboekt, en waarom. Daarnaast hebben [broer B] c.s. bezwaar gemaakt tegen het door de onderzoeker inschakelen van twee kantoorgenoten zonder dat hierover afstemming heeft plaatsgevonden.
2.3
In haar e-mail van 30 april 2026 heeft de onderzoeker ten aanzien van het eerste bezwaar toegelicht dat de door haar afgeboekte uren op de gedeelde facturen zijn weergegeven als tijdregels tegen een bedrag van € 0,-. Op het tweede bezwaar is door de onderzoeker niet gereageerd.
2.4
Ten aanzien van het eerste bezwaar overweegt de Ondernemingskamer dat uit de overgelegde specificatie genoegzaam volgt welke werkzaamheden in rekening zijn gebracht en welke uren er zijn afgeboekt. De wijze waarop dit inzichtelijk is gemaakt, is voor de Ondernemingskamer te volgen en is overigens ook een in de praktijk gangbare wijze om afboekingen op facturen inzichtelijk te maken.
2.5
Voor wat betreft het tweede bezwaar overweegt de Ondernemingskamer als volgt. Het plan van aanpak van 23 september 2024 vermeldt over het inschakelen van kantoorgenoten van de onderzoeker het volgende: “
Mocht dat nuttig of nodig zijn, dan zal Onderzoeker in voorkomende gevallen medewerkers van haar kantoor inschakelen, waarbij voor de betrokken medewerkers de standaard voor hen gerekende uurtarieven en kantoorkosten gehanteerd zullen worden, met dien verstande dat voor hen geen hoger uurtarief in rekening zal worden gebracht dan het uurtarief dat de Onderzoeker hanteert.” In hun reactie van 30 september 2024 hebben [broer B] c.s. aangegeven geen bezwaar te maken tegen het plan van aanpak. Ook tegen het verzoek tot verhoging van het onderzoeksbudget van 14 april 2025 hebben [broer B] c.s. in hun reactie van 29 april 2025 geen bezwaar gemaakt. Uit de overgelegde specificatie volgt verder voldoende duidelijk welke werkzaamheden door de kantoorgenoten van de onderzoeker zijn verricht.
2.6
De Ondernemingskamer zal gelet op het voorgaande aan de bezwaren van [broer B] c.s. voorbijgaan. Nu de onderzoekskosten de Ondernemingskamer ook overigens in het licht van de aard en de omvang van het verrichte onderzoek niet onredelijk voorkomen, zal de Ondernemingskamer de vergoeding van de onderzoeker overeenkomstig artikel 2:350 lid 3 BW Pro bepalen als hierna te vermelden.

3.De beslissing

De Ondernemingskamer:
bepaalt de vergoeding van de onderzoeker op € 115.000, de daarover verschuldigde omzetbelasting daarin niet inbegrepen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.A.H. Melissen, voorzitter, mr. C.C. Meijer, mr. M.A.M. Vaessen, raadsheren, en mr. drs. G. Boon RA, drs. G.A.J. Dubbeld, raden, in tegenwoordigheid van mr. S. IJntema, griffier, en in het openbaar uitgesproken door mr. W.A.H. Melissen op 6 mei 2026.