Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1526

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
200.362.401/01 en 200.362.401/02
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek vervangende toestemming basisschool en wijziging zorgregeling minderjarige

De zaak betreft een geschil tussen de ouders over de inschrijving van hun minderjarige kind op een basisschool en de zorgregeling. De rechtbank had de moeder vervangende toestemming gegeven om het kind in te schrijven op een school in plaats C en een zorgregeling vastgesteld waarbij het kind om de week bij de ouders verblijft.

De vader kwam in hoger beroep en verzocht om vervangende toestemming voor inschrijving op een school in plaats A en een andere zorgregeling, primair een week-op-week-af regeling. De moeder en de gecertificeerde instelling verzetten zich hiertegen, stellende dat de huidige situatie in het belang van het kind is.

Het hof oordeelde dat de inschrijving op de school in plaats C in het belang van het kind is, gezien de stabiliteit, het sociale netwerk en de praktische uitvoerbaarheid. De zorgregeling werd aangepast door een extra dag bij de vader toe te voegen om meer rust en contact te creëren. Het verzoek tot schorsing van de beschikking werd afgewezen omdat het hof in de hoofdzaak had beslist.

De beschikking van de rechtbank werd vernietigd voor zover het de zorgregeling betreft en herzien met de nieuwe zorgverdeling. De rest van de beschikking werd bekrachtigd en de overige verzoeken van de vader werden afgewezen.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de vader af en bekrachtigt de inschrijving op de school in plaats C, met een aangepaste zorgregeling die een extra dag bij de vader omvat.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummers: 200.362.401/01 en 200.362.401/02
zaaknummer rechtbank: C/15/365899 / FA RK 25-2742
beschikking van de meervoudige kamer van 2 juni 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. I.M. Thieme te Zaandam, gemeente Zaanstad,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. P. Wieringa te Zaandam, gemeente Zaanstad.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] ,
- de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers, hierna: de GI.
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Alkmaar,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de vraag of aan de moeder vervangende toestemming kan worden verleend om [minderjarige] (4 jaar) in te schrijven op een school en hoe de zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader eruit moet zien. De rechtbank heeft de moeder toestemming gegeven om [minderjarige] in te schrijven op de basisschool van haar keuze en een zorgregeling bepaald waarbij [minderjarige] iedere woensdag op donderdag en om het weekend bij de vader is.
De vader is het daar niet mee eens en wil dat [minderjarige] wordt ingeschreven op de basisschool van zijn keuze en dat de ouders om de week voor [minderjarige] zorgen of door middel van een 5-5-2-2 regeling.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 9 december 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 15 oktober 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank). Het hoger beroepschrift bevat een verzoek om de werking van de bestreden beschikking te schorsen.
2.2
De moeder heeft op 15 januari 2026 een verweerschrift ingediend met daarin ook een verweer tegen het schorsingsverzoek.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de vader van 17 maart 2026 met bijlagen,
- een bericht van de zijde van de moeder van 17 maart 2026 met bijlagen, en
- een bericht van de zijde van de moeder van 19 maart 2026 met bijlagen.
2.4
De zitting heeft op 27 maart 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- een vertegenwoordiger van de GI,
- de raad, vertegenwoordigd door V. Aelbers.
2.5
Het hof heeft ter zitting in hoger beroep geoordeeld dat het bericht van de vader van 26 maart 2026 met bijlagen niet wordt toegelaten, omdat deze stukken te laat zijn ingediend en bovendien deels een repliek bevatten, wat in strijd is met de goede procesorde.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2021 te [gemeente] .
De ouders hebben tot juli 2023 een affectieve relatie met elkaar gehad. De vader heeft [minderjarige] erkend.
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] .
3.2
Partijen hebben na hun uiteengaan met behulp van een mediator afspraken met elkaar gemaakt, die zijn opgenomen in het ouderschapsplan van 20 oktober 2023 en een daaraan gehecht addendum van 18 december 2023. Partijen zijn een co-ouderschap overeengekomen, waarbij [minderjarige] in de ene week bij de vader is en in de andere week bij de moeder, met het wisselmoment op vrijdag via de kinderopvang.
