ECLI:NL:GHAMS:2026:132

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
23-001954-23
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging vonnis en vrijspraak mishandeling; bewezenverklaring overtreden gedragsaanwijzing en vernieling

In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam. De verdachte was eerder veroordeeld voor een vernieling en had een gedragsaanwijzing opgelegd gekregen. Het hof heeft het vonnis van de politierechter vernietigd, omdat het tot een andere bewezenverklaring en deels andere kwalificatie kwam. De verdachte werd vrijgesproken van mishandeling, omdat er onvoldoende bewijs was voor de beschuldigingen. Echter, de overtreding van de gedragsaanwijzing en de vernieling werden wel bewezen verklaard. De verdachte had zich gedurende 90 dagen moeten onthouden van contact met het slachtoffer, maar had dit verbod overtreden. Het hof oordeelde dat de verdachte opzettelijk handelde in strijd met de gedragsaanwijzing en dat hij opzettelijk en wederrechtelijk goederen had vernield die aan een ander toebehoorden. De redelijke termijn was overschreden, maar het hof legde desondanks een gevangenisstraf van vier weken op, met aftrek van voorarrest. Het openbaar ministerie werd niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf, omdat de verdachte deze al had uitgezeten.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001954-23
datum uitspraak: 20 januari 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 4 juli 2023 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-014892-23 en 13-106008-23, alsmede 02-164489-20 (TUL) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,
thans uit anderen hoofde gedetineerd in FPK Transfore Veldzicht West1&2 te Balkbrug.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw van de verdachte naar voren heeft gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de politierechter vrijgesproken van feit 1 in de zaak met parketnummer 13-014892-23. Het hoger beroep van de verdachte is niet beperkt en is daarom ook gericht tegen deze beslissing tot vrijspraak. Gelet op artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering is hoger beroep tegen een vrijspraak niet mogelijk. Het hof zal de verdachte om die reden niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep tegen dit feit.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, tenlastegelegd dat:
Zaak met parketnummer 13-014892-23:2.
hij op of omstreeks 15 januari 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 1 januari 2023 gegeven door de officier van justitie te arrondissement Midden-Nederland, kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte,
- zich gedurende een periode van 90 dagen zal onthouden van iedere vorm van contact met [slachtoffer] en/of
- zich gedurende een periode van 90 dagen niet zal ophouden in een staal van 100 meter van de woning gelegen aan [adres] te Lelystad;
Zaak met parketnummer 13-106008-23:1.
hij op of omstreeks 22 april 2023 te Wervershoof, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer] (met kracht)
- éénmaal of meermalen in haar gezicht/gelaat en/of op/tegen haar lichaam, te slaan en/of te stompen en/of
- ( naar achteren) te duwen (waardoor voornoemde [slachtoffer] (met haar hoofd) op de grond is gevallen);
2.
hij op of omstreeks 22 april 2023 te Wervershoof, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een muur/wand (van hotel [Hotel] ) en/of een bloempot en/of (een schuifslot van) een deur (in hotel [Hotel] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan hotel [Hotel] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en deels andere kwalificatie komt dan de politierechter.

Vrijspraak parketnummer 13-106008-23, feit 1 (mishandeling [slachtoffer] )

Verdachte wordt verweten dat hij aangeefster [slachtoffer] op 22 april 2023 heeft geslagen en/of geduwd. Het hof acht deze mishandelingen niet bewezen en overweegt daartoe het volgende.
De verdachte ontkent zowel het slaan als het duwen. Aangeefster [slachtoffer] heeft verklaard dat zij niet meer precies weet wat er is gebeurd, dat ze denkt dat ze een black out heeft gehad en dat de verdachte haar een aantal keren met zijn vuist heeft geslagen. Onder meer op het linker oog. Toereikend steunbewijs voor het slaan ontbreekt. De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben niet gezien dat de verdachte heeft geslagen. Zij verklaren bij de politie wel dat de verdachte aangeefster buiten een duw heeft gegeven ten gevolge waarvan zij ten val is gekomen, maar nu de getuige [getuige 1] bij de raadsheer-commissaris uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij aangeefster buiten alleen op de grond heeft zien liggen, hij haar niet heeft zien vallen en hij niet heeft gezien dat de verdachte aangeefster heeft geduwd, is ook voor het duwen te weinig bewijs. Het hof betrekt daarbij dat verbalisant [naam] , die aangeefster op de parkeerplaats aantrof, een sterke geur van alcohol om aangeefster heen bemerkte en aangeefster zelf in een e-mailbericht van 1 mei 2023 heeft bericht dat zij niet meer zo goed weet wat er die avond is gebeurd en dat zij buiten onwel is geworden door de spanning en emoties.
Derhalve acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte in de zaak met parketnummer 13-106008-23 onder 1 is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

Bewijsoverwegingen

Zaak met parketnummer 13-014892-23 (overtreding gedragsaanwijzing):
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit kan worden bewezen.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken. Er kan geen sprake zijn van een wederrechtelijke overtreding van het contactverbod indien het contact wederkerig is en [slachtoffer] juist de verdachte opzoekt.
Oordeel van het hof
Aan de verdachte is op 1 januari 2023 een gedragsaanwijzing uitgereikt waarin staat dat hij gedurende 90 dagen geen contact mag hebben met [slachtoffer] . Op 15 januari 2023 waren [slachtoffer] en de verdachte in de woning van de verdachte in Amsterdam. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat [slachtoffer] die dag naar hem toe is gekomen, dat hij haar binnen heeft gelaten, omdat hij van haar hield en dat hij wist dat hij een contactverbod had. De verdachte heeft door zo te handelen opzettelijk een gedragsaanwijzing overtreden. Dat [slachtoffer] de verdachte heeft bezocht maakt niet dat de verdachte zich daardoor niet aan het contactverbod moet houden. Het hof acht het feit derhalve bewezen.
Zaak met parketnummer 13-106008-23:
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit kan worden bewezen.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken, nu hij geen opzet heeft gehad op de vernieling. Uit het dossier blijkt dat de schade is ontstaan tijdens een worsteling. De verdachte wilde weg gaan, maar werd tegengehouden door [getuige 2] en [getuige 1] . Het opzet van de verdachte was gericht op het zichzelf bevrijden, niet op de vernieling.
Oordeel van het hof
Uit de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] bij de raadsheer-commissaris volgt dat de verdachte op enig moment in de ontbijtzaal was en dat de deuren op slot zaten met een schuif. De verdachte heeft vervolgens de deur geforceerd en de balie van de receptie omver gegooid, waardoor de spullen op de balie op de grond vielen en een bloempot kapot is gegaan. Het hof is van oordeel dat in de uiterlijke verschijningsvorm van deze gedragingen van de verdachte, die koste wat kost weg wilde, het opzet op de vernielingen besloten ligt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 13-014892-23 onder 2 en in de zaak met parketnummer 13-106008-23 onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Zaak met parketnummer 13-014892-23:
2.
hij op 15 januari 2023 te Amsterdam opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 1 januari 2023 gegeven door de officier van justitie te arrondissement Midden-Nederland, kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte,
- zich gedurende een periode van 90 dagen zal onthouden van iedere vorm van contact met [slachtoffer] .
Zaak met parketnummer 13-106008-23:2.
hij op 22 april 2023 te Wervershoof opzettelijk en wederrechtelijk een bloempot en een schuifslot vaneen deur in hotel [Hotel] die aan hotel [Hotel] toebehoorden, heeft vernield.
Hetgeen in de zaak met parketnummer 13-014892-23 onder 2 en in de zaak met parketnummer 13-106008-23 onder 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verdachte wat betreft feit 2 in de zaak met parketnummer 13-014892-23 (overtreding gedragsaanwijzing) van alle rechtsvervolging dient te worden ontslagen, omdat uit een reclasseringsrapport van 30 december 2022 in een andere strafzaak volgt dat het contact tussen de verdachte en aangeefster al langer werd gedoogd. Het hof volgt de verdediging hierin niet. Het enkele feit dat eerder in een andere zaak een schorsingsvoorwaarde, inhoudende dat de verdachte niet in de woning van [slachtoffer] mocht verblijven, door de verdachte is overtreden en deze overtreding niet tot opheffing van de schorsing heeft geleid, brengt niet met zich dat het in onderhavige zaak
nadiennieuw opgelegde contactverbod met [slachtoffer] van de baan is. De verdachte heeft dat ook niet hieruit kunnen en mogen afleiden. Het verweer wordt verworpen.
Geen omstandigheid is derhalve aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaak met parketnummer 13-014892-23 onder 2 en in de zaak met parketnummer 13-106008-23 onder 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het in de zaak met parketnummer 13-014892-23 onder 2 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onder 1, van het Wetboek van Strafvordering.
Het in de zaak met parketnummer 13-106008-23 onder 2 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 13-014892-23 onder 2 en in de zaak met parketnummer 13-106008-23 onder 2 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 100 dagen, waarvan 23 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en bijzondere voorwaarden, en met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 77 dagen met aftrek.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft een aan hem, door het daartoe bevoegde gezag opgelegde, gedragsaanwijzing bewust genegeerd. De hof neemt de verdachte dat kwalijk. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling van goederen en hierdoor blijk gegeven van een gebrek aan respect voor de eigendommen van anderen. Het hof rekent ook dit de verdachte aan.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 december 2025 is hij eerder wegens een vernieling onherroepelijk veroordeeld en liep hij ten tijde van het plegen van de feiten in een proeftijd.
Het hof dient rekening te houden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.
Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken passend en geboden.
Redelijke termijn
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, is overschreden. Op 19 juli 2023 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Het hof wijst op
20 januari 2026 arrest. Daarmee is de redelijke termijn in hoger beroep met 6 maanden overschreden. Het hof volstaat met een constatering dat een inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, van het EVRM, gelet op de beperkte omvang van de opgelegde gevangenisstraf.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 63, 184a en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Vordering tenuitvoerlegging

Het hof zal de vordering tot tenuitvoerlegging van het ten aanzien van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West Brabant van 23 september 2020, parketnummer 02-164489-20, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van drie weken afwijzen, nu de verdachte blijkens zijn strafblad deze straf al heeft uitgezeten.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-014892-23 onder 1 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 13-106008-23 onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 13-014892-23 onder 2 en in de zaak met parketnummer 13-106008-23 onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 13-014892-23 onder 2 en in de zaak met parketnummer 13-106008-23 onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) weken.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tenuitvoerlegging, met parketnummer 02-164489-20.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.E. Kwak, mr. M. Iedema en mr. M. Senden, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Steur, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 januari 2026.
[......]
.