ECLI:NL:GHAMS:2026:131

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
23-003242-22
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging vonnis politierechter wegens mishandeling en bedreiging

In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland. De verdachte, geboren in 1969, was eerder onherroepelijk veroordeeld voor mishandeling en bedreiging. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte zich gedurende een langere periode schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van zijn stiefdochter, waarbij hij haar meermalen heeft geslagen en geschopt. Daarnaast heeft hij zijn buurman bedreigd met de dood. De verdachte ontkende de beschuldigingen, maar het hof oordeelde dat de aangiften en getuigenverklaringen voldoende bewijs boden voor de bewezenverklaring van de feiten. Het hof heeft de gevangenisstraf vastgesteld op 12 weken, waarvan 6 weken voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden zoals een locatie- en contactverbod met de stiefdochter. De redelijke termijn van de procedure is overschreden, wat heeft geleid tot een matiging van de straf. De vorderingen van de benadeelde partijen zijn volledig toegewezen, waarbij schadevergoeding is opgelegd voor immateriële schade.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003242-22
datum uitspraak: 20 januari 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 23 november 2022 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-063862-22 en 15-129571-22 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,
adres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
Zaak met parketnummer 15-063862-22:
hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2020 tot en met 19 juli 2021 te Purmerend (telkens) een kind dat hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin, [slachtoffer 1] , heeft mishandeld door (meermalen) op/tegen haar hoofd en/of haar lichaam te slaan en/of te stompen en/of (meermalen) op/tegen haar lichaam te schoppen;
Zaak met parketnummer 15-129571-22:
hij op of omstreeks 16 mei 2021 te Purmerend [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "Ik zal meneer [slachtoffer 2] door zijn kop schieten en zijn ramen eruit knallen, ik heb een vuurwapen boven op zolder liggen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarin is volstaan met een opgave van bewijsmiddelen en voorts het hof ten dele tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Bewijsoverwegingen

Zaak met parketnummer 15-063862-22:
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit kan worden bewezen.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit. De verdachte ontkent, er is geen enkel medisch bewijs van letsel, de moeder van aangeefster heeft verklaard over het door aangeefster zelf aanbrengen van letsel en ten slotte kunnen vraagtekens worden gezet bij de betrouwbaarheid en objectiviteit van de afgelegde getuigenverklaringen, nu sprake was van structurele ruzie met de buurt. De verklaringen ontberen ook tijd, plaats, context en causaliteit.
Oordeel van het hof
Anders dan de raadsman, ziet het hof geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de aangifte en de getuigenverklaringen. De aangifte van [slachtoffer 1] , dat de verdachte haar vanaf 2020 meerdere keren (een blauw oog) heeft geslagen en haar heeft geschopt, is concreet en duidelijk en vindt steun in de getuigenverklaringen. Daarbij verklaren de getuigen deels ook over specifieke geweldsincidenten en gebeurtenissen die zij hebben gezien. Zo heeft getuige [getuige 1] verklaard dat zij heeft gezien dat de verdachte bij een sneeuwballengevecht begin 2021 [slachtoffer 1] een klap met zijn hand gaf, waarbij zij een beschrijving geeft van het sneeuwballengevecht dat eraan vooraf ging en de kennelijke aanleiding voor de verdachte om de klap te geven, te weten dat [slachtoffer 1] de verdachte per ongeluk raakte. Ook verklaart zij dat [slachtoffer 1] haar in juni 2021 vertelde dat ze klappen had gehad en dat buren haar toen vertelden dat zij [slachtoffer 1] een paar dagen eerder met een blauw oog hadden gezien. Getuige [getuige 2] maakt in haar verklaring van augustus 2021 melding van een blauw oog bij [slachtoffer 1] eind mei, toen ze de hond ging uitlaten en [slachtoffer 1] op de fiets was. Wederom concreet in tijd en context. De getuige [getuige 3] , eigenaar van de snackbar waar [slachtoffer 1] werkte, heeft in september 2021 verklaard dat hij al een jaar lang ziet dat [slachtoffer 1] een blauw oog heeft, dat hij in totaal 4 keer heeft gezien dat [slachtoffer 1] met een blauw oog naar het werk is gekomen en dat [slachtoffer 1] ook een keer een flinke blauwe plek op haar rechter bovenarm had en pijn in haar rug; volgens hem hebben zijn andere personeelsleden zowel de blauwe ogen, als de blauwe plek op haar bovenarm en rugpijn gezien. [slachtoffer 1] zelf heeft ook verklaard dat de buurvrouw, haar baas en andere collega’s haar met een blauw oog hebben gezien. Het meermalen schoppen wordt bevestigd door de getuige [getuige 4] , die daarbij in haar verklaring van augustus 2021 aangeeft dat de laatste keer twee maanden geleden was, op het speelveld voor haar woning, toen de verdachte en [slachtoffer 1] uit de auto kwamen, dat [slachtoffer 1] toen haar been wegtrok en aan haar reactie was te zien dat het pijn deed.
