ECLI:NL:GHAMS:2026:1301
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep te laat ingesteld tegen beschikking echtscheiding en gezag
De man stelde tijdig hoger beroep te hebben ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 6 juni 2025, waarin de echtscheiding, het ouderlijk gezag, de omgangsregeling en de verdeling van de gemeenschap werden vastgesteld. Het hof onderzocht of het hoger beroep tijdig was ingediend.
Volgens vaste rechtspraak zijn rechtsmiddelentermijnen van openbare orde en moeten deze strikt worden nageleefd. De beroepstermijn voor hoger beroep tegen eindbeschikkingen bedraagt drie maanden vanaf de uitspraak voor verschenen belanghebbenden. De man had in eerste aanleg een verweerschrift met zelfstandig verzoek ingediend, waardoor hij als belanghebbende werd aangemerkt en de termijn vanaf 6 juni 2025 liep.
De man stelde dat de beschikking pas op 11 juli 2025 aan hem was betekend en dat de termijn daarom later was aangevangen. Het hof oordeelde dat dit voor rekening van de man komt, omdat hij zorg moest dragen dat post hem bereikt. Bovendien was de beschikking binnen de termijn aan hem betekend in het detentiecentrum, waar hij weigerde deze in ontvangst te nemen, waarna de deurwaarder de beschikking bij hem achterliet.
De man had tijdig kennis van de beschikking en kon rechtsbijstand inschakelen. Er waren geen bijzondere omstandigheden die verlenging van de termijn rechtvaardigden. Daarom verklaarde het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de beroepstermijn.
Uitkomst: Het hoger beroep van de man is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.