3.3
Bij vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank van 20 juni 2024 is, voor zover hier van belang, het verzoek van de vader om vervangende toestemming om [minderjarige] in te schrijven op een kinderdagverblijf in [plaats A] , afgewezen.
3.4
[minderjarige] staat sinds 4 november 2024 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is telkens verlengd, laatstelijk tot 4 augustus 2026.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
- het verzoek van de vader om vervangende toestemming voor inschrijving van [minderjarige] op een basisschool in (de omgeving van) [plaats A] , afgewezen;
- de moeder, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de vader, toestemming verleend om [minderjarige] in te schrijven op basisschool [X] in [plaats C] ;
- met wijziging in zoverre van het ouderschapsplan van 20 oktober 2023 en het daaraan gehechte addendum van 18 december 2023, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt vastgesteld:
[minderjarige] verblijft vanaf het moment dat zij naar school gaat:
Week 1 / Oneven weken
• Maandag: bij de moeder;
• Dinsdag: bij de moeder;
• Woensdag: na school bij de vader;
• Donderdag: de vader brengt [minderjarige] naar school en [minderjarige] gaat na school naar de moeder;
• Vrijdag: na school bij de vader;
• Zaterdag: bij de vader;
• Zondag: bij de vader;
Week 2 / Even weken
• Maandag: de vader brengt [minderjarige] naar school en [minderjarige] gaat na school naar de moeder;
• Dinsdag: bij de moeder;
• Woensdag: na school bij de vader;
• Donderdag: de vader brengt [minderjarige] naar school en [minderjarige] gaat na school naar de moeder;
• Vrijdag: bij de moeder;
• Zaterdag: bij de moeder;
• Zondag: bij de moeder.
4.2
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking,
- de schorsing van de werking van de bestreden beschikking te bevelen en
- het inleidende verzoek van de vader om hem vervangende toestemming te verlenen voor de inschrijving van [minderjarige] op de OBS [Y] te [plaats A] , alsnog toe te wijzen,
- primair een week-op-week-af regeling met wisselmoment op vrijdag te bepalen, subsidiair een 5-5-2-2 regeling te bepalen, dan wel een andersluidende zorgregeling vast te stellen,
althans een zodanige beslissing te nemen die het hof in het belang van [minderjarige] acht.
4.3
De moeder verzoekt de verzoeken van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader
5.1
Uit artikel 1:253a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter kunnen worden voorgelegd. De rechter dient in geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag een zodanige beslissing te nemen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Conform vaste rechtspraak dient de rechter bij de beslissing over een geschil als het onderhavige niet alleen het belang van het kind, maar alle omstandigheden van het geval in ogenschouw te nemen en alle belangen af te wegen.
5.2
Uit artikel 1:253a, vierde lid, BW in samenhang met artikel 1:377e BW volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover kan wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan – voor zover hier van belang – omvatten:
a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.
De standpunten
5.3
De vader komt in hoger beroep tegen de vervangende toestemming voor inschrijving van [minderjarige] op basisschool [X] in [plaats C] , de zorgregeling en de uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Ten aanzien van de schoolkeuze voert de vader aan dat hij zijn eerdere wens laat varen om [minderjarige] in te schrijven op een school tussen de woonplaatsen van de ouders. Ten onrechte heeft de rechtbank bij de keuze voor de basisschool aangesloten bij de locatie van het voormalig kinderdagverblijf van [minderjarige] . De moeder heeft [minderjarige] destijds zonder overleg met de vader ingeschreven op dat kinderdagverblijf. Ten onrechte heeft de rechtbank dan ook overwogen dat het voor de vader beter uitvoerbaar is om [minderjarige] in [plaats C] naar school te brengen aangezien hij dat ook bij het kinderdagverblijf deed. Als de vader had geweten dat bij de schoolkeuze van [minderjarige] hierop zou worden voortgeborduurd, zou hij destijds wel in hoger beroep zijn gegaan tegen de beslissing van de voorzieningenrechter daarover. Bovendien creëert deze beslissing overwicht aan de zijde van de moeder en bemoeilijkt het de vader in het vinden van werk. De vader vermoedt dat de moeder alleen voor de procedure bij de rechtbank tijdelijk niet beschikte over een auto, want inmiddels heeft zij er weer een. Aangezien de vader geen eigen vervoer heeft, is juist de moeder beter in staat om [minderjarige] in [plaats A] naar school te brengen dan de vader in [plaats C] . Ook is [minderjarige] regelmatig te laat op school door de vertragingen in het openbaar vervoer. De rol van betrokken ouder wordt voor de vader bemoeilijkt door de schoolkeuze in [plaats C] . Bovendien verwacht de vader dat [minderjarige] op school in [plaats A] ook snel vrienden zal maken. [minderjarige] woont al haar hele leven in [plaats A] . De stabiliteit van [minderjarige] in [plaats A] vormt een zwaarwegende factor bij de beoordeling van de schoolkeuze en de zorgregeling, en dient als zodanig uitdrukkelijk te worden meegewogen.