De ontkenning van de verdachte biedt hiertegen onvoldoende tegenwicht, evenals de enkele stelling van de partner van de verdachte, zijnde tevens de moeder van [slachtoffer 1] , dat [slachtoffer 1] zelf het letsel zou hebben toegebracht.
Gelet op het vorenoverwogene acht het hof dit feit wettig en overtuigend bewezen.
Zaak met parketnummer 15-129571-22:
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit kan worden bewezen.
De verdediging heeft zich op het standspunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit. De verdachte ontkent en stelt die avond niet in Purmerend te zijn geweest.
Oordeel van het hof
De aangifte van bedreiging van [slachtoffer 2] vindt steun in de getuigenverklaringen. Zowel getuige [getuige 1] , [getuige 5] als [getuige 6] bevestigen dat zij de verdachte hoorden zeggen dat hij [slachtoffer 2] door zijn kop zou schieten en dat de blaffer/het pistool boven/op zolder zou liggen. Het hof ziet geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen.
De enkele ontkenning van de verdachte kan niet tot een ander oordeel leiden. Dat de verdachte die avond niet in Purmerend zou zijn geweest, is op geen enkele wijze nader onderbouwd.
Gelet op het vorenoverwogene acht het hof ook dit feit wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 15-063862-22 en in de zaak met parketnummer 15-129571-22 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Zaak met parketnummer 15-063862-22:
hij op tijdstippen in de periode van 01 januari 2020 tot en met 19 juli 2021 te Purmerend telkens een kind dat hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin, [slachtoffer 1] , heeft mishandeld door op/tegen haar hoofd en/of haar lichaam te slaan en/of te stompen en/of op/tegen haar lichaam te schoppen;
Zaak met parketnummer 15-129571-22:hij op 16 mei 2021 te Purmerend [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door dreigend de woorden toe te voegen "Ik zal meneer [slachtoffer 2] door zijn kop schieten en zijn ramen eruit knallen, ik heb een vuurwapen boven op zolder liggen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
Hetgeen in de zaak met parketnummer 15-063862-22 en in de zaak met parketnummer 15-129571-22 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaak met parketnummer 15-063862-22 en in de zaak met parketnummer 15-129571-22 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het in de zaak met parketnummer 15-063862-22 bewezenverklaarde levert op:
mishandeling, begaan tegen een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, meermalen gepleegd.
Het in de zaak met parketnummer 15-129571-22 bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 15-063862-22 en in de zaak met parketnummer 15-129571-22 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf en maatregel

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 weken, waarvan 4 weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en bijzondere voorwaarden. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de reclassering toezicht zal houden, om te bezien of er interventies mogelijk en raadzaam zijn. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende maatregel wordt opgelegd in de vorm van een locatie- en contactverbod voor de duur van twee jaren, en daarbij te bevelen dat twee weken hechtenis zal worden toegepast voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.
De raadsman heeft het hof verzocht om geen gedragsbeïnvloedende maatregel op te leggen. De politierechter heeft een contactverbod opgelegd voor de periode van 3 jaar. De periode is inmiddels verstreken en in die periode is er geen melding geweest van het overtreden van het contactverbod. Wanneer de gedragsbeïnvloedende maatregel wederom wordt opgelegd komt dit neer op een gedragsbeïnvloedende maatregel voor de duur van 5 jaar, en dat is buitenproportioneel. Daarnaast is het locatieverbod irrelevant omdat de verdacht geen idee heeft waar [slachtoffer 1] op dit moment verblijft. De verdachte heeft ook geen behoefte om daar naar toe te gaan.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn stiefdochter in de vorm van het gedurende een langere periode meerdere keren slaan en schoppen. Hierdoor heeft hij haar lichamelijke integriteit geschaad en haar pijn toegebracht. Het hof rekent de verdachte de inbreuk op de lichamelijke integriteit van zijn stiefkind zwaar aan, vooral ook omdat het feit heeft plaatsgevonden in de huiselijke kring, waar zij zich veilig hoort te voelen. Uit de vordering tot schadevergoeding en de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer 1] blijkt ook dat het handelen van de verdachte een grote impact op haar heeft gehad.
Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de bedreiging van zijn buurman, [slachtoffer 2] . Door deze bedreiging heeft de verdachte het slachtoffer angst aangejaagd. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer 2] blijkt ook dat de bedreiging veel emoties en angst heeft los gemaakt. Het hof rekent ook dit de verdachte aan.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 16 december 2025 is hij reeds meermalen ter zake mishandeling en bedreiging onherroepelijk veroordeeld. Hoewel deze veroordelingen niet van recente datum zijn, behoudens een veroordeling van dit hof van 30 maart 2023 ter zake waarvan artikel 63 Sr geldt, weegt het hof dit gegeven in strafverzwarende zin mee, nu daaruit volgt dat de verdachte hardleers is.
Het hof heeft verder acht geslagen op het reclasseringsadvies van 24 december 2025.
Gelet op de ernst van de feiten en het strafblad van de verdachte, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere straf dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof acht in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 12 weken waarvan 4 weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, passend, met daaraan verbonden na te noemen bijzondere voorwaarden.
Redelijke termijn
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in hoger beroep is overschreden. Op 7 december 2022 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Het hof wijst op 20 januari 2026 arrest. Daarmee is de redelijke termijn in hoger beroep met één jaar en 6 weken overschreden. Het hof zal de gevangenisstraf gelet op de geconstateerde overschrijding matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 weken, waarvan 6 weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Het hof verbindt aan de voorwaardelijke straf een locatie- en contactverbod met [slachtoffer 1] als bijzondere voorwaarde. Mede gelet hierop en anders dan de advocaat-generaal heeft gevorderd, ziet het hof geen aanleiding om de gedragsbeïnvloedende maatregel te verlengen.
Het hof heft op de dadelijke uitvoerbaarheid van de gedragsbeïnvloedende maatregel zoals opgelegd door de politierechter.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.500,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 15-063862-22 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 350,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 15-129571-22 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 15-063862-22 en in de zaak met parketnummer 15-129571-22 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 15-063862-22 en in de zaak met parketnummer 15-129571-22 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
12 (twaalf) weken.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
6 (zes) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als
bijzondere voorwaardendat:
- hij gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met: [slachtoffer 1] , geboren op 11 augustus 2004 te Purmerend. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod;
- hij gedurende de proeftijd zich niet zal bevinden of ophouden op het adres [adres 2] te
Purmerend. De politie ziet toe op handhaving van dit locatieverbod.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-063862-22 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd
[slachtoffer 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-063862-22 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 25 (vijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 19 juli 2021.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-129571-22 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-129571-22 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 3 (drie) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 16 mei 2021.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Senden, mr. M. Iedema en mr. A.C. Bijlsma, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Steur, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 januari 2026.
Mr. A.C. Bijlsma is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
[......]