ECLI:NL:GHAMS:2026:1341
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verdachte niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens intrekking grieven
In deze strafzaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 23 april 2026 uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 24 juli 2025.
Tijdens de rolzitting op 11 maart 2026 gaf de raadsman aan dat het hoger beroep zich richtte op de bewezenverklaring, strafmaat en beslissing op de vordering van de benadeelde partij. Echter, op 20 april 2026 heeft de raadsman per e-mail aan het hof laten weten dat de verdachte het hoger beroep wenst in te trekken, waarmee de eerder opgegeven grieven niet langer worden gehandhaafd.
Het hof heeft geoordeeld dat, gezien het ontbreken van enig rechtens te respecteren belang bij verder onderzoek, de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. De gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij door de rechtbank en de hernieuwde vordering in hoger beroep door de benadeelde partij veranderen hier niets aan, mede omdat de benadeelde partij zich nog tot de civiele rechter kan wenden.
Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam en uitgesproken op 23 april 2026.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens intrekking van de grieven en ontbreken van een rechtens te respecteren belang.