Ten aanzien van de zorgregeling vindt de vader dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de bestaande week-op-week-afregeling niet langer in het belang van [minderjarige] is. [minderjarige] was hieraan gewend en de rechtbank heeft niet vastgesteld dat [minderjarige] hinder zou ondervinden van het continueren van die regeling. De rust en stabiliteit die [minderjarige] gewend was, is hierdoor verstoord. De rechtbank heeft niet gemotiveerd waarom deze inperking van het contact proportioneel of noodzakelijk zou zijn.
5.4
De moeder voert verweer. Zij voert aan dat zij destijds naar [plaats B] is verhuisd in verband met haar veiligheid. De moeder begrijpt niet waarom de vader zich destijds heeft neergelegd bij de inschrijving op het kinderdagverblijf, maar nu niet bij het feit dat [minderjarige] al een paar maanden naar haar basisschool in [plaats C] gaat. Haar nu van school halen zou onwenselijk zijn en niet in het belang van [minderjarige] .
Bovendien staat de schoolgang van [minderjarige] in [plaats C] niet in de weg aan het uitoefenen van het gezag door de vader. De activiteiten op school zijn ruim van tevoren bekend zodat de vader daarop kan anticiperen. Feit is dat hij geen werk heeft en niet bijdraagt in de verblijfsoverstijgende kosten van [minderjarige] . Door naar school te gaan in [plaats C] hoeft [minderjarige] niet heel vroeg op te staan en kan ze makkelijk met vrienden afspreken en buitenschoolse activiteiten ondernemen. Het gaat dan ook heel goed met [minderjarige] op school en bij de BSO. De huidige rust en regelmaat zouden worden verstoord wanneer [minderjarige] in [plaats A] naar school zou gaan. [minderjarige] zou naar voorschoolse en extra naschoolse opvang moeten in verband met de werktijden van de moeder. Dit zou de moeder extra geld kosten en [minderjarige] extra energie. Ook zouden [minderjarige] en de moeder vele uren in de auto moeten doorbrengen. Op dit moment haalt en brengt de vader [minderjarige] twee dagen per week met afwisselend het openbaar vervoer, de scooter of met een auto, gezamenlijk met een kennis.
De moeder betwist dat de vader en zijn plek in [plaats A] stabiel en continu zijn geweest voor [minderjarige] . De vader is ook verhuisd, hij woont nu bij een derde persoon in. Bovendien woont [minderjarige] inmiddels langer buiten [plaats A] dan dat zij daar heeft gewoond.
Met de schoolgang van [minderjarige] kan de week-op-week-afregeling niet meer blijven bestaan. [minderjarige] moet zich kunnen concentreren op haar schooltaken en het is niet in haar belang dat zij voortdurend moet reizen tussen de ouders en de school. De huidige regeling biedt de vader en [minderjarige] in ruime mate mogelijkheid om contact en omgang met elkaar te hebben en familie en vrienden te bezoeken. Voor zover [minderjarige] de huidige regeling oneerlijk vindt, is dat iets wat zij van de vader hoort. Dat is niet goed voor [minderjarige] en de vader moet ermee ophouden om dat met [minderjarige] te bespreken. Een 5-5-2-2 regeling is door de schoolgang van [minderjarige] niet meer passend en voor de moeder niet uitvoerbaar in combinatie met haar werk.
5.5
De GI heeft zich ter zitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de rechtbank een goede afweging heeft gemaakt. Het gaat goed met [minderjarige] op school. Zij heeft veel vrienden en kan de leerstof aan. Voor de ouders is hulpverlening aangevraagd om te starten met solo parallel ouderschap. Het is jammer dat [minderjarige] de dupe wordt van de strijd tussen de ouders. Dat de ouders op dit moment een manier hebben gevonden om met elkaar te communiceren is fijn om te horen, aldus de GI.
Het advies van de raad
5.6
De raad heeft ter zitting in hoger beroep de ouders enkele opmerkingen meegegeven ter overweging. Zo heeft de raad opgemerkt dat het voor de identiteitsvorming van [minderjarige] van belang is dat zij veel tijd doorbrengt met beide ouders, zodat zij een zelfstandig beeld van hen kan vormen en hun rituelen kan meekrijgen. Hoewel de raad begrijpt dat de zorgregeling ingrijpend is gewijzigd voor de vader, is het voor de identiteitsvorming van [minderjarige] niet nodig dat zij precies evenveel tijd doorbrengt met ieder van de ouders. Voor [minderjarige] is het wel belangrijk dat zij weet wanneer zij bij welke ouder is en dat zij weet dat daarover goede afspraken bestaan tussen de ouders. Voor haar emotionele veiligheid dienen de ouders deze keuzes voor [minderjarige] te maken, los van de vraag of [minderjarige] het daarmee eens is. Zij is nog te jong om een eigen mening te vormen.
De raad vindt het wijzigen van de schoolinschrijving niet in het belang van [minderjarige] . Zij gaat sinds kort voor het eerst naar school. Dat is een belangrijke wijziging in haar leven. Dit nog een keer veranderen is niet in haar belang, aldus de raad.
De beoordeling door het hof
5.7
Tussen de ouders is niet in geschil dat het feit dat [minderjarige] inmiddels naar school gaat een wijziging van omstandigheden is, zodat het hof toekomt aan de beoordeling van de verzoeken van de vader.
5.8
[minderjarige] is geboren [in] 2021. De ouders hebben tot juli 2023 een relatie gehad. Sinds september 2023 wonen de moeder en [minderjarige] in [plaats B] . Daar ging [minderjarige] sindsdien ook naar het kinderdagverblijf. Sinds november 2024 staat [minderjarige] onder toezicht van de GI. Tot de bestreden beschikking verbleef [minderjarige] in het kader van een co-ouderschapsregeling om de week bij een van de ouders.
Vervangende toestemming inschrijving basisschool
5.9
Het hof is van oordeel dat de vervangende toestemming om [minderjarige] in te schrijven op basisschool [X] in [plaats C] in stand moet blijven. Dit is meer in het belang van [minderjarige] dan het wijzigen van school, zoals de vader verzoekt. [minderjarige] gaat inmiddels al langer dan een half jaar naar deze school en zij is hieraan gewend geraakt. Bovendien is uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep gebleken dat het goed gaat met [minderjarige] op school. Ook was de inschrijving van [minderjarige] op deze school een logische stap, omdat zij in de buurt naar het kinderdagverblijf ging. Daarnaast is het voor de uitvoering van de zorgregeling tussen de ouders handiger en meer in het belang van [minderjarige] dat zij in [plaats C] naar school gaat. De moeder woont in [plaats B] en heeft daar al langere tijd dezelfde vaste baan. [plaats B] ligt naast [plaats C] . Voor de moeder is het niet doenlijk om voor aanvang van haar werkdag al heen en terug te moeten rijden naar en van [plaats A] om [minderjarige] naar school te brengen. Ook zal dit voor [minderjarige] veel extra reistijd inhouden en zou zij dan naar de voor- en naschoolse opvang moeten. Dat is niet nodig wanneer zij in [plaats C] naar school gaat. De vader is al meerdere jaren in staat gebleken om een paar dagen per week ’s ