ECLI:NL:GHAMS:2026:147

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
200.355.999/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:611 BWArt. 7:658 BWArt. 7:682 lid 1 onder c BWArt. 6:106 lid 1 BWArt. 7:686a lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing billijke vergoeding na opzegging arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid

De arbeidsovereenkomst van werkneemster is opgezegd door haar werkgever na twee jaar arbeidsongeschiktheid. De werkneemster vorderde een billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, alsmede schadevergoedingen op grond van artikel 7:611 en Pro 7:658 BW. Het hof bevestigt het oordeel van de kantonrechter dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever dat de opzegging tot gevolg heeft gehad.

Het integriteitsonderzoek dat in 2018 intern is uitgevoerd naar aanleiding van anonieme meldingen over de werksituatie bij de werkgever, is niet onzorgvuldig of onredelijk uitgevoerd, hoewel het hof oordeelt dat zorgvuldiger had kunnen worden gehandeld. Dit leidt echter niet tot ernstig verwijtbaar handelen. Ook het in stand houden van de arbeidsovereenkomst van een medewerker die de werkneemster lastig viel, wordt niet als ernstig verwijtbaar aangemerkt.

De werkneemster heeft onvoldoende concreet en onderbouwd gesteld dat zij schade heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden, noch dat er een causaal verband bestaat tussen de schade en het werk. Haar verzoeken tot immateriële schadevergoeding, verklaringen voor recht en verstrekking van rapportages worden eveneens afgewezen. Het hof verklaart haar niet-ontvankelijk in een verklaring voor recht die voor het eerst in hoger beroep is ingesteld.

De bestreden beschikking van de kantonrechter wordt bekrachtigd en de werkneemster wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Het hoger beroep wordt afgewezen.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt de afwijzing van de billijke vergoeding en schadevergoedingen wegens langdurige arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.355.999/01
zaaknummer rechtbank : 11273551 EA VERZ 24-799
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 20 januari 2026
inzake
[appellant],
wonend te [plaats 1] ,
appellante,
advocaat: mr. S.B. de Jong te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
gevestigd te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. R. Jonkmans te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1.Zaak in het kort

[geïntimeerde] heeft de arbeidsovereenkomst met [appellant] opgezegd nadat zij twee jaar arbeidsongeschikt was geweest. De kern van het geschil betreft de vraag of [geïntimeerde] aan [appellant] een billijke vergoeding is verschuldigd, omdat de opzegging van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [geïntimeerde] . Het hof beantwoordt deze vraag, evenals de kantonrechter, ontkennend. Het hof wijst het verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding af, evenals de gevorderde schadevergoedingen op grond van artikel 7:611 en Pro 7:658 BW. De verzochte verklaring voor recht betreffende de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] wordt eveneens afgewezen. Het hof verklaart [appellant] nietontvankelijk in de verzochte verklaring voor recht met betrekking tot artikel 14.4. cao [geïntimeerde] , omdat dit verzoek voor het eerst in hoger beroep is gedaan. Het hof wijst ten slotte het verzoek van [appellant] tot verstrekking van een rapportage af.

2.Geding in hoger beroep

[appellant] is bij beroepschrift van 23 juni 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 25 maart 2025 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: kantonrechter) onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek, en [geïntimeerde] als verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek (hierna: de bestreden beschikking).
Op 8 oktober 2025 is ter griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep, met producties, van [geïntimeerde] ingekomen. Door [appellant] zijn nog aanvullende producties toegezonden.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 19 november 2025 laten toelichten, [appellant] door mr. De Jong aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen, en [geïntimeerde] door mr. Jonkmans. Partijen hebben tevens vragen van het hof beantwoord. Ten slotte is een beschikking gevraagd.
Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

3.Feiten

De kantonrechter heeft in rechtsoverweging 2.1 tot en met 2.14 van de bestreden beschikking de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, gaat het hof uit van de volgende feiten.
3.1.
[appellant] , geboren [datum] , is van 1 september 2006 tot 24 juni 2024 in dienst geweest bij [geïntimeerde] . Op de arbeidsovereenkomst was de cao [geïntimeerde] van toepassing.
3.2.
Bij [geïntimeerde] zijn circa driehonderd buschauffeurs werkzaam. De buschauffeurs zijn per cluster verdeeld over drie [bedrijf] en worden per [bedrijf] aangestuurd door zes of zeven teammanagers. De teammanagers vallen onder de verantwoordelijkheid van de unitmanager, waarvan er op elke [bedrijf] één is. De unitmanager rapporteert op zijn of haar beurt aan de Vervoermanager Bus. Daarboven is de directeur gepositioneerd.
3.3.
[appellant] is vanaf 2012 gaan werken als Unitmanager Vervoer op de [bedrijf] Sloterdijk. In deze functie verdiende [appellant] laatstelijk € 6.869,- bruto per maand. [appellant] heeft vanuit haar functie verschillende mensen aangesproken op hun houding en gedrag. Voor één van de medewerkers waarmee een geschil bestond, [naam 1] (hierna: [naam 1] ), is een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend. De zitting waarop dit ontbindingsverzoek werd behandeld, heeft plaatsgevonden op 26 maart 2018. Hierbij was [appellant] namens [geïntimeerde] aanwezig. Op de zitting was ook een aantal collega’s van [naam 1] aanwezig, waaronder [naam 2] (hierna: [naam 2] ).
3.4.
[naam 2] is op 26 april 2018 door [geïntimeerde] schriftelijk aangesproken op het uiten van beschuldigingen dan wel verspreiden van geruchten over [appellant] , en stemmingmakerij. Op 4 september 2018 heeft hij een schriftelijke waarschuwing ontvangen voor - meer algemeen - ongepaste uitlatingen. In 2018 heeft ook een andere medewerker van de [bedrijf] Sloterdijk, [naam 3] , meermaals een schriftelijke waarschuwing ontvangen voor het uiten van onterechte beschuldigingen aan het adres van [appellant] .
3.5.
Van 13 maart 2018 tot en met 24 juli 2018 zijn circa tien anonieme meldingen binnengekomen bij het meldpunt integriteit over de Bus [bedrijf] Sloterdijk. [naam 4] , Compliance Officer bij [geïntimeerde] (hierna: [naam 4] ), heeft naar aanleiding van deze meldingen geadviseerd een extern onderzoek te laten verrichten. [naam 5] , (destijds) verantwoordelijk directeur (hierna: [naam 5] ), heeft besloten het onderzoek intern te laten verrichten door [naam 4] .
3.6.
Het onderzoek bij de Bus [bedrijf] Sloterdijk heeft vervolgens van 14 april tot en met 31 juli 2018 plaatsgevonden. De bevindingen van dit onderzoek zijn vastgelegd in een ‘Bus- [bedrijf] Sloterdijk vDEF2 Rapportage nav reeks van Integriteits Meldingen’ met de titel ‘Rapportage 2018-36 IM Rapportage [geïntimeerde] vDEF2.pdf VERTROUWELIJK’ (hierna: het rapport). Na afronding van het onderzoek heeft [appellant] in de daaropvolgende jaren meermaals tevergeefs verzocht om (een afschrift van) het rapport. [appellant] heeft, mede na aandringen van haar advocaat, het rapport eerst op 15 september 2023 ontvangen.
3.7.
In het rapport staat - onder meer - het volgende:
1.2 SamenvattingDeze rapportage geeft de uitkomsten weer van het onderzoek naar de bus- [bedrijf] Sloterdijk in het kader van een reeks integriteitsmeldingen die gedaan zijn tussen 13 maart 2018 en 24 juli 2018. De meldingen zijn afkomstig uit diverse geledingen van de organisatie van [geïntimeerde] (personenvervoerders bus, management bus en overige (staf) afdelingen) en spitsen zich toe op integriteitsaspecten in de onderstaande relaties:
  • Tussen management en medewerkers;
  • Tussen medewerkers onderling;
  • Tussen het management onderling.
De rode draad binnen de reeks meldingen spitst zich hoofdzakelijk toe op:
  • hoe wordt er door leidinggevenden binnen de [bedrijf] Sloterdijk met medewerkers omgegaan in diverse situaties gerelateerd aan de werkzaamheden en management verantwoordelijkheden;
  • welke cultuur aan de orde is op de bus- [bedrijf] Sloterdijk en ‘de toon van de muziek’ die wordt gehanteerd door leidinggevenden en hoe wordt dit beleefd door medewerkers;
  • de omgangsvormen door medewerkers en leidinggevenden die worden gehanteerd in relatie tot de gedragscode en omgangsvormen die voor [geïntimeerde] van toepassing zijn;
  • de toepassing van integriteitsaspecten en mogelijke reputatierisico’s vanuit operationele procesgang.
De onderzoeksvraag is afgestemd met directeur Techniek en Operatie ( [naam 5] ) en als volgt geformuleerd:
  • In hoeverre is de inhoud van de gedane meldingen de feitelijke situatie?
  • Welke integriteitsaspecten zijn hierbij aan de orde en op welke wijze moet op de bevindingen worden geacteerd?
  • Hoe worden de omgangsvormen en gedragscode toegepast in de relaties medewerkers – management en medewerkers en management onderling.
(…)Belangrijkste bevindingen:
  • Door alle betrokken wordt aangegeven dat discriminatie en racisme regelmatig aan de orde zijn op Sloterdijk;
  • De manier van met elkaar omgaan is niet (altijd) in lijn met of in de geest van de gedragscode en de nieuwe [geïntimeerde] omgangsvormen zowel door management en medewerkers;
  • Er leeft wederzijds wantrouwen tussen management en een deel van de medewerkers onderling;
  • Een groot deel van de melders is bereid, mits er voldoende veiligheid wordt ervaren, om zich actief in te zetten voor herstel van de situatie;
  • Op dit moment is er onvoldoende vertrouwen over en weer om zonder interventie (neutrale partij en volwassen benadering) te kunnen werken aan herstel van de situatie. Om die reden is het essentieel dat er ondersteuning van buiten de vervoerseenheid Bus wordt ingezet en deze met een open houding wordt ontvangen.
(…)

2.Belevingen tijdens het onderzoek door:

a.
Medewerkers

De unitmanager van Sloterdijk heeft enkele uitspraken gedaan die voor afstand hebben gezorgd in het vertrouwen tussen medewerkers / collega’s en haar:
-
De unitmanager zou hebben gezegd dat mensen het vertrouwen eerst bij haar moeten verdienen alvorens zij vanuit vertrouwen [naam 10] werken (in persoonlijk kennismakingsgesprek met de Compliance Officer). Woorden/uitspraken van gelijke strekking zijn ook aangegeven door de HR-business partner, collega unitmanagers en personenvervoerders bus;
-
Door meerdere melders is aangegeven dat er woorden van gelijke strekking wordt gezegd door de unitmanager: “ik hoor alles toch wel”;
-
De unitmanagers uit regelmatig dat ze bij de politie heeft gewerkt. Dit wordt als storend ervaren en draagt niet bij aan het gevoel van veiligheid;
-
Er wordt aangegeven dat in de rechtbank door de unitmanager van Sloterdijk een discriminerende opmerking is gemaakt (het zijn altijd de oudere blanke medewerkers die …);
-
In een recente case is een bandopname geluisterd waarin de unitmanager (ondanks een verder prima gesprek van haar zijde) een uitspraak doet: “en jij wilt nog wel bij [geïntimeerde] blijven werken, wat je nu doet is dan niet handig” (hard feit).
In het wederhoor geeft de unitmanager aan zich niet te herkennen dat ze uitspraken met een gelijke strekking te heeft gedaan.”.
3.8.
In het rapport staat onder ‘Conclusies + aanbevelingen’ - onder meer - het volgende vermeld:
“Conclusie uit het onderzoek is dat er een situatie is aangetroffen waar vanuit een individuele situatie direct moet worden geacteerd. Dit betreft het verzoek van de unitmanager aan de vertrouwenspersoon om door te geven of iemand van haar [bedrijf] zich gemeld heeft bij de vertrouwenspersoon. Dit is zeer ongewenst en schept geen veiligheid voor de medewerkers. De verantwoordelijke manager zal hier minimaal op aangesproken moeten worden en naar de vertrouwenspersoon moet passend geacteerd worden door te benadrukken dat dit verzoek nooit gedaan had mogen worden. (…)”.
3.9.
In het rapport staat verder dat bij de uitvoering van het onderzoek een reguliere werkwijze, conform het protocol integriteitsonderzoeken, is toegepast.
3.10.
Bij e-mail van 3 mei 2018 met onderwerp ‘Kennismaking + lopende zaken’ is [appellant] door [naam 4] uitgenodigd voor een gesprek voor de week erna om ‘nader kennis te maken’ en ‘tevens nog kort in te zoomen op een paar lopende zaken’. Dit gesprek heeft plaatsgevonden op 10 mei 2018. Op initiatief van [appellant] heeft op 10 juli 2018 nog een gesprek plaatsgevonden tussen hen. Deze afspraak is in de agenda ‘bijpraten’ genoemd.
3.11.
Op 12 juni 2018 heeft [appellant] aan [naam 6] , destijds Vervoermanager Bus (hierna: [naam 6] ), een e-mail gestuurd. Hierin heeft zij geschreven dat zij en de aanwezige teamleden het gevoel hebben dat zij medewerkers niet kunnen aanspreken omdat dan direct wordt gedreigd met het inschakelen ‘ [naam 4] ’ [ [naam 4] ; hof], en dat men op deze manier de teamleden uit hun positie probeert te plaatsen. In reactie hierop heeft [naam 6] geschreven dat zij daar wat mee [naam 10] , dat de teamleden gewoon door moeten gaan, en dat de betreffende medewerker zich anders bij haar mag melden.
3.12.
Op 22 januari 2019 is [appellant] bij bedrijfsarts [naam 7] geweest, die haar heeft geadviseerd een afspraak te maken met de bedrijfspsycholoog.
3.13.
Op 24 april 2021 heeft [naam 2] een schriftelijke waarschuwing ontvangen voor ongepaste uitlatingen tegen en over zijn leidinggevenden. Hiertegen heeft [naam 2] bezwaar gemaakt.
3.14.
Op 12 juni 2021 heeft [appellant] aangifte gedaan van het bekrassen van haar auto. [appellant] heeft de krassen op haar auto op 4 juni 2021 ontdekt en van 1 tot en met 4 juni 2021 heeft zij haar auto enkel voor woon-werk verkeer gebruikt. [appellant] heeft bij de aangifte gesteld dat zij vermoedt dat de krassen op 1 juni 2021 opzettelijk zijn aangebracht door een medewerker van [geïntimeerde] .
3.15.
Bij brief van 28 juni 2021 heeft [appellant] [naam 2] geïnformeerd dat de waarschuwing van 24 april 2021 werd gehandhaafd. [naam 2] is daarna met ingang van 30 juni 2021 geschorst. Bij brief van 3 november 2021 is ook de schorsing gehandhaafd. In deze brief is [naam 2] opnieuw gewaarschuwd voor negatieve uitlatingen over [appellant] .
3.16.
Nadien heeft op enig moment met [naam 2] mediation plaatsgevonden, waarbij [appellant] niet was betrokken. Daarna heeft [naam 2] zijn werkzaamheden hervat onder een andere direct leidinggevende.
3.17.
Op 22 juli 2021 heeft [appellant] per WhatsApp contact gehad met [naam 8] , destijds de nieuwe Vervoermanager Bus en [appellant] ’s leidinggevende (hierna: [naam 8] ). Hierbij schreef [naam 8] :
“Denk je om jezelf [naam 9] [ [appellant] ; hof]. Ik zat dit te lezen en moest aan jou denken omdat ik je hoorde over je enkele en hoge bloeddruk. Hoop echt dat je de komende vakantie in [plaats 3] [naam 10] ontspannen. Zodat we na de vakantie de schouders er weer met volle en nieuwe energie onder kunnen zetten.”
Waarop [appellant] reageerde:
“Dankjewel. Ik heb een verwijzing naar hart en vaatchirurg. Hoop snel na de vakantie terecht te kunnen. Ik herken wel de meeste symptomen en sowieso heb ik een risico omdat mijn vader op jonge leeftijd aan hartstilstand is overledenIk heb zoals je weet ook spanningsklachten. Ik probeer deze te onderdrukken maar hoeveel [naam 10] een mens hebben. Ik heb wel enige rust door de brief van Mark gekregen. Ik ben het niet eens met hoe het onderzoek is verricht en de bevindingen en conclusies zijn getrokken. Dit heb ik hem op een nette manier alsnog laten weten. Nog mijn grote dank voor he inzet en steun om die brief te krijgen zonder jou was dit niet gelukt en waren we in een vervelende situatie terechtgekomen.”.
3.18.
Op 18 oktober 2021 heeft [appellant] zich ziekgemeld. De directe aanleiding voor haar ziekmelding was de ontdekking van een levensbedreigende ziekte bij haar zoon. In een terugkoppeling van de bedrijfsarts van 23 december 2021 staat de verwachting dat het op bepaalde vlakken beter gaat met [appellant] , maar dat er ook wat klachten zijn bijgekomen, en dat terugkeer over zes tot acht weken in eigen werk wordt verwacht. Medio januari 2022 is [appellant] gestart met opbouwen van haar uren. Op 26 januari 2022 heeft een reintegratiegesprek plaatsgevonden tussen [appellant] en [naam 8] . Daarin is aan de orde gekomen dat mensen negatief over haar spreken en dat [naam 8] haar een andere functie gunt.
3.19.
Op 12 april 2022 heeft [appellant] zich opnieuw volledig ziekgemeld.
3.20.
In een terugkoppeling van de bedrijfsarts van 14 september 2022 staat vermeld dat in een recent gesprek met de werkgever is gebleken dat het verzuim van [appellant] deels werkgerelateerd is, en dat daarover vervolggesprekken noodzakelijk zijn maar dat [appellant] daar medisch gezien nog niet toe in staat is. In een terugkoppeling van de bedrijfsarts van 9 december 2022 staat opgenomen dat [appellant] vooralsnog niet in staat is om vervolggesprekken met haar leidinggevende te voeren, dat niet aangegeven [naam 10] worden hoe lang dit nog gaat duren en dat vervolggesprekken, ook door een onafhankelijke derde, op dit moment te veel spanning met zich brengen en daarom belemmerend werken voor het herstel.
3.21.
Bij brief van 14 april 2023 heeft [appellant] een beroep gedaan op artikel 14.4 van de cao [geïntimeerde] . Dit betreft een verzoek om erkenning dat haar arbeidsongeschiktheid tijdens en door het werk is ontstaan, namelijk vanwege de aard van het werk of de bijzondere omstandigheden. Partijen hebben hierna psychiater dr. [naam 10] (hierna: dr. [naam 10] ) ingeschakeld voor een psychiatrisch deskundigenonderzoek.
3.22.
Op 24 april 2024 heeft het UWV, na 104 weken arbeidsongeschiktheid, een ontslagvergunning verleend. Op 30 april 2024 heeft [geïntimeerde] de arbeidsovereenkomst met [appellant] met ingang van 24 juni 2024 opgezegd.
3.23.
Op 13 oktober 2024 heeft dr. [naam 10] zijn onderzoek afgerond en een definitieve rapportage uitgebracht. De rapportage is niet met [geïntimeerde] gedeeld; alleen de conclusie is aan de bedrijfsarts van [geïntimeerde] verstrekt. Deze conclusie luidt als volgt:

Waar de privésituatie als belangrijkste factor beschouwd [naam 10] worden voor de ziekmelding van betrokkene, zijn de bijzondere werkomstandigheden het belangrijkst voor het voortduren van de klachten en het ziekteverzuim van betrokkene.”.
3.24.
Bij brief van 13 februari 2025, na de mondelinge behandeling bij de kantonrechter in eerste aanleg, heeft [geïntimeerde] het verzoek om erkenning dat de arbeidsongeschiktheid van [appellant] tijdens en door werk is ontstaan, afgewezen.

4.Procedure in eerste aanleg

4.1.
[appellant] heeft in eerste aanleg - samengevat - primair verzocht om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van:
  • een billijke vergoeding van € 451.441,- bruto,
  • dan wel een vergoeding van datzelfde bedrag op grond van artikel 7:611 of Pro 7:658 BW,
  • een immateriële schadevergoeding van € 10.000,- netto,
  • alles vermeerderd met de wettelijke rente.
[appellant] heeft verder een verklaring voor recht verzocht dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor haar schade vanaf 1 januari 2018, en dat [geïntimeerde] op straffe van een dwangsom een rapportage aan haar dient te verstrekken, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure.
4.2.
[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken en vorderingen van [appellant] . [geïntimeerde] heeft bij wijze van een tegenverzoek verzocht [appellant] te veroordelen om alle documenten die zij van andere medewerkers van [geïntimeerde] heeft te retourneren, althans te verwijderen onder levering van bewijs, onder verbeurte van een dwangsom, alles met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure.
4.3.
De kantonrechter heeft bij de bestreden beschikking het verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding afgewezen, omdat geen sprake is geweest van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van [geïntimeerde] dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst tot gevolg heeft gehad. Hiertoe heeft de kantonrechter geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat de ziekte van [appellant] en het voortduren van haar arbeidsongeschiktheid [geïntimeerde] [naam 10] worden verweten. De opzegging van de arbeidsovereenkomst van [appellant] vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid is volgens de kantonrechter niet het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [geïntimeerde] . Ook het verzoek tot betaling van een vergoeding op grond van goed werkgeverschap is afgewezen, omdat dit verzoek onvoldoende is onderbouwd. Datzelfde geldt ten aanzien van de verzoeken tot toekenning van een immateriële schadevergoeding en de verklaring voor recht, die eveneens zijn afgewezen. De kantonrechter heeft ook het verzoek van [appellant] om de rapportage op straffe van een dwangsom te verstrekken afgewezen, omdat [geïntimeerde] het bestaan van deze versie van de rapportage heeft betwist en [appellant] haar belang bij deze rapportage onvoldoende heeft toegelicht. Het verzoek van [geïntimeerde] om informatie te verwijderen is ook afgewezen, omdat [geïntimeerde] dit verzoek onvoldoende heeft toegelicht en onderbouwd. De proceskosten zijn gecompenseerd.

5.Verzoeken en vorderingen in hoger beroep

5.1.
Tegen deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] in hoger beroep met twaalf grieven op. De grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. [appellant] verzoekt het hof - uitvoerbaar bij voorraad - om:
I. de bestreden beschikking de vernietigen;
II. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling aan [appellant] van een billijke vergoeding dan wel een schadevergoeding van € 451.441,- bruto;
III. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling aan [appellant] van een immateriële schadevergoeding van € 10.000,-;
IV. te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor alle materiële en immateriële schade, zowel geleden als nog te lijden door [appellant] wegens verzuim in de zorgplicht voor een veilige werkomgeving vanaf 1 januari 2018;
V. te verklaren voor recht dat [appellant] tijdens haar dienstverband bij [geïntimeerde] arbeidsongeschikt is geworden tijdens en door het werk in de zin van artikel 14.4 lid 1 sub a cao [geïntimeerde] ;
VI. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de onder II en III genoemde bedragen;
VII. [geïntimeerde] te veroordelen om aan [appellant] te doen toekomen een rapportage, inclusief alle meldingen en gespreksverslagen; en
VIII. [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties.
5.2.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken en vorderingen van [appellant] , met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, met nakosten en rente.

6.Beoordeling

6.1.
Het hoger beroep heeft, afgezien van bijkomende verzoeken, hoofdzakelijk betrekking op de vraag of [geïntimeerde] aan [appellant] een billijke vergoeding dan wel een schadevergoeding op grond van artikel 7:611 of Pro 7:658 BW dient te betalen. De verzoeken en vorderingen, en de gronden waarop deze zijn gebaseerd, zullen hierna per onderwerp gezamenlijk worden behandeld.
Een billijke vergoeding
6.2.
[appellant] verzoekt - naar het hof begrijpt primair - om een billijke vergoeding op grond van artikel 7:682 lid 1 onder Pro c BW.
Het beoordelingskader
6.3.
Het hof stelt voorop dat een billijke vergoeding op grond van voornoemd artikel kan worden toegekend aan een werknemer wiens arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid is opgezegd, als deze opzegging het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ernstig verwijtbaar handelen of nalaten doet zich slechts in uitzonderlijke gevallen voor (
Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 40). Uit de in de parlementaire geschiedenis genoemde voorbeelden en toelichtingen blijkt dat het moet gaan om een duidelijk en uitzonderlijk laakbaar handelen of nalaten, dat valt te kwalificeren als duidelijk strijdig met goed werkgeverschap en op één lijn te stellen is met de daarin genoemde voorbeelden. De regering heeft als één van de voorbeelden van ernstige verwijtbaarheid genoemd de situatie waarin de werkgever zijn re-integratieverplichtingen bij ziekte grovelijk heeft veronachtzaamd (
Kamerstukken II2013-2014, 33 818, C, pag. 113). De lat voor het aannemen van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten ligt dus hoog.
6.4.
Voor het toekennen van een billijke vergoeding op grond van artikel 7:682 lid 1 onder Pro c BW is niet vereist dat een oorzakelijk verband bestaat tussen de arbeidsongeschiktheid en het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Het gaat erom of de opzegging van de arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. In dat geval kan een billijke vergoeding worden toegekend. Het ernstige verwijt dat de werkgever te maken valt kan betrekking hebben op het ontstaan en/of het voortbestaan van de ziekte, maar kan ook aan de orde zijn als de werkgever zijn re-integratieverplichtingen ernstig heeft veronachtzaamd.
6.5.
De stelplicht en bewijslast ten aanzien van de vraag of de opzegging wegens langdurige arbeidsongeschiktheid het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, rusten op de werknemer. De werknemer hoeft dus niet te bewijzen dat tussen het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever en de langdurige arbeidsongeschiktheid een oorzakelijk verband bestaat.
Ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door [geïntimeerde] ?
6.6.
De eerste vraag die het hof dient te beantwoorden, is de vraag of [geïntimeerde] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten. [appellant] stelt dat dit ernstig verwijtbaar handelen dan wel nalaten gelegen is in een combinatie van verschillende omstandigheden. Meer specifiek en desgevraagd heeft [appellant] ter zitting in hoger beroep toegelicht dat het ernstig verwijtbaar handelen dan wel nalaten van [geïntimeerde] is gebaseerd op de volgende hoofdpijlers:
de zitting van 26 maart 2018 betreffende het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van [naam 1] (zie 3.3);
het in 2018 verrichte integriteitsonderzoek; en
de beslissing van [geïntimeerde] om de arbeidsovereenkomst met [naam 2] in stand te houden.
6.7.
Het hof volgt [appellant] niet in haar stelling dat [geïntimeerde] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld doordat zij namens [geïntimeerde] aanwezig diende te zijn bij de zitting van 26 maart 2018 (zoals genoemd onder a). Niet is vast komen te staan is dat het verzoek van [geïntimeerde] daartoe onzorgvuldig of onredelijk was. Evenmin is gesteld of gebleken dat [appellant] hiermee door [geïntimeerde] in een vervelende of onaanvaardbare positie is gebracht, dan wel dat [geïntimeerde] daarbij geen rekening zou hebben gehouden met haar belangen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat door [appellant] niet is gesteld dat zij, expliciet of impliciet, bezwaar heeft gemaakt tegen haar aanwezigheid bij die zitting. De stelling dat [geïntimeerde] in dit verband ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, is niet nader door [appellant] onderbouwd.
6.8.
Ten aanzien van de stelling van [appellant] dat [geïntimeerde] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld met betrekking tot het in 2018 verrichte integriteitsonderzoek (zoals genoemd onder b), overweegt het hof als volgt. [appellant] heeft gesteld dat de meldingen die tot het onderzoek hebben geleid, afkomstig waren van buschauffeurs die zij eerder op hun houding en gedrag heeft aangesproken, zodat die vermoedelijk uit waren op wraak. Het onderzoek was naar haar mening onnodig; [geïntimeerde] had ervoor kunnen kiezen om de meldingen op andere wijze af te doen, bijvoorbeeld door het voeren van gesprekken onder leiding van een mediator. Het hof volgt [appellant] hierin niet. [geïntimeerde] heeft onweersproken gesteld dat de meldingen afkomstig waren van werknemers uit verschillende lagen van de organisatie, waaronder ook management- en overige stafleden. Dit staat ook in het rapport vermeld. Gelet op de meldingen en het aantal daarvan, [naam 10] het hof volgen dat [geïntimeerde] aanleiding heeft gezien een onderzoek in te stellen. Het feit dat het onderzoek is aangevangen zonder [appellant] daarover vooraf te informeren, acht het hof niet onlogisch. De meldingen waren immers afkomstig van werknemers uit verschillende lagen van de organisatie. Gelet op de organisatiestructuur van [geïntimeerde] (zie 3.2), is het naar het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk dat [appellant] als unitmanager van de betreffende [bedrijf] niet was betrokken bij het instellen van het onderzoek. Anders dan [appellant] , oordeelt het hof dat [geïntimeerde] door het instellen van het onderzoek niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld jegens haar.
6.9.
[appellant] heeft verder gesteld dat [geïntimeerde] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld doordat het integriteitsonderzoek onzorgvuldig is verricht. Het hof overweegt hierover als volgt. Niet gebleken is dat initieel sprake was van een op [appellant] gericht onderzoek. Uit het rapport volgt dat de meldingen betrekking hadden op de relatie tussen management en werknemers, maar ook op zowel management als medewerkers onderling. Uit het rapport blijkt verder dat de focus van het onderzoek in de loop der tijd enigszins is verschoven, waarbij [appellant] als unitmanager in toenemende mate onderwerp van het onderzoek werd. [geïntimeerde] heeft ter zitting in hoger beroep medegedeeld dat het protocol integriteitsonderzoeken niet van toepassing was en dat het aan de onderzoeker was om de onderzoeksmethode te bepalen. Dit onderschrijft het hof niet. Naar het oordeel van het hof had het, in ieder geval na de gedeeltelijke verschuiving van het onderwerp van onderzoek, op de weg van [geïntimeerde] gelegen om zorgvuldiger te handelen, bijvoorbeeld door - vanaf dat moment - het protocol (strikter) toe te passen en gespreksverslagen op te stellen. In dat kader had [geïntimeerde] ook hoor- en wederhoor zorgvuldiger vorm kunnen geven. Niet gebleken is dat de gesprekken van 8 mei en 10 juli 2018 (zie 3.10) voldeden aan de daaraan te stellen eisen van zorgvuldigheid. Het hof overweegt voorts dat het onderzoek intern is verricht, terwijl het advies luidde dit extern te laten uitvoeren. [geïntimeerde] heeft ter zitting in hoger beroep geen verklaring kunnen geven waarom zij dit advies niet heeft opgevolgd.
6.10.
Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] met betrekking tot het in 2018 verrichte integriteitsonderzoek zorgvuldiger had kunnen en moeten handelen, maar niet gesteld [naam 10] worden dat zij hierdoor ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Evenmin acht het hof het ernstig verwijtbaar dat [geïntimeerde] [appellant] geen inzage heeft gegeven in het rapport, althans dit rapport (pas) na vijf jaar met haar te delen. Hoewel het achteraf bezien wenselijker zou zijn geweest dat [geïntimeerde] hierover transparanter was geweest - mede omdat niet onbegrijpelijk is dat het rapport ‘een eigen leven is gaan leiden’ - [naam 10] dit niet worden aangemerkt als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [geïntimeerde] . Het hof heeft er begrip voor dat de onzekerheid rondom het rapport en de vraag of anderen, zoals [naam 2] , daarover beschikten, een negatieve impact heeft gehad op [appellant] . Dit maakt echter niet dat [geïntimeerde] in dit verband ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten. [geïntimeerde] heeft immers wel de conclusies met [appellant] gedeeld.
6.11.
Evenmin acht het hof het ernstig verwijtbaar dat [geïntimeerde] de arbeidsovereenkomst met [naam 2] in stand heeft gelaten (zoals genoemd onder c). [appellant] heeft weliswaar gesteld dat het aan [geïntimeerde] was te beslissen of de arbeidsovereenkomst met [naam 2] al dan niet werd voortgezet, maar dat het gevolg van deze keuze ernstig verwijtbaar is jegens haar, omdat haar positie hierdoor onhoudbaar is geworden. Dit standpunt onderschrijft het hof niet. Het hof stelt voorop dat het tot de (beleids)vrijheid van [geïntimeerde] behoort om te beslissen of en onder welke omstandigheden een arbeidsovereenkomst met een andere werknemer wordt voortgezet, en dat [geïntimeerde] zich ook ten aanzien van [naam 2] heeft te houden aan arbeidsrechtelijke regels. Niet gebleken is dat [geïntimeerde] heeft toegezegd dat zij de arbeidsovereenkomst met [naam 2] zou beëindigen, noch dat zij hiertoe verplicht zou zijn gelet op alle omstandigheden van het geval. Dat [appellant] deze keuze als belastend heeft ervaren is niet onbegrijpelijk, maar dat is onvoldoende om te concluderen dat [geïntimeerde] daarmee ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.
6.12.
Het hof begrijpt dat [appellant] in haar rol als unitmanager op momenten veel tegenwind heeft ervaren. [appellant] heeft in dat verband gesteld dat zij op enig moment geen steun meer ervoer van de directie. Het voorgaande betekent evenwel niet dat [geïntimeerde] gehouden was anders te handelen dan zij heeft gedaan. Niet gebleken is dat [geïntimeerde] signalen heeft genegeerd waaruit volgde dat aanvullende of andere ondersteuning van [appellant] noodzakelijk was. Door [appellant] is onvoldoende onderbouwd dat zij (herhaaldelijk) kenbaar heeft gemaakt dat de geboden ondersteuning tekortschoot. De bevestiging van de bedrijfsarts met een doorverwijzing naar de bedrijfspsycholoog (zie 3.12) is daartoe onvoldoende. Niet gesteld of gebleken is dat daaraan een vervolg is gegeven, noch betreft dit een concreet signaal waarop [geïntimeerde] had moeten acteren. Datzelfde geldt voor de e-mail aan [naam 6] (zie 3.11) en het WhatsAppbericht aan [naam 8] (zie 3.17).
6.13.
Voor zover [appellant] heeft gesteld dat zij geen steun meer ervoer van de directie, hangt dit nauw samen met het integriteitsonderzoek dat is verricht. Zoals het hof hiervoor onder 6.9 en 6.10 heeft overwogen, had [geïntimeerde] bij de uitvoering van het onderzoek zorgvuldiger kunnen handelen, maar zoals geoordeeld levert dit geen ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [geïntimeerde] op. Hetzelfde geldt voor de opmerking van [naam 8] dat hij [appellant] een andere baan gunt (zie 3.18). Dat deze opmerking door [appellant] anders is opgevat dan [geïntimeerde] stelt dat deze is bedoeld, maakt niet dat deze opmerking het oordeel [naam 10] dragen dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Het hof overweegt tot slot dat niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde] haar reintegratieverplichtingen heeft geschonden, zodat ook dit niet [naam 10] bijdragen aan de stelling van [appellant] dat [geïntimeerde] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten.
Billijke vergoeding - slotsom
6.14.
In rechtsoverwegingen 6.7 tot en met 6.13 heeft het hof overwogen dat geen van de in rechtsoverweging 6.6 onder a tot en met c genoemde gedragingen van [geïntimeerde] als ernstig verwijtbaar [naam 10] worden aangemerkt. Het hof is van oordeel dat deze gedragingen, ook bij elkaar genomen en in onderling verband bezien, niet als ernstig verwijtbaar zijn aan te merken. De tekortkomingen van [geïntimeerde] zijn daartoe onvoldoende ernstig.
6.15.
Het voorgaande betekent dat een bespreking van de stellingen van [appellant] met betrekking tot het oorzakelijk verband tussen de omstandigheden op het werk en het ontstaan dan wel voortduren van de ziekte en uiteindelijk de opzegging van de arbeidsovereenkomst achterwege [naam 10] blijven. Van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door [geïntimeerde] is immers geen sprake, zodat de opzegging van de arbeidsovereenkomst van [appellant] wegens langdurige arbeidsongeschiktheid daarvan ook niet het gevolg [naam 10] zijn. Het hof wijst het verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding, zoals hiervoor vermeld onder 5.1 sub II, af.
Schadevergoeding op grond van artikel 7:658 dan Pro wel 7:611 BW
6.16.
[appellant] vordert voorts - naar het hof begrijpt subsidiair - een schadevergoeding op grond van artikel 7:611 dan Pro wel 7:658 BW.
Ontvankelijkheid
6.17.
Het hof zal eerst de voorvraag beantwoorden of [appellant] in een verzoekschriftprocedure [naam 10] worden ontvangen in haar vorderingen tot schadevergoeding op grond van voornoemde artikelen. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend. Het gaat in deze zaak (uitsluitend) om de financiële afwikkeling van de arbeidsovereenkomst die tussen partijen heeft bestaan. [appellant] heeft aan haar verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding dezelfde feiten ten grondslag gelegd als aan haar vorderingen tot schadevergoeding op grond van artikel 7:658 dan Pro wel 7:611 BW. Deze vorderingen kunnen derhalve worden aangemerkt als ‘samenhangende vorderingen’ in de zin van artikel 7:686a lid 3 BW en kunnen in deze procedure worden behandeld.
Schadevergoeding op grond van artikel 7:658 BW Pro
6.18.
Het hof stelt voorop dat een werkgever op grond van artikel 7:658 lid 2 BW Pro jegens een werknemer aansprakelijk is voor de schade die de werknemer lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij de werkgever aantoont dat hij zijn zorgplicht als bedoeld in lid 1 van dat artikel is nagekomen.
6.19.
Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of [appellant] schade heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden. Zowel het bestaan van de schade als het causaal verband tussen die schade en de werkzaamheden moeten voldoende concreet worden gesteld en onderbouwd. De stelplicht en bewijslast ter zake rusten op [appellant] .
6.20.
Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie kunnen dragen dat zij schade heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden. [appellant] heeft weliswaar gesteld dat haar klachten zijn ontstaan dan wel verergerd door omstandigheden op het werk, maar deze stelling is niet nader geconcretiseerd of onderbouwd met objectieve gegevens. In het bijzonder ontbreekt een (toereikende) toelichting op de aard en omvang van de gestelde schade. Daarnaast heeft [appellant] het vereiste causaal verband tussen de gestelde schade en de uitoefening van haar werkzaamheden onvoldoende toegelicht. De enkele verwijzing naar het rapport van dr. [naam 10] is daartoe ontoereikend. Reeds om het voorgaande [naam 10] het beroep van [appellant] op artikel 7:658 BW Pro niet slagen. Het hof komt dus niet toe aan de beoordeling van de vraag of [geïntimeerde] haar zorgplicht is nagekomen.
Schadevergoeding op grond van artikel 7:611 BW Pro
6.21.
Zoals het hof hiervoor heeft vastgesteld, bestaat geen grond voor een billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [geïntimeerde] en is [geïntimeerde] evenmin aansprakelijk op grond van artikel 7:658 BW Pro. Er is ook geen plaats voor toekenning van de vordering tot schadevergoeding op de (meer algemene) grondslag van artikel 7:611 BW Pro, nu deze vordering inhoudelijk steunt op dezelfde feiten en omstandigheden, die reeds bij de beoordeling van de andere grondslagen zijn betrokken. [appellant] heeft de vordering tot schadevergoeding op grond van dit artikel bovendien onvoldoende onderbouwd.
Schadevergoeding - slotsom
6.22.
Op grond van het voorgaande wijst het hof de door [appellant] gevorderde schadevergoeding op grond van artikel 7:611 of Pro 7:658 BW, zoals hiervoor vermeld onder 5.1 onder II, af.
Immateriële schadevergoeding
6.23.
[appellant] heeft voorts verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding van € 10.000,
. In artikel 6:106 lid 1 BW Pro is - voor zover hier van belang - bepaald dat de benadeelde voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien a) de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen, of b) de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
6.24.
[appellant] heeft haar verzoek om een immateriële schadevergoeding onvoldoende onderbouwd. Zij heeft weliswaar gesteld dat zij door het handelen van [geïntimeerde] immateriële schade heeft geleden, maar het hof heeft hiervoor overwogen dat het handelen van [geïntimeerde] niet [naam 10] leiden tot toekenning van enige billijke vergoeding of schadevergoeding. Het hof wijst het verzoek tot een immateriële schadevergoeding, zoals vermeld onder 5.1 sub III, dan ook af.
Wettelijke rente
6.25.
Het verzoek van [appellant] tot betaling van wettelijke rente bouwt voort op de vergeefs door [appellant] verzochte billijke vergoeding en gevorderde schadevergoeding. Nu dit verzoek en deze vorderingen worden afgewezen, wijst het hof het verzoek tot betaling van wettelijke rente, zoals hiervoor opgenomen onder 5.1 sub VI, af.
Verklaringen voor recht
6.26.
[appellant] heeft verzocht om een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor alle materiële en immateriële schade, zowel geleden als nog te lijden door [appellant] wegens verzuim in de zorgplicht voor een veilige werkomgeving vanaf 1 januari 2018. Deze verklaring voor recht bouwt voort op de vergeefs door [appellant] ingenomen standpunten die het hof hiervoor onder de billijke vergoeding en schadevergoeding heeft besproken. Het hof wijst de verzochte verklaring voor recht, zoals vermeld onder 5.1 sub IV, daarom af.
6.27.
Daarnaast heeft [appellant] verzocht om een verklaring voor recht dat zij tijdens haar dienstverband bij [geïntimeerde] arbeidsongeschikt is geworden tijdens en door het werk in de zin van artikel 14.4 lid 1 sub a cao [geïntimeerde] . Het hof overweegt dat deze verklaring voor recht niet, ook niet voorwaardelijk, in eerste aanleg is verzocht. Het hof volgt [geïntimeerde] in haar verweer dat deze verklaring voor recht niet voor het eerst in hoger beroep [naam 10] worden verzocht, omdat het voor het eerst instellen van een verzoek in strijd is met de goede procesorde. Om die reden verklaart het hof [appellant] in dit verzoek, zoals vermeld onder 5.1 sub V, nietontvankelijk.
Verzoek tot verstrekken rapportage
6.28.
Het hof wijst tevens het verzoek tot het verstrekken van de rapportage ‘Bus- [bedrijf] Sloterdijk vDEF1’ en alle meldingen met volledige inhoud en gespreksverslagen en verslagen van interviews waarnaar in voormelde rapportage wordt verwezen, zoals vermeld onder 5.1 sub VII, af. Los van het feit dat [geïntimeerde] het bestaan van deze documenten heeft betwist, heeft [appellant] onvoldoende toegelicht welk belang zij thans nog heeft bij verstrekking daarvan.
Slotsom en proceskosten
6.29.
Gelet op het voorgaande wijst het hof ook het verzoek van [appellant] af om [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties, zoals vermeld onder 5.1 sub VIII, omdat [appellant] ook in het hoger beroep in het ongelijk wordt gesteld. [appellant] zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten van (alleen) het hoger beroep, nu [geïntimeerde] niet heeft verzocht dat zij alsnog in de kosten van het geding in eerste aanleg wordt veroordeeld, te vermeerderen met nakosten en rente.
6.30.
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] niet slaagt. Het hof wijst alle verzoeken en vorderingen van [appellant] af, met uitzondering van de verzochte verklaring voor recht met betrekking tot artikel 14.4 cao [geïntimeerde] , waarin [appellant] nietontvankelijk is.
6.31.
Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen. Door [appellant] zijn geen concrete stellingen te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een andere beslissing zouden kunnen leiden, zodat haar bewijsaanbieding daarom wordt gepasseerd.

7.Beslissing

Het hof:
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in haar verzoek om een verklaring voor recht dat zij tijdens haar dienstverband bij [geïntimeerde] arbeidsongeschikt is geworden tijdens en door het werk in de zin van artikel 14.4 lid 1 sub a cao [geïntimeerde] ;
bekrachtigt de bestreden beschikking;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 827,00 aan verschotten en € 2.428,00 aan salaris, te vermeerderen met de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe van [geïntimeerde] aan de kostenveroordeling is voldaan;
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte en gevorderde af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. van der Burg, W. Aardenburg en M. Kullmann en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.