ECLI:NL:GHAMS:2026:1359
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bevestiging onbevoegdheid Nederlandse rechter inzake terugverhuizing minderjarige uit Taiwan
De vader verzocht de rechtbank Amsterdam om de moeder te verplichten met de minderjarige terug te verhuizen van Taiwan naar Nederland. De rechtbank verklaarde zich onbevoegd, waarop de vader in hoger beroep ging. Het hof onderzocht of het verzoek van terugverhuizing een aanvulling was op het oorspronkelijke verzoek tot wijziging van hoofdverblijfplaats of een nieuw zelfstandig verzoek.
Het hof oordeelde dat het terugverhuisverzoek een nieuw zelfstandig verzoek betreft, omdat het direct de woon- en vestigingsvrijheid van de moeder raakt. De gewone verblijfplaats van de minderjarige was op het moment van het verzoek in Taiwan, een niet-EU-lidstaat, waardoor de Nederlandse rechter geen rechtsmacht ontleent aan Brussel II-ter of het Haags Kinderbeschermingsverdrag.
De vader voerde aan dat er voldoende aanknopingspunten met Nederland zijn, zoals benoeming van een bijzondere curator en mediation, maar het hof vond deze onvoldoende om het uitzonderlijke geval van rechtsmacht aan te nemen. Het ontbreken van voldoende zicht op de feitelijke situatie in Taiwan was doorslaggevend. Het hof bekrachtigde daarom de beschikking van de rechtbank en kwam niet toe aan inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
Uitkomst: De Nederlandse rechter heeft geen rechtsmacht om het verzoek tot terugverhuizing van moeder en minderjarige uit Taiwan naar Nederland te beoordelen; de beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd.