Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1463

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
200.358.398/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:131 BWArt. 3:310 lid 1 BWArt. 6:10 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over verrekening en beslag op WIA-uitkering na echtscheiding

De vrouw legde beslag op de WIA-uitkering van de man wegens een proceskostenveroordeling uit een eerder arrest. De man vorderde opheffing van het beslag met het argument dat zijn regresvordering op de vrouw wegens aflossing van een huwelijkse schuld door verrekening de vordering van de vrouw had tenietgedaan.

De voorzieningenrechter gaf de man gelijk, maar het hof oordeelt anders. Uit de stukken blijkt dat de man de schuld aan een derde volledig heeft afbetaald en daardoor een regresvordering op de vrouw had. Deze regresvordering was echter op het moment van het ontstaan van de proceskostenvordering verjaard.

Het hof stelt dat op grond van artikel 6:131 BW Pro verrekening alleen mogelijk is als de bevoegdheid tot verrekening bestond vóór het intreden van verjaring. Omdat de proceskostenvordering pas na de verjaring ontstond, kan de man niet succesvol verrekenen.

Het hof vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter, wijst de gevraagde voorziening af en bevestigt dat het beslag op de WIA-uitkering terecht is gelegd. De proceskosten worden gecompenseerd tussen partijen, die ieder hun eigen kosten dragen.

Uitkomst: Het hof wijst het beroep op verrekening af en bevestigt het beslag op de WIA-uitkering van de man.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.358.398/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam: C/13/772318 / KG ZA 25-556 (NB/JD)
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 26 mei 2026
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonend in [plaats A] ,
appellante,
advocaat: mr. R.A. van den Heuvel te Rijswijk, ZH,
tegen
[de man] ,
wonend in [plaats A] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. S.A.S. Matheij te Haarlem.
Partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1.
De vrouw heeft beslag gelegd op de WIA-uitkering van de man. De man vordert opheffing van het beslag omdat de vordering van de vrouw volgens hem teniet is gegaan door verrekening. De voorzieningenrechter heeft de man in het gelijk gesteld, het beslag opgeheven en de vrouw veroordeeld in de proceskosten. Het hof wijst het beroep van de man op verrekening af en compenseert de proceskosten in beide instanties.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
De vrouw is bij dagvaarding van 11 augustus 2025 in hoger beroep gekomen van een op 15 juli 2025 mondeling gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam, vastgelegd in een proces-verbaal van mondelinge uitspraak en onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis). De dagvaarding bevat de grieven en producties.
2.2.
De man heeft een memorie van antwoord met producties in gediend.
2.3.
Op 15 april 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen zijn verschenen met hun advocaten. Deze hebben de zaak toegelicht, waarbij de advocaat van de man spreekaantekeningen heeft voorgelezen en overgelegd. De vrouw heeft nog een brief met twee producties in het geding gebracht.
2.4.
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

3.1.
De vrouw en de man zijn gewezen echtgenoten. Zij zijn in 2017 gescheiden en zijn sindsdien in diverse procedures verwikkeld geraakt omdat zij het niet eens kunnen worden over de uitvoering van de beschikking van dit hof van 27 november 2018, waarin de (wijze van) verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap is bepaald. In die beschikking heeft het hof (onder andere) bepaald dat de vrouw jegens de man is gehouden de helft van de schuld aan de heer [naam] (hierna: [naam] ) van € 12.500,- te dragen.
3.2.
De man heeft op 14 januari 2020, 15 januari 2020 en 17 januari 2020 bedragen van respectievelijk € 5.000,-, € 2.500,- en € 5.000,- overgemaakt aan [naam] . Bij de eerste twee betalingen is als omschrijving vermeld “
Terugbetaling lening 12.500 gedeelte”, bij de laatste “
Rest afbetaling! Lening 12.500 afgelost!”.
3.3.
De vrouw heeft op 4 juli 2025 beslag gelegd op de WIA-uitkering van de man uit hoofde van een op 21 januari 2025 gewezen arrest van dit hof, waarin de man in de proceskosten was veroordeeld. Het gaat daarbij om een bedrag van € 4.221,49.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1.
De man heeft bij de voorzieningenrechter opheffing van het beslag gevorderd. Volgens hem heeft hij door de betalingen aan [naam] voldaan aan een huwelijkse schuld, waarvoor partijen op grond van een beschikking van dit hof van 27 november 2018 ieder voor de helft draagplichtig waren. Dit leidde tot een regresvordering van de man op de vrouw van € 6.250,-. Om die reden heeft hij op 10 juli 2025 tegenover de door de vrouw ingeschakelde deurwaarder een beroep gedaan op verrekening van de door de vrouw gevorderde proceskosten met zijn regresvordering op de vrouw. Door de verrekening is volgens de man de vordering van de vrouw tenietgegaan en bood de beschikking van 21 januari 2025 geen grond meer voor het gelegde beslag.
4.2.
De voorzieningenrechter heeft de man is het gelijk gesteld. In het bestreden vonnis is het beslag opgeheven en is de vrouw veroordeeld in de proceskosten.

5.Vordering in hoger beroep

5.1.
De vrouw vordert vernietiging van het bestreden vonnis voor zover de vorderingen van de man zijn toegewezen, met veroordeling van de man in de kosten van het hoger beroep.
5.2.
Volgens de man moet het hof de vrouw niet ontvankelijk verklaren, althans de vorderingen van de vrouw afwijzen en het bestreden vonnis bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van de vrouw in de werkelijke proceskosten, waaronder de kosten van zijn advocaat.

6.Beoordeling

Verrekening
6.1.
De vrouw komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat de man een geslaagd beroep op verrekening heeft gedaan. Het hof oordeelt hierover als volgt.
Bij beschikking van 27 november 2018 heeft dit hof, voor zover hier van belang, bepaald dat de vrouw jegens de man gehouden is de helft van de schuld aan [naam] van € 12.500,- te dragen. De man stelt zich op het standpunt dat hij de gehele schuld heeft afbetaald en daarom voor de helft van dit bedrag, zijnde € 6.250,- een regresvordering heeft op de vrouw. Zoals hiervoor onder 3.2 uiteengezet, heeft de man ter onderbouwing van zijn betalingen aan [naam] de afschriften van zijn overboekingen overgelegd; bij de laatste overboeking van 17 januari 2020 is vermeld “
Rest afbetaling! Lening 12.500 afgelost!”.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat nergens uit blijkt dat de man met de drie betalingen in januari 2020 - zonder overleg en zonder dit aan de vrouw kenbaar te maken - aan [naam] , de huwelijkse schuld heeft afgelost.
Het hof is vooralsnog van oordeel dat uit de door de man overgelegde stukken valt af te leiden dat de man in januari 2020 de schuld aan [naam] van in totaal € 12.500,- heeft afbetaald. Met de enkele opmerking dat niet duidelijk is waaraan is betaald, heeft de vrouw onvoldoende gemotiveerd betwist dat het zou gaan om de afbetaling van meergenoemde schuld. Dat [naam] een goede vriend van de man is en dat reeds in 2020 is betaald, waarvan de vrouw pas door het beroep op verrekening op de hoogte is geraakt, maakt dit niet anders.
6.2.
Ingevolge artikel 6:10 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) had de man na de tweede en derde betaling, voor het gedeelte dat hij meer had afbetaald op de schuld dan hem in zijn onderlinge verhouding met de vrouw aanging, een regresvordering op de vrouw, derhalve voor in totaal een bedrag van € 6.250,-.
6.3.
Ingevolge artikel 3:310 lid 1 BW Pro verjaarde voornoemde regresvordering door verloop van vijf jaren. Niet in geschil is dat de laatste betaling van de man op 17 januari 2020 is verricht. Dit betekent dat de regresvordering uiterlijk op 17 januari 2025 zou was verjaard, tenzij deze was gestuit. De man heeft weliswaar gesteld dat hij meerdere keren aanspraak heeft gemaakt op betaling door de vrouw, doch hij heeft deze stelling op geen enkele wijze onderbouwd. Het hof gaat dan ook vooralsnog ervan uit dat de vordering van de man op de vrouw inderdaad (volledig) op 17 januari 2025 was verjaard.
6.4.
De man doet in het kader van zijn stelling dat deze vordering (desalniettemin) kan worden verrekend met de vordering van de vrouw op hem een beroep op artikel 6:131 BW Pro waaruit volgens hem volgt dat ook mag worden verrekend met een vordering die is verjaard. Het hof ziet dit anders. Voor een geslaagd beroep op dit artikel is immers vereist dat de bevoegdheid tot verrekening al bestond voordat de verjaring intreedt; het is niet mogelijk om een vordering te verrekenen met een schuld die ná het intreden van verjaring is ontstaan. In de onderhavige situatie is de regresvordering in ieder geval op 17 januari 2020 verjaard, terwijl de vordering tot betaling van de proceskosten daarna is ontstaan, namelijk pas op 21 januari 2025, zijnde de datum van de beschikking waarbij dit hof de man in de proceskosten heeft veroordeeld. Dit alles betekent dat de man zijn verjaarde regresvordering niet kan verrekenen met de proceskostenveroordeling op hem van de vrouw.
6.5.
Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen en alsnog de gevorderde voorziening afwijzen. Dit heeft tot gevolg dat het executoriale beslag dat de vrouw op 4 juli 2025 op de WIA-uitkering van de man heeft gelegd niet ten onrechte is gelegd. De vrouw heeft echter ter zitting desgevraagd verklaard dat het beslag niet alsnog hoeft te herleven.
Proceskosten
6.6.
Beide partijen verzoeken de ander in de proceskosten in beide instanties te veroordelen. Omdat partijen voormalig echtgenoten zijn, ziet het hof aanleiding om deze proceskosten te compenseren.

7.Beslissing

Het hof:
7.1.
vernietigt het vonnis waarvan beroep;
en opnieuw rechtdoende:
7.2.
weigert de gevraagde voorziening;
7.3.
bepaalt dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep;
7.4.
wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mr. M. Overmars, mr. A.R. Sturhoofd en mr. R.M. Troost en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.