Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1305

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
200.360.367/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over zorg- en vakantieregeling voor minderjarige met meervoudig gezag

De zaak betreft een geschil tussen de ouders over de zorg- en vakantieregeling voor hun zesjarige kind, waarbij het gezamenlijk gezag is vastgesteld. De rechtbank had een zorgregeling vastgesteld waarbij het kind om de week bij de vader verblijft en een videobelcontactmoment is geregeld. Verzoeken van beide ouders tot wijziging van de zorg- en vakantieregeling werden deels afgewezen.

In hoger beroep verzochten de ouders verschillende aanpassingen: de moeder wilde een meer kindgerichte 2-5-5-2 zorgregeling en een gelijkmatige verdeling van vakanties, terwijl de vader de bestaande zorgregeling wilde handhaven maar een andere vakantieregeling en permanente vervangende toestemming voor reizen naar Italië wilde.

Het hof oordeelde dat de huidige zorgregeling, geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming en uitgevoerd sinds de beschikking waarvan beroep, in het belang van het kind is en bekrachtigde deze. De vakantieregeling werd gewijzigd met een evenwichtige verdeling van vakanties en duidelijke overdrachtsmomenten, waarbij studiedagen niet als vakantiedagen gelden. Het verzoek van de vader om permanente vervangende toestemming voor reizen werd afgewezen, mede vanwege de betrokkenheid van de gecertificeerde instelling en het belang van overleg tussen ouders.

De beschikking van de rechtbank werd vernietigd voor zover het de vakantieregeling betrof en verder bekrachtigd. De vader werd niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om vervangende toestemming voor de voorjaarsvakantie 2026.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de zorgregeling, wijzigt de vakantieregeling en wijst het verzoek om permanente vervangende toestemming voor reizen af.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.360.367/01
zaaknummer rechtbank: C/13/735070/FA RK 23-3853
beschikking van de meervoudige kamer van 12 mei 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in principaal hoger beroep,
verweerster in incidenteel hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. A.J. Robbers te Amsterdam,
en
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerder in principaal hoger beroep,
verzoeker in incidenteel hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. P.W.M. Franssen te Amsterdam.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] .
Het hof heeft als informant aangemerkt:
- de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio [plaats A] , gevestigd te [plaats A] , hierna: de GI.
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats A] ,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de zorgregeling voor [minderjarige] (6 jaar). De rechtbank heeft bepaald dat [minderjarige] met ingang van de eerste week na de zomervakantie 2025 om de week van maandagmiddag na school tot en met de volgende maandagochtend voor school bij de vader is. Daarnaast is bepaald dat er op donderdag tussen 18.00 uur en 18.30 uur een (video)belmoment van maximaal 30 minuten is met de ouder bij wie [minderjarige] die week niet is. De verzoeken van de ouders ten aanzien van de verdeling van de vakanties en feestdagen zijn afgewezen. Ook is het verzoek van de vader om hem permanente vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige] naar Italië te reizen, afgewezen.
De moeder is het niet eens met de vastgestelde zorgregeling en de afwijzing van haar verzoek om een vakantieregeling vast te stellen. Zij wil dat de door haar verzochte zorg- en vakantieregeling wordt vastgesteld. De vader is het wel eens met de vastgestelde zorgregeling, maar wil dat de door hem verzochte vakantieregeling (alsnog) wordt vastgelegd. Ook wil hij dat aan hem permanente vervangende toestemming wordt verleend om met [minderjarige] naar Italië op vakantie te gaan gedurende door het hof te bepalen schoolvakanties.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 14 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 14 juli 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank).
2.2
De vader heeft op 3 december 2025 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3
De moeder heeft op 14 januari 2026 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 2 maart 2026 met bijlagen, en
- een bericht van de zijde van de moeder van 10 maart 2026 met bijlagen.
2.5
De zitting heeft op 12 maart 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en door J.L. Dubois, een tolk in de Italiaanse taal,
- een vertegenwoordiger van de GI, en
- de raad, vertegenwoordigd door A. Touber.
De advocaten van de moeder en de vader hebben op de zitting pleitnotities voorgedragen en overgelegd.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2019 te [plaats A] .
De ouders hebben tot en met de zomer van 2019 een relatie met elkaar gehad.
3.2
De vader heeft de Italiaanse nationaliteit. De moeder heeft de Nederlandse en de Russische nationaliteit. [minderjarige] heeft de Italiaanse, de Russische en de Nederlandse nationaliteit.
3.3
Bij beschikking van de rechtbank van 23 december 2020 is het ouderschap van de vader ten aanzien van [minderjarige] vastgesteld en bij beschikking van de rechtbank van 27 oktober 2021 is bepaald dat de ouders gezamenlijk met de uitoefening van het gezag over [minderjarige] worden belast en dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder zal hebben. Daarnaast is een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) tussen de ouders bepaald, waarbij [minderjarige] , na opbouw, elke dinsdagmiddag van 16.00 uur (na kinderdagverblijf/school) tot woensdagochtend (naar het kinderdagverblijf/school) (met overnachting) en eenmaal in de twee weken van vrijdagmiddag 16.00 uur na kinderdagverblijf/school tot maandagochtend naar het kinderdagverblijf/school bij de vader verblijft. Ook is een vakantieregeling vastgesteld en is aan de vader vervangende toestemming verleend voor de aanvraag van een Italiaans paspoort/ID voor [minderjarige] .
3.4
De raad heeft de kinderrechter in het raadsrapport van 20 juni 2025 verzocht om [minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van een jaar, gezien de concrete bedreigingen in zijn ontwikkeling, die onder andere zijn gelegen in zijn sociaal-emotionele ontwikkeling en in zijn opvoedingssituatie.
Daarnaast heeft de raad de rechtbank geadviseerd om het verzoek van de vader omtrent uitbreiding van de zorgregeling toe te wijzen. De raad adviseerde de rechtbank om de volgende zorgregeling vast te stellen tussen [minderjarige] en de vader:
- om de week van maandagmiddag na school tot en met de volgende maandagochtend voor school is [minderjarige] bij de vader. De andere week is [minderjarige] van maandagmiddag na school tot en met de volgende maandagochtend voor school bij de moeder, evenals de helft van de schoolvakanties;
- in de week dat [minderjarige] de gehele week bij een ouder is, is er op donderdag tussen 18.00 en 18.30 uur een (video)belmoment met de andere ouder bij wie [minderjarige] niet is. Dit belmoment vindt plaats zonder aanwezigheid van de ouder bij wie [minderjarige] is;
- op de dagen dat [minderjarige] niet naar school hoeft, vindt de overdracht plaats op een - door de jeugdbeschermer - voorgestelde neutrale plek.
3.5
[minderjarige] staat sinds 11 maart 2026 voor de duur van een jaar onder toezicht van de GI.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, bepaald dat [minderjarige] met ingang van de eerste week na de zomervakantie 2025 om de week van maandagmiddag na school tot en met de volgende maandagochtend voor school bij de vader is. Ook is bepaald dat – in de week dat [minderjarige] de gehele week bij één ouder is – er op donderdag tussen 18.00 uur en 18.30 uur een (video)belmoment van maximaal 30 minuten is met de ouder bij wie [minderjarige] niet is. De ouder bij wie [minderjarige] verblijft, is niet bij dat (video)belgesprek aanwezig. De verzoeken van de ouders ten aanzien van de verdeling van de vakanties en feestdagen zijn afgewezen. Ook het verzoek van de vader om hem permanente vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige] naar Italië te reizen is afgewezen.
4.2
De moeder verzoekt in principaal hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover daarin een zorgregeling is vastgesteld en het verzoek tot vaststelling van een vakantieregeling is afgewezen. Zij verzoekt een zorgregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] :
- maandag uit school tot woensdag naar school bij de vader verblijft;
- woensdag uit school tot vrijdag naar school bij de moeder verblijft;
- vrijdag uit school tot maandag naar school afwisselend bij de ene of de andere ouder verblijft;
althans een zodanige regeling in het belang van [minderjarige] te bepalen.
Verder verzoekt de moeder een vakantieregeling vast te stellen overeenkomstig haar voorstel, inhoudende:
a. kerstvakantie: jaarlijks afwisselend; in de even jaren verblijft [minderjarige] de eerste week bij de vader, de tweede week bij de moeder en in oneven jaren omgekeerd, met dien verstande dat de verdeling van de weken zo wordt ingesteld dat de verdeling zo is dat iedere ouder of kerst of oud en nieuw met [minderjarige] viert;
b. herfst- en voorjaarsvakantie: jaarlijks afwisselend tussen de ouders, waarbij gedurende het ene schooljaar [minderjarige] tijdens de herfstvakantie bij de moeder verblijft en tijdens de voorjaarsvakantie bij de vader, en het daarop volgende jaar andersom;
c. meivakantie: ieder één week, waarbij [minderjarige] in de even jaren de eerste week bij de moeder verblijft en de tweede week bij de vader, in de oneven jaren omgekeerd;
d. zomervakantie: gelijk verdeeld, waarbij [minderjarige] de eerste week bij de vader verblijft en de daaropvolgende week bij de moeder, waarna de laatste vier weken alternerend worden ingevuld (twee weken bij de vader, twee weken bij de moeder);
e. overdrachten: op zondag 17.30 uur, waarbij de ouder bij wie [minderjarige] verblijft hem naar de andere ouder brengt;
f. studiedagen worden niet aangemerkt als vakantiedagen. Tijdens studiedagen of sluiting van de school anderszins wordt de reguliere zorgregeling gevolgd.
4.3
De vader verzoekt in principaal hoger beroep het door de moeder ingediende hoger beroep ongegrond te verklaren en daarbij de door de rechtbank in de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling te bekrachtigen.
In incidenteel hoger beroep verzoekt de vader:
- de volgende vakantieregeling vast te leggen:
• herfstvakantie: [minderjarige] zal bij de ouder zijn volgens de normale zorgregeling;
• voorjaarsvakantie: [minderjarige] zal dan bij de andere ouder zijn, zodat een ouder [minderjarige] tijdens de herfstvakantie zal hebben en de andere ouder tijdens de Voorjaarsvakantie waardoor deze gelijk verdeeld zijn;
• mocht [minderjarige] volgens de normale zorgregeling hierdoor drie weken achter elkaar bij dezelfde ouder zijn, dan stelt de vader voor dat [minderjarige] in dat geval na de Voorjaarsvakantie drie dagen achter elkaar bij de andere ouder doorbrengt als onderbreking;
• kerstvakantie: volgens de normale zorgregeling; dus een week (of de helft) bij de vader en de andere week (of de helft) bij de moeder;
• meivakantie: volgens de normale zorgregeling; de helft bij de vader en de helft bij de moeder.
• zomervakantie: bij helfte verdelen waarbij [minderjarige] drie weken achter elkaar bij een ouder zal verblijven zodat een langere vakantie gepland kan worden;
en (naar het hof begrijpt) daarbij te bepalen dat:
de eerste vakantiedag begint op de laatste schooldag voor de vakantie, bijvoorbeeld op vrijdagmiddag na school, zodat de wisseling ook op school kan plaatsvinden en de vakantie wat langer duurt;
indien het niet mogelijk is om de wisseling op een schooldag te laten plaatsvinden, te bepalen dat de wisseling zal plaatsvinden op een neutrale plek om 9.00 uur s 'ochtends, zodat eventueel diezelfde dag nog in de middag een vlucht kan worden geboekt naar Italië;
elk schooljaar de normale zorgregeling wordt gevolgd, zodat [minderjarige] om het jaar zijn verjaardag ofwel bij de vader ofwel bij de moeder kan vieren;
[minderjarige] dit schooljaar (2025/2026) tijdens de oneven weken bij de vader is en tijdens de even weken bij de moeder en dat [minderjarige] zijn verjaardag (13 september) bij de vader doorbrengt;
de meivakantie op vrijdag 17 april uit school begint tot 7 mei naar school. De eerste helft (17-26 april 9.00 uur) bij de vader en van 26 april tot 7 mei bij de moeder. [minderjarige] zou dan ook de eerste week volgens het reguliere schema bij de vader verblijven.
