Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1359

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
200.352.491/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:204 lid 3 BWArt. 7 lid 1 Verordening Brussel II-terArt. 5 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingHaags Kinderbeschermingsverdrag 1996
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging onbevoegdheid Nederlandse rechter inzake terugverhuizing minderjarige uit Taiwan

De vader verzocht de rechtbank Amsterdam om de moeder te verplichten met de minderjarige terug te verhuizen van Taiwan naar Nederland. De rechtbank verklaarde zich onbevoegd, waarop de vader in hoger beroep ging. Het hof onderzocht of het verzoek van terugverhuizing een aanvulling was op het oorspronkelijke verzoek tot wijziging van hoofdverblijfplaats of een nieuw zelfstandig verzoek.

Het hof oordeelde dat het terugverhuisverzoek een nieuw zelfstandig verzoek betreft, omdat het direct de woon- en vestigingsvrijheid van de moeder raakt. De gewone verblijfplaats van de minderjarige was op het moment van het verzoek in Taiwan, een niet-EU-lidstaat, waardoor de Nederlandse rechter geen rechtsmacht ontleent aan Brussel II-ter of het Haags Kinderbeschermingsverdrag.

De vader voerde aan dat er voldoende aanknopingspunten met Nederland zijn, zoals benoeming van een bijzondere curator en mediation, maar het hof vond deze onvoldoende om het uitzonderlijke geval van rechtsmacht aan te nemen. Het ontbreken van voldoende zicht op de feitelijke situatie in Taiwan was doorslaggevend. Het hof bekrachtigde daarom de beschikking van de rechtbank en kwam niet toe aan inhoudelijke beoordeling van het verzoek.

Uitkomst: De Nederlandse rechter heeft geen rechtsmacht om het verzoek tot terugverhuizing van moeder en minderjarige uit Taiwan naar Nederland te beoordelen; de beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.352.491/01
zaaknummer rechtbank: C/13/726637 / FA RK 22-7770 (JK/SV)
beschikking van de meervoudige kamer van 19 mei 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. W.N. Sardjoe te Den Haag,
en
[de moeder] ,
wonende te Taiwan,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. T.Y. Tsang te Den Haag.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ).
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats A] ,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak betreft een verzoek van de vader tot terugverhuizing van de moeder en [minderjarige] van Taiwan naar Nederland. De rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) heeft zich bij beschikking van 19 december 2024 (hierna: de bestreden beschikking), voor zover hier van belang, onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het verzoek van de vader tot terugverhuizing.
De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en verzoekt het hof alsnog inhoudelijk te oordelen over zijn verzoek tot terugverhuizing. De moeder heeft zich daartegenover op het standpunt gesteld dat de rechtbank zich terecht onbevoegd heeft verklaard en verzoekt bekrachtiging van de bestreden beschikking.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 19 maart 2025 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 19 december 2024.
2.2
De moeder heeft op 16 juni 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de vader van 16 januari 2026, met bijlagen;
- een bericht van de vader van 26 januari 2026, met bijlage.
2.4
De zitting heeft op 28 januari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder via een telefoonverbinding, bijgestaan door haar advocaat en Y. He, tolk Mandarijn;
- de raad, vertegenwoordigd door V.D. Aelbers.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige] , die geboren is [in] 2019 te [plaats B] , Taiwan.
3.2
De moeder is van rechtswege belast met de uitoefening van het gezag over [minderjarige] . [minderjarige] is bij de moeder in Taiwan.
3.3
De rechtbank heeft bij beschikking van 13 december 2023 de vader vervangende toestemming verleend, als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW), om [minderjarige] te erkennen, welke erkenning vervolgens heeft plaatsgevonden.
3.4
De vader heeft de Nederlandse nationaliteit, de moeder en [minderjarige] hebben de Nederlandse en de Taiwanese/Chinese nationaliteit.
3.5
Bij de in zoverre niet bestreden beschikking van 19 december 2024 en bij beschikkingen van 1 oktober 2025 en 21 januari 2026 heeft de rechtbank de beslissing over het gezag over [minderjarige] , zijn hoofdverblijfplaats, de omgang c.q. zorgregeling, het paspoort van [minderjarige] en de kinderbijdrage aangehouden in afwachting van de uitkomst van dit hoger beroep.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft zich in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het verzoek van de vader tot terugverhuizing van de moeder en [minderjarige] .
4.2
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre:
- de moeder te veroordelen om met [minderjarige] binnen drie maanden, uiterlijk zes maanden na de beschikking, althans uiterlijk met ingang van 1 juli 2024, terug te verhuizen naar Nederland, binnen een straal van 40 kilometer van de woning van de vader, gelegen aan de [A-straat] te [plaats A] , zulks op verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere dag dat de moeder in gebreke blijft om aan de af te geven beschikking te voldoen, een en ander zonder maximum vast te stellen, uitvoerbaar bij voorraad, met bepaling dat, zolang de moeder niet is terugverhuisd, zij het halen en brengen in het kader van de (nog vast te stellen) zorgregeling volledig voor haar rekening zal nemen, een en ander eveneens op verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere keer dat de moeder in gebreke blijft de zorgregeling na te leven, een en ander zonder maximum vast te stellen, uitvoerbaar bij voorraad;
- te bepalen dat het de ouders niet is toegestaan buiten een straal van 40 kilometer van [plaats A] te verhuizen zulks op verbeurte van een dwangsom van € 20.000,- tenzij ruim van te voren uitdrukkelijk schriftelijke toestemming wordt gegeven door de andere ouder.
4.3
De moeder verzoekt – naar het hof begrijpt – de grieven van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

De standpunten
5.1
De vader is van mening dat de rechtbank ten onrechte geen rechtsmacht heeft aangenomen en zich onbevoegd heeft verklaard met betrekking tot de door hem verzochte verplichting voor de moeder om met [minderjarige] terug te verhuizen naar Nederland. Hij stelt daartoe het volgende. Artikel 7 lid 1 Verordening Pro Brussel II-ter bepaalt dat ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd zijn de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. De procedure is aangevangen op 12 december 2022 met indiening van het inleidende verzoekschrift, waarin onder meer wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] naar de vader is verzocht. Vaststaat dat [minderjarige] op dat moment zijn gewone verblijfplaats in Nederland had, zodat de Nederlandse rechter bevoegd is. Latere aanvullingen op het verzoek, zoals door de vader gedaan op 3 november 2023, kwalificeren als een vermeerdering van verzoek en laten het oorspronkelijke peilmoment voor de vaststelling van de bevoegdheid onverlet. Het vertrek van de moeder naar Taiwan op 7 december 2022 doet daarom geen afbreuk aan de bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam, ook aangezien vaststaat dat de vader van dat vertrek niet op de hoogte was.
Ook de in dezelfde periode uitgebrachte kortgedingdagvaarding kan als gelijkwaardig processtuk worden betrokken, nu de moeder in zowel het kort geding als de bodemprocedure haar standpunten volledig naar voren heeft kunnen brengen. De procesinleiding vormt het relevante ijkpunt.
De rechtbank had zich ook op grond van artikel 5 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bevoegd kunnen achten, nu sprake is van voldoende aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde.
5.2
Volgens de moeder is voor de toepassing van artikel 7 van Pro Verordening Brussel II-ter het moment van aanhangig maken van het verzoek bepalend. De verordening is uitsluitend van toepassing indien het kind zijn gewone verblijfplaats heeft in een EU-lidstaat. Vaststaat dat [minderjarige] sinds 7 december 2022 in Taiwan verblijft, zodat Brussel II-ter niet van toepassing is op het op 3 november 2023 gedane verzoek tot terugverhuizing. Het terugverhuisverzoek is bovendien pas bijna elf maanden na het inleidende verzoek in de procedure ingediend en kan niet worden aangemerkt als een zuivere vermeerdering van verzoek. Een verzoek tot terugverhuizing verschilt feitelijk en juridisch van een verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats en vormt daarom een zelfstandig verzoek. Voor de bevoegdheidsvraag is dan ook bepalend waar [minderjarige] op 3 november 2023 zijn gewone verblijfplaats had. Nu hij sinds 7 december 2022 feitelijk in Taiwan verblijft, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat haar geen rechtsmacht toekomt. Het beroep van de vader op de in december 2022 ingestelde kortgedingprocedure leidt niet tot een ander oordeel. Een kort geding betreft een voorlopige voorziening en geldt niet als procesinleiding in de zin van artikel 7 Brussel Pro II-ter. De oorspronkelijke procesinleiding zag bovendien op een verhuisverbod en niet op een terugverhuisverzoek.
Voor de toepassing van artikel 5 Rv Pro moet sprake zijn van objectieve aanknopingspunten die wijzen op een actuele en intensieve betrokkenheid van het kind bij Nederland. [minderjarige] verblijft echter sinds 7 december 2022 onafgebroken in Taiwan, gaat daar naar school, heeft daar zijn sociale omgeving en dagelijks leven. Zijn feitelijke leven speelt zich niet (meer) in Nederland af. Onder deze omstandigheden kan niet worden volgehouden dat het belang van [minderjarige] zodanig nauw verweven is met Nederland dat het gerechtvaardigd is dat de Nederlandse rechter zich bevoegd verklaart.
Het advies van de raad
5.3
De raad heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de in deze zaak voorliggende bevoegdheidskwestie. Ter zitting in hoger beroep heeft de raad voorts verklaard dat onderzocht dient te worden of een mogelijke terugverhuizing in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is en, zo ja, welke voorwaarden daarvoor gelden.
De beoordeling door het hof
5.4
Het hof overweegt als volgt.
De vader heeft zijn inleidende verzoekschrift op 12 december 2022 bij de rechtbank ingediend. In dat verzoekschrift heeft de vader – voor zover hier van belang – verzocht om wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] naar hem dan wel, subsidiair, een omgangsregeling met [minderjarige] zoals nader in dat verzoekschrift gespecificeerd.
Op 3 november 2023 heeft de vader, in de reeds lopende procedure, voor het eerst verzocht te bepalen dat [minderjarige] en de moeder dienen terug te verhuizen naar Nederland. Voor de vraag of ten aanzien van dit verzoek de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt, is van belang welke datum als datum van aanhangig maken van dit verzoek heeft te gelden, 12 december 2022 of 3 november 2023. Daarvoor is doorslaggevend het antwoord op de vraag welk van beide verzoeken heeft te gelden als een stuk waarvan de regelmatige en tijdige betekening of mededeling de moeder in staat heeft gesteld haar rechten te doen gelden voordat de rechter op het verzoek een uitvoerbare beslissing geeft. Dit betekent dat het hof dient te beoordelen of het verzoek van 3 november 2023 een aanvulling of wijziging vormt van een door hem eerder in eerste aanleg gedaan verzoek met een soortgelijke strekking. In dat geval geldt als datum van aanhangig maken 12 december 2022. In het andere geval zal het verzoek moeten worden aangemerkt als een nieuw, zelfstandig verzoek, met als datum van aanhangig maken 3 november 2023 (vgl. HR 8 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1594, rov. 3.4.1 t/m 3.5).
5.5
Het verzoek van 12 december 2022 strekte tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] dan wel vaststelling van een omgangsregeling tussen de vader en hem. Uit de formulering en strekking van dat verzoek blijkt niet dat de vader daarmee een verplichting voor de moeder zelf tot (niet) wijziging van haar eigen woonplaats aan de orde stelde. Het verzoek van 3 november 2023 had naar zijn aard en rechtsgevolg daarom een wezenlijk andere strekking. Een bevel tot terugverhuizing van de moeder met [minderjarige] ziet niet slechts op de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] en daarmee verband houdende op [minderjarige] betrekking hebbende kwesties, maar impliceert (tevens) een maatregel die rechtstreeks raakt aan de woon- en vestigingsvrijheid van de moeder zelf. Het verzoek behelst immers ook de oplegging van een verplichting tot terugverhuizing aan haar. Daarmee betreft het verzoek een andere rechtsvraag en heeft het een andere feitelijke grondslag dan het verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats dan wel vaststelling van omgang. Nu een dergelijk verzoek niet eerder in de procedure aan de orde is gesteld, hoefde de moeder zich in het kader van het oorspronkelijke verzoek niet te verweren tegen een verzoek om een gebod dat (mede) op haar eigen woonplaats betrekking heeft.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het verzoek van 3 november 2023 niet kan worden aangemerkt als een aanvulling of wijziging van het op 12 december 2022 ingediende verzoek, maar dat het een nieuw, zelfstandig verzoek betreft.
De door de vader aangevoerde omstandigheid dat hij in een tussen partijen gevoerd kort geding aanvankelijk had gevorderd de moeder te verbieden om, in afwachting van de bodemprocedure, met [minderjarige] te verhuizen buiten Nederland, en dat alle stukken van dat kort geding zich in het procesdossier bevinden, leidt niet tot een ander oordeel. Niet alleen betrof het een kortgedingprocedure en hoefde de moeder daaruit niet af te leiden dat ook de bodemprocedure van meet af aan betrekking zou hebben op haar eigen woonsituatie, maar ook heeft de vader dit deel van zijn vordering in kort geding ter zitting van 9 december 2022 – één dag na het uitbrengen van de kortgeding-dagvaarding – reeds ingetrokken.
Ook de door de vader aangevoerde omstandigheid dat het verzoek van 3 november 2023 nog in eerste aanleg is ingediend (in tegenstelling tot de zaak die leidde tot de beschikking van de Hoge Raad van 8 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1594, waar het nadere verzoek pas voor het eerst in hoger beroep was gedaan), leidt niet tot een ander oordeel. Beslissend is immers het moment waarop de moeder in staat was haar rechten ten aanzien van het verzoek te doen gelden.
5.6
Het voorgaande betekent dat het hof ten aanzien van het verzoek tot terugverhuizing van de moeder met [minderjarige] moet beoordelen of de Nederlandse rechter op 3 november 2023 rechtsmacht had. Daarover overweegt het hof als volgt. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is van belang waar de gewone verblijfplaats van [minderjarige] op 3 november 2023 was gelegen. De gewone verblijfplaats van een minderjarige is een feitelijk begrip en komt overeen met de plaats die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Niet in geschil is dat de moeder en [minderjarige] sinds december 2022 feitelijk niet meer in Nederland verblijven, maar in Taiwan en sinds december 2022 ook niet meer in Nederland staan ingeschreven. De rechtbank heeft geoordeeld dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] op 3 november 2023 in Taiwan was. Tegen die overweging heeft de vader geen grief ingediend. Ook het hof komt aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval, waaronder in het bijzonder de duur van en de redenen voor het verblijf van de moeder en [minderjarige] in Taiwan, tot de conclusie dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] op 3 november 2023 in Taiwan was gelegen. Dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Taiwan ligt en daarmee niet in een lidstaat van de Europese Unie brengt mee dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht kan ontlenen aan de Verordening Brussel II-ter en evenmin aan het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996. Feiten of omstandigheden waarom dit anders zou zijn, zijn gesteld noch gebleken.
5.7
Dit brengt mee dat de rechtsmacht van de Nederlandse rechter ten aanzien van het voornoemde verzoek van de vader beoordeeld dient te worden aan de hand van het bepaalde in Afdeling 1.1.1 Rv. Volgens art. 5 Rv Pro heeft de Nederlandse rechter in een zaak betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid (zoals deze) geen rechtsmacht indien het kind zijn gewone verblijfplaats niet in Nederland heeft, tenzij hij zich in een uitzonderlijk geval, wegens de verbondenheid van de zaak met de rechtssfeer van Nederland, in staat acht het belang van het kind naar behoren te beoordelen.
5.8
De gewone verblijfplaats van [minderjarige] is in Taiwan, zodat het aankomt op de vraag of het genoemde uitzonderlijke geval zich voordoet. De vader heeft in dit verband aangevoerd dat sprake is van voldoende aanknopingspunten met de Nederlandse rechtssfeer om rechtsmacht van de Nederlandse rechter aan te nemen. In dat verband heeft hij gesteld dat partijen meermalen ter zitting zijn verschenen met Nederlandse advocaten, dat een Nederlandse bijzondere curator is benoemd, dat mediation in Nederland heeft plaatsgevonden en dat op basis van de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 13 december 2023 uitvoering is gegeven aan een internationale zorgregeling. Volgens de vader rechtvaardigen deze omstandigheden dat de Nederlandse rechter ook rechtsmacht toekomt ten aanzien van het verzochte gebod tot terugverhuizing.
Het hof volgt de vader hierin niet. Voor het aannemen van rechtsmacht op grond van het in artikel 5 Rv Pro bedoelde uitzonderlijke geval, is vereist dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een afwijking van de hoofdregel rechtvaardigen. Naar het oordeel van het hof doen die zich niet voor. Hoewel uit de door de vader aangevoerde feiten en omstandigheden onmiskenbaar volgt dat aanknopingspunten met de Nederlandse rechtssfeer bestaan, zijn deze omstandigheden onvoldoende om te concluderen dat het hof thans een voldoende actueel en volledig beeld heeft of kan krijgen van de feitelijke leefsituatie van [minderjarige] en de moeder in Taiwan. Het ontbreken van voldoende zicht op hun huidige feitelijke situatie in Taiwan is doorslaggevend en maakt dat de zaak op 13 november 2023 niet langer voldoende met de Nederlandse rechtssfeer verbonden was om het belang van [minderjarige] bij terugverhuizing met zijn moeder naar behoren te beoordelen.
De conclusie is dat de Nederlandse rechter met betrekking tot de verzochte verplichting om terug te verhuizen geen rechtsmacht toekomt.
Het hof zal daarom de bestreden beschikking bekrachtigen. Aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek komt het hof niet toe.
5.9
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. A.V.T. de Bie en mr. M.C. Braak, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 19 mei 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.