Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1308

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
200.360.022/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging kinderalimentatie van 500 euro per maand wegens onvoldoende financiële onderbouwing vader

De zaak betreft een hoger beroep van de vader tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam waarin de kinderalimentatie voor zijn minderjarige kind op 500 euro per maand is vastgesteld. De vader betoogt dat hij slechts 25 euro per maand kan betalen vanwege een penibele financiële situatie, maar heeft geen recente financiële stukken of bewijs van schulden overgelegd.

De moeder verzet zich tegen het beroep en stelt dat de vader onvoldoende financiële gegevens heeft verstrekt, waardoor de rechtbank terecht is uitgegaan van een bruto winst van 100.000 euro en de alimentatie op 500 euro heeft vastgesteld. Het hof oordeelt dat de vader ontvankelijk is in zijn beroep, maar dat hij niet heeft voldaan aan zijn stelplicht om zijn financiële situatie te onderbouwen.

Omdat de vader niet is verschenen bij de zitting en geen aanvullende stukken heeft ingediend, kan het hof zijn stelling dat hij niet draagkrachtig is niet beoordelen. Het hof bekrachtigt daarom de bestreden beschikking en laat de alimentatie van 500 euro per maand in stand.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de kinderalimentatie van 500 euro per maand wegens onvoldoende financiële onderbouwing van de vader.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.360.022/01
zaaknummer rechtbank: C/13/744234 / FA RK 23-8591
beschikking van de meervoudige kamer van 12 mei 2026 in de zaak van
[de vader],
wonende te [Plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. K. Walburg te Hoorn (onttrokken),
en
[de moeder] ,
wonende te [Plaats A] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. E.M.J. van Nieuwenhuizen te Amsterdam.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige ] , hierna: [minderjarige ] .

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de kinderalimentatie voor [minderjarige ] (6 jaar). De rechtbank heeft de door de vader te betalen kinderalimentatie bepaald op € 500,- per maand.
De vader is het daar niet mee eens en wil een kinderalimentatie van € 25,- per maand betalen.
De moeder is het wel eens met de bestreden beschikking.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 7 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 8 juli 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank).
2.2
De moeder heeft op 30 december 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 27 februari 2026 met bijlagen.
2.4
De zitting heeft op 12 maart 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.
De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige ] , geboren [in] 2019 te [Plaats A] .
De ouders zijn met elkaar getrouwd [in] 2015 te [plaats B] , Syrië. Het huwelijk is op 19 maart 2024 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
3.2
De ouders hebben de Syrische en Nederlandse nationaliteit.
3.3
[minderjarige ] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder.
3.4
Bij beschikking van 6 februari 2024 betreffende voorlopige voorzieningen heeft de rechtbank de door partijen overeengekomen voorlopige kinderalimentatie bepaald op € 150,- per maand.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, op dienovereenkomstig verzoek van de moeder, de bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige ] (hierna: de kinderalimentatie) met ingang van 8 juli 2025 bepaald op € 500,- per maand.
4.2
De vader verzoekt, met gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de kinderalimentatie te bepalen op € 25,- per maand met ingang van 8 juli 2025.
4.3
De moeder verzoekt de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, dan wel het hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
De zaak heeft een internationaal karakter, omdat de ouders zowel de Syrische als de Nederlandse nationaliteit hebben. Het hof stelt vast dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 van Pro de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) bevoegd is om van het kinderalimentatieverzoek van de moeder kennis te nemen.
De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast. Daartegen is geen grief gericht, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.
Ontvankelijkheid
5.2
De moeder stelt dat de vader niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn hoger beroep, omdat iedere onderbouwing van zijn vermeende slechte financiële situatie ontbreekt.
In het licht van de twee conclusieregel is deze wijze van procederen in strijd met de eisen van
goede procesorde. Er is sprake van een onredelijke bemoeilijking van de verdediging en/of het voeren van verweer, aldus de moeder.
5.3
Het hof overweegt als volgt. Het hoger beroep van de vader ziet op de wijziging van een vastgestelde nevenvoorziening in de echtscheidingsprocedure. De eisen van een goede procesorde brengen mee dat een partij zowel voor de wederpartij als voor de rechter zijn bezwaren tegen de bestreden beschikking helder inzichtelijk formuleert, zodat duidelijk is waartegen de grieven zich richten en de wederpartij daarmee voldoende in de gelegenheid wordt gesteld om zich te verweren tegen de standpunten. In het beroepschrift van de vader zijn de grieven voldoende duidelijk opgenomen, zodat de moeder zich hierop voldoende heeft kunnen voorbereiden en naar het oordeel van het hof geen sprake is van strijd met de goede procesorde. Het hof is daarom van oordeel dat de vader ontvankelijk is in zijn verzoek en zal overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep.
Standpunten partijen
5.4
De vader betoogt dat hij de in de bestreden beschikking vastgestelde kinderalimentatie van € 500,- per maand niet kan voldoen. De financiële situatie van de vader is penibel te noemen.
De vader voert aan dat de rechtbank met een veel te hoog netto besteedbaar inkomen rekening heeft gehouden. De btw-aangiften laten de kosten van de vader niet zien en laten ook niet zien in welke financiële situatie de vader precies zit. De omzet van € 217.000,- brengt, gelet op de aard van de onderneming, aanzienlijke bedrijfskosten met zich mee. Door de hoge structurele kosten van inkoop en de vaste lasten, zoals huur, gas, water, elektriciteit, blijft er onderaan de streep nauwelijks tot geen winst over. De bruto omzet geeft dan ook geen reëel beeld van zijn draagkracht. Op dit moment is de draagkracht van de vader nihil, aldus de vader.
De rechtbank heeft ten onrechte geen rekening gehouden met zijn schulden. De vader heeft in de afgelopen periode noodgedwongen schulden opgebouwd, mede als gevolg van de beperkte winstgevendheid van zijn onderneming en de economische gevolgen van zijn persoonlijke omstandigheden. De vader kampt met een huurachterstand voor het bedrijfspand, waarvoor hij recentelijk is gedagvaard en zich bij de rechtbank heeft moeten verantwoorden.
Door de omstandigheden waarin hij zich bevindt, waaronder de aanhoudende situatie in Syrië en de daaruit voortvloeiende persoonlijke en administratieve problemen, is hij momenteel niet in staat om de benodigde bewijsstukken over zijn financiële situatie te overleggen. Hij is zich bewust van zijn verplichtingen en zal stappen ondernemen om samen met zijn boekhouder zijn financiële situatie te structureren en te verbeteren. De vader heeft in het beroepschrift gesteld dat hij de financiële gegevens en een overzicht van de schulden zal indienen zodra deze gereed zijn.
5.5
De moeder betoogt dat de vader volstrekt onvoldoende financiële gegevens heeft overgelegd. Hij heeft geen jaarrekeningen van de eenmanszaak overgelegd, geen fiscale jaaraangifte IB 2023, geen eventuele voorlopige jaarcijfers 2024 en geen btw-aangifte van het vierde kwartaal 2023 en geen derde en vierde kwartaal 2024. De vader heeft nagelaten om enig inzicht te verschaffen in de kosten van zijn bedrijf, in de behaalde winst over 2023 en in de hoogte van zijn inkomen over 2023. Ook heeft hij nagelaten om, tegenover de nadrukkelijke betwisting door de moeder, aan te tonen welke niet verwijtbare en niet vermijdbare schulden hij heeft, sedert wanneer deze schulden zijn aangegaan en wat hij daarop maandelijks aflost. De rechtbank is terecht uitgegaan van minimaal een bruto winst uit onderneming van € 100.000,- over 2023 en heeft daarom terecht een kinderalimentatie van € 500,- per maand bepaald, aldus de moeder.
Beoordeling door het hof
5.6
Hoewel uit het beroepschrift van de vader blijkt dat hij zich bewust was van zijn verplichting om aanvullende recente financiële stukken en een overzicht en onderliggende stukken van zijn schulden in te dienen, heeft hij dat, ook in hoger beroep, nagelaten. De advocaat van de vader heeft zich onttrokken, omdat zij geen contact meer kon krijgen met de vader en de vader is ook niet ter zitting in hoger beroep verschenen om zijn beroepschrift nader toe te lichten. Het hof beschikt over niet meer dan dezelfde stukken als de rechtbank, te weten de btw-aangiften over de eerste drie kwartalen van 2023 en de eerste twee kwartalen van 2024.
5.7
De rechtbank is in de bestreden beschikking, bij gebrek aan recente inkomensgegevens, voor de bepaling van de draagkracht van de vader uitgegaan van een geschat bruto inkomen uit onderneming van € 100.000,- op basis van de btw-aangiften. De rechtbank heeft op basis daarvan de draagkracht van de vader bepaald op € 718,- per maand. Omdat de vader, tegenover de gemotiveerde betwisting door de moeder, zijn huidige schuldenlast en eventuele aflossingsverplichting niet heeft aangetoond en daarmee niet heeft voldaan aan zijn stelplicht, heeft de rechtbank geen rekening gehouden met eventuele niet vermijdbare en niet verwijtbare schulden aan de zijde van de vader. Na een draagkrachtvergelijking en aftrek van een zorgkorting komt de rechtbank in de bestreden beschikking tot de conclusie dat de verzochte kinderalimentatie van € 500,- per maand door de moeder de draagkracht van de vader niet overschrijdt, zodat de rechtbank het verzoek van de moeder heeft toegewezen.
5.8
De vader voert in hoger beroep aan dat deze kinderalimentatie niet aansluit bij de behoefte van [minderjarige ] en zijn draagkracht. De vader heeft echter niet toegelicht van welke bedragen wel zou moeten worden uitgegaan bij het vaststellen van de kinderalimentatie en heeft ook geen inkomensgegevens, zoals jaarstukken of aangiften IB, of andere financiële stukken overgelegd. Omdat de vader geen enkel inzicht heeft gegeven in zijn financiële situatie, kan het hof de stelling van de vader dat het hem aan draagkracht ontbreekt niet beoordelen, zodat het hof hieraan voorbijgaat. Het hof zal de kinderalimentatie van € 500,- per maand dan ook in stand laten en de bestreden beschikking bekrachtigen.
5.9
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.F.E Geerlings, mr. D.H. Steenmetser-Bakker en mr. G.J. Baken, in tegenwoordigheid van mr. A. Blijleven als griffier en is op 12 mei 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.