[minderjarige] in de zomervakantie (vrijdag 3 juli tot maandag 17 augustus) de eerste helft (van 3 juli uit school tot 26 juli 9.00 uur) bij de moeder en de tweede helft (van 26 juli 9.00 uur tot 17 augustus) bij de vader verblijft;
- permanente vervangende toestemming te verlenen aan hem om met [minderjarige] naar Italië op vakantie te gaan gedurende dat deel van de schoolvakanties zoals door het hof wordt bepaald, of subsidiair aan hem vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige] tijdens de voorjaarsvakantie 2026 naar Italië te reizen.
4.4
De moeder verzoekt in incidenteel hoger beroep om de verzoeken van de vader af te wijzen. Daarnaast verzoekt zij (naar het hof begrijpt) indien het hof dergelijke regelingen wenselijk acht – te bepalen dat:
- de vakantie-overdracht op zondag 17.30 uur plaatsvindt en de week loopt tot de daaropvolgende zondag 17.30 uur, waarbij de ouder bij wie [minderjarige] verblijft hem naar de andere ouder brengt;
- indien de schoolvakantie op een schooldag aanvangt om 12.00 of 15.00 uur, [minderjarige] door de ouder bij wie hij de vakantie doorbrengt van school wordt opgehaald;
- indien een vakantie op een maandag/zaterdag/zondag begint: [minderjarige] opgehaald wordt op een neutrale locatie om 09.00 uur, of - indien dit rustiger is - de avond ervoor om 17.30 uur (waarbij de regel is dat de ouders deze keuze vooraf vastleggen);
- in de weken dat [minderjarige] bij de andere ouder verblijft minimaal twee vaste videobelcontacten plaatsvinden;
- gedurende vakanties aanvullend ten minste één extra contactmoment wordt gefaciliteerd, zodat [minderjarige] beide ouders kan blijven bereiken.

5.De motivering van de beslissing

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
Aangezien [minderjarige] zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft, is de Nederlandse rechter bevoegd om te oordelen over de verzoeken. De rechtbank heeft het Nederlandse recht toegepast. Dat is in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof dat zal doen.
In principaal en incidenteel hoger beroep
5.2
Het hof zal de grieven in principaal hoger beroep en in incidenteel hoger beroep, gelet op hun inhoud en onderlinge samenhang, hierna gezamenlijk bespreken.
Reguliere zorgregeling
Het wettelijk kader
5.3
Uit artikel 1:253a, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing over een zorgregeling kan wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
De standpunten
5.4
Tussen de ouders is niet in geschil dat sprake is van gewijzigde omstandigheden als bedoeld in voormeld artikel.
5.5
De moeder voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat het in het belang van [minderjarige] is dat er een zorgregeling komt die zo min mogelijk wisselmomenten kent. Ook meent zij dat de door de raad geadviseerde zorgregeling ten onrechte is overgenomen. De huidige zorgregeling is te zwaar en onrustig voor [minderjarige] , omdat hij gedurende een te lange periode bij één ouder verblijft. Bovendien is de huidige regeling problematisch bij de verdeling van vakanties, omdat het gevolg daarvan kan zijn dat één ouder [minderjarige] soms gedurende drie weken niet ziet, wat de moeder niet in zijn belang acht. Het (video)belmoment biedt onvoldoende houvast voor hem. De moeder wil dat een meer kindgerichte zorgregeling vastgesteld wordt volgens het 2-5-5-2-schema. Indien de wisselmomenten zoveel mogelijk via school verlopen hoeven de ouders elkaar niet te zien, waardoor het wisselmoment niet zwaar is. De discussie tussen de ouders over de invulling van [minderjarige] vrije tijd zal met een dergelijke regeling ook losgelaten kunnen worden, omdat de ouders dan zelf kunnen beslissen over hun schema. Een 2-5-5-2-schema sluit aan bij [minderjarige] schoolritme, geeft hem meer rust, maakt het voor de ouders mogelijk hun verantwoordelijkheden voorspelbaar te plannen en houdt rekening met de werktijden van de moeder. Het biedt meer structuur dan een week-om-weekregeling en wordt in het algemeen erkend als stabieler voor jonge kinderen.
5.6
De vader is het eens met de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling. De beslissing van de rechtbank is zorgvuldig tot stand gekomen, omdat de raad uitgebreid onderzoek heeft verricht, met als conclusie dat de huidige regeling in het belang van [minderjarige] is. Er zijn nu minder wisselmomenten en interacties tussen de ouders nodig om de wisselmomenten te coördineren. De huidige zorgregeling geeft [minderjarige] meer rust en stabiliteit dan de door de moeder voorgestelde regeling. Bovendien vindt [minderjarige] deze regeling comfortabel. Het geeft de vader ook rust dat hij minder geconfronteerd wordt met de moeder. In de huidige regeling is het eenvoudiger om de week met [minderjarige] te plannen en in te passen in het schema van de betreffende ouder. De ouders hebben verschillende opvoedstijlen en spreken verschillende talen, waardoor [minderjarige] zich steeds moet aanpassen. Als [minderjarige] een hele week bij een ouder is, is de betreffende ouder beter in staat om hem te helpen met plannen en het maken van huiswerk. Daarnaast geeft de huidige zorgregeling de vader de mogelijkheid om een zakenreis te maken als [minderjarige] bij de moeder verblijft en om zijn familie in Italië op te zoeken. De huidige zorgregeling kan worden gecontinueerd tijdens (korte) schoolvakanties.
Het advies van de raad
5.7
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. De raad heeft uitgebreid onderzoek gedaan en in eerste aanleg geadviseerd om een week-op-week-af-regeling vast te stellen. Deze regeling is geadviseerd, omdat er nu geen communicatie tussen de ouders mogelijk is en er onrust ontstond rondom wisselmomenten vanwege het ontbreken van overeenstemming. Het is van belang dat de ouders ondersteuning krijgen, zodat gewerkt kan worden aan de communicatie en het maken van afspraken. De GI is inmiddels betrokken. Als [minderjarige] naar de middelbare school gaat zullen er zaken veranderen. De raad wil dat de ouders stoppen met procederen en in het belang van [minderjarige] kijken wat hij nodig heeft en hoe zij daarover afspraken kunnen maken. Met de huidige regeling bestaat er een zekere mate van rust.
De beoordeling
5.8
Het hof overweegt als volgt. Bij beschikking van de rechtbank van 26 juli 2024 is de raad verzocht advies uit te brengen over de vraag welke zorgregeling het meest in het belang van [minderjarige] moet worden geacht. De raad heeft de rechtbank in het raadsrapport van 20 juni 2025 geadviseerd om een zorgregeling vast te stellen tussen [minderjarige] en de vader waarbij [minderjarige] om de week van maandagmiddag na school tot en met de volgende maandagochtend voor school bij de vader is en [minderjarige] de andere week van maandagmiddag na school tot en met de volgende maandagochtend voor school bij de moeder is. Uit het raadsrapport blijkt dat de raad de destijds geldende zorgregeling, inhoudende dat [minderjarige] iedere dinsdagmiddag na school tot woensdagochtend en om het weekend van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend naar school bij de vader was, onvoldoende in het belang van [minderjarige] achtte en van mening was dat de door de raad geadviseerde zorgregeling rustiger en duidelijker voor [minderjarige] zou zijn. Het hof overweegt dat het raadsrapport relatief recent is en ziet onvoldoende aanleiding om af te wijken van de daarin geadviseerde en sinds de beschikking waarvan beroep geldende zorgregeling. Gebleken is dat de huidige zorgregeling inmiddels al geruime tijd door de ouders wordt uitgevoerd. Anders dan de moeder stelt, is het hof niet gebleken dat deze zorgregeling te zwaar en onrustig is voor [minderjarige] . Met de rechtbank is het hof van oordeel dat, gelet op de slechte communicatie tussen de ouders, een zorgregeling die zo min mogelijk wisselmomenten kent in het belang van [minderjarige] is, omdat een dergelijke regeling meer rust creëert voor hem. De huidige zorgregeling sluit daar naar het oordeel van het hof bij aan. Het hof zal het verzoek van de moeder om de zorgregeling te wijzigen dan ook afwijzen en de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen.
Vakantieregeling
5.9
Hiervoor verwijst het hof naar het beoordelingskader dat bij 5.3 is weergeven.
De standpunten
5.1
De moeder stelt dat de rechtbank ten onrechte het verzoek tot vaststelling van een vakantieregeling heeft afgewezen. Het is de ouders niet gelukt om met behulp van een mediator afspraken te maken. Hierdoor blijft onduidelijkheid bestaan over de verdeling van de vakanties en feestdagen, wat tot voortdurende conflicten leidt. Bij de door de moeder voorgestelde verdeling van de vakanties, feestdagen en bijzondere dagen wordt uitgegaan van een gelijke verdeling en wordt rekening gehouden met haar werkverplichtingen. De vader wil dat [minderjarige] drie aaneengesloten weken in de zomervakantie bij hem verblijft, maar tot 2028 acht de moeder dit een te lange periode voor [minderjarige] . Verder verzet de moeder zich tegen de door de vader voorgestelde vakantieregeling. Zijn voorstel is onvoldoende kindgericht en conflictbeperkend, omdat het uitgaat van onjuiste of zelf gehanteerde vakantiedata, ruimte laat voor structurele discussies over start- en eindmomenten, en kan leiden tot disproportionele aaneengesloten blokken bij één ouder.
5.11
De vader is het niet eens met de door de moeder voorgestelde vakantieregeling en wil dat de door hem voorgestelde vakantieregeling wordt vastgesteld. De ouders hebben tot op heden geen volledige vakantieregeling afgesproken met betrekking tot het schooljaar 2025/2026, ondanks dat daarover sinds september 2025 veel is gediscussieerd. De vader wil dat de vakanties aanvangen op de laatste schooldag, omdat hij dan langer de tijd heeft met [minderjarige] . Datzelfde geldt dan andersom ook voor de moeder. Verder acht de vader één videobelmoment per week tijdens de vakantie, zoals de raad heeft geadviseerd, voldoende.
Het advies van de raad
5.12
De raad heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat de ouders in overleg met de GI kunnen werken aan het maken van duidelijke afspraken over de vakanties. Naarmate [minderjarige] ouder wordt zullen er mogelijk in zijn belang andere afspraken over de vakanties gemaakt moeten worden.
De beoordeling
5.13
Gebleken is dat de ouders omtrent de kerstvakantie 2025 overeenstemming hebben bereikt. Deze overeenstemming hield in dat [minderjarige] de eerste helft van de kerstvakantie 2025 (van 18 december tot 31 december 2025) bij de moeder verbleef en de tweede helft (van 31 december 2025 tot 11 januari 2026) bij de vader. Uit de stukken en ter zitting in hoger beroep is daarnaast gebleken dat de ouders in onderling overleg afspraken hebben gemaakt over de voorjaarsvakantie 2026 en dat [minderjarige] in die vakantie (van 23 februari tot en met 1 maart 2026) bij de vader verbleef.
5.14
Het is de ouders niet gelukt om in onderling overleg tot overeenstemming te komen tot een verdeling van de overige vakanties. Het hof zal gelet op het voorgaande en met inachtneming van wat de ouders hebben aangevoerd de hierna volgende verdeling van de vakanties vaststellen:
- kerstvakantie: [minderjarige] verblijft in de even jaren de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder en in de oneven jaren de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader;
- voorjaarsvakantie: [minderjarige] verblijft in de even jaren bij de vader en in de oneven jaren bij de moeder;
- meivakantie: [minderjarige] verblijft in de even jaren de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder en in de oneven jaren de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader;
- zomervakantie: [minderjarige] verblijft in de even jaren de eerste drie weken bij de moeder en de laatste drie weken bij de vader en in de oneven jaren de eerste drie weken bij de vader en de laatste drie weken bij de moeder;
- herfstvakantie: [minderjarige] verblijft in de even jaren bij de moeder en in de oneven jaren bij de vader.
Het hof acht deze regeling in het belang van [minderjarige] en zal daarbij bepalen dat de eerste vakantiedag begint op de laatste schooldag (vrijdag) voor de vakantie, waarbij [minderjarige] van school opgehaald wordt door de ouder bij wie hij (de eerste week van) de vakantie verblijft. Dit voorkomt dat er een wisselmoment plaatsvindt in het eerste weekend van de vakantie, waarbij de ouders elkaar dienen te zien en daarmee wordt ook vermeden dat [minderjarige] getuige is van eventuele problemen en spanningen tussen de ouders.
Het hof zal ten aanzien van het wisselmoment tijdens de vakantie bepalen dat dit op zondag om 17.30 uur zal zijn, waarbij de ouder bij wie [minderjarige] verblijft hem naar de andere ouder brengt. Vervolgens brengt [minderjarige] de vakantie door bij de andere ouder tot maandagochtend naar school, zodat er tijdens de vakantie niet nog een wisselmoment is. Dit zal [minderjarige] naar verwachting meer rust geven. De vader heeft verder verzocht dat als [minderjarige] volgens de normale zorgregeling (in combinatie met de vakantieregeling) hierdoor drie weken achter elkaar bij dezelfde ouder is, in dat geval te bepalen dat [minderjarige] na de voorjaarsvakantie drie dagen achter elkaar bij de andere ouder doorbrengt als onderbreking. Het hof zal dit verzoek afwijzen, nu het hof een afwijking van de bovenstaande vakantieregeling niet in het belang van [minderjarige] acht.
5.15
De moeder heeft verzocht te bepalen dat de studiedagen niet worden aangemerkt als vakantiedagen en dat tijdens studiedagen of andere dagen dat de school gesloten is, de reguliere zorgregeling wordt gevolgd. De vader heeft zich daartegen niet verweerd, zodat het hof het verzoek van de moeder zal toewijzen. Daar komt nog bij dat het laten doorlopen van de reguliere zorgregeling op dergelijke dagen naar het oordeel van het hof bijdraagt aan continuïteit en voorspelbaarheid voor [minderjarige] en de ouders.
5.16
Het hof begrijpt uit de overige verzoeken van de vader dat hij wil dat de verjaardag van [minderjarige] evenredig wordt verdeeld tussen de ouders, zodat [minderjarige] om het jaar zijn verjaardag bij ofwel de moeder ofwel de vader kan vieren. Het hof ziet geen aanleiding om voor de verjaardag van [minderjarige] een aparte regeling vast te stellen en zal de verzoeken van de vader dan ook afwijzen. De huidige zorgregeling zal bepalen bij wie [minderjarige] op zijn verjaardag zal zijn.
Videobelmoment
5.17
De moeder verzoekt te bepalen dat in de weken dat [minderjarige] bij de andere ouder verblijft minimaal twee vaste videobelmomenten dienen plaats te vinden en dat gedurende vakanties aanvullend ten minste één extra contactmoment wordt gefaciliteerd, zodat [minderjarige] beide ouders kan blijven bereiken. Het hof acht één vast videobelmoment op donderdag tussen 18.00 uur en 18.30 uur tussen [minderjarige] en de ouder bij wie hij die week niet is (zoals door de raad in eerste aanleg is geadviseerd) voldoende en zal de verzoeken van de moeder dan ook afwijzen. Extra vastgelegde videobel- en contactmomenten zullen naar verwachting van het hof de continuïteit en rust bij de desbetreffende ouder verstoren, hetgeen niet in het belang van [minderjarige] is. Het hof gaat er wel vanuit dat als [minderjarige] bij een ouder aangeeft de andere ouder te willen (video)bellen, de ouder bij wie hij op dat moment verblijft daarvoor toestemming zal geven.
(Permanente) vervangende toestemming reizen
Het wettelijk kader
5.18
Uit artikel 1:253a, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter kunnen worden voorgelegd. De rechter dient in geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag een zodanige beslissing te nemen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Conform vaste rechtspraak dient de rechter bij de beslissing over een geschil als het onderhavige niet alleen het belang van het kind, maar alle omstandigheden van het geval in ogenschouw te nemen en alle belangen af te wegen.
5.19
De vader stelt dat zijn eerdere verzoeken om aan hem permanente vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige] te reizen gedurende schoolvakanties zijn afgewezen, waardoor hij steeds opnieuw procedures moest starten op het moment dat de moeder het toestemmingsformulier niet wilde ondertekenen. De vader heeft hierdoor al veel onnodige juridische kosten moeten maken, hetgeen hem bespaard wordt als het hof hem vervangende toestemming verleent om met [minderjarige] naar Italië te gaan tijdens de schoolvakanties, wanneer [minderjarige] bij hem is. Als zijn verzoek opnieuw wordt afgewezen, verzoekt hij subsidiair om hem vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige] in de voorjaarsvakantie 2026 naar Italië te reizen.
5.2
De moeder voert aan dat vervangende toestemming een oplossing voor een concreet geschil dient te zijn en niet verder mag gaan dan noodzakelijk. Een permanente en generieke vervangende toestemming is in beginsel niet proportioneel en doet afbreuk aan het uitgangspunt van gezamenlijk gezag. Toestemming om met [minderjarige] naar het buitenland te reizen dient te worden beoordeeld op basis van concrete gegevens, waaronder de bestemming, reisperiode, verblijfplaats, bereikbaarheid, reisdocumenten en (waar relevant) schoolverplichtingen. De moeder betwist dat zij structureel toestemming voor reizen weigert. De vader heeft eerder ook aangegeven eventueel naar een ander land (dan Italië) te willen uitwijken en daarom kan geen sprake zijn van een blanco machtiging. Het belang van [minderjarige] vergt vooraf duidelijkheid over de bestemming en het verblijf.
De beoordeling
5.21
Het hof zal het verzoek van de vader om permanente vervangende toestemming aan hem te verlenen om met [minderjarige] naar Italië op vakantie te gaan, afwijzen en overweegt daartoe als volgt. Nu het hof een specifieke vakantieregeling zal vaststellen, verwacht het hof dat de problemen tussen de ouders omtrent het verlenen van vervangende toestemming voor reizen (naar het buitenland) daarmee tot het verleden behoren. Bovendien heeft de rechtbank [minderjarige] op 11 maart 2026 onder toezicht gesteld van de GI. Het hof hoopt dan ook dat de ouders (onder regie van de GI) met hulpverlening in staat zullen zijn om in onderling overleg afspraken te maken over toekomstige reizen naar het buitenland.
5.22
Voor zover de vader nog heeft verzocht om aan hem vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige] tijdens de voorjaarsvakantie 2026 naar Italië te reizen, overweegt het hof dat deze vakantie in het verleden ligt, nu de voorjaarsvakantie 2026 al heeft plaatsgevonden. Dit verzoek heeft daarmee geen feitelijke betekenis meer en de vader heeft geen belang meer bij dit verzoek, zodat hij daarin niet kan worden ontvangen.
5.23
Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
in principaal en incidenteel hoger beroep:
vernietigt de bestreden beschikking voor zover het verzoek van de ouders tot vaststelling van een vakantieregeling is afgewezen;
stelt de volgende verdeling van de vakanties vast:
- kerstvakantie: [minderjarige] verblijft in de even jaren de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder en in de oneven jaren de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader;
- voorjaarsvakantie: [minderjarige] verblijft in de even jaren bij de vader en in de oneven jaren bij de moeder;
- meivakantie: [minderjarige] verblijft in de even jaren de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder en in de oneven jaren de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader;
- zomervakantie: [minderjarige] verblijft in de even jaren de eerste drie weken bij de moeder en de laatste drie weken bij de vader en in de oneven jaren de eerste drie weken bij de vader en de laatste drie weken bij de moeder;
- herfstvakantie: [minderjarige] verblijft in de even jaren bij de moeder en in de oneven jaren bij de vader;
bepaalt dat de vakantieregeling start op de laatste schooldag voor de schoolvakantie en dat [minderjarige] door de ouder bij wie hij (de eerste week van) de vakantie verblijft van school wordt opgehaald;
bepaalt dat het overdrachtsmoment tijdens de vakanties op zondag om 17.30 uur zal plaatsvinden, waarbij de ouder bij wie [minderjarige] verblijft hem naar de andere ouder brengt;
bepaalt dat [minderjarige] daarna de verdere vakantie doorbrengt bij de andere ouder tot maandagochtend naar school;
bepaalt dat tijdens studiedagen of andere dagen dat de school van [minderjarige] gesloten is de reguliere zorgregeling wordt uitgevoerd;
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek om aan hem vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige] tijdens de voorjaarsvakantie 2026 naar Italië te reizen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige, voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.H. Steenmetser-Bakker, mr. P.F.E Geerlings en mr. G.J. Baken, in tegenwoordigheid van mr. I.L.I. Bossert als griffier en is op 12 mei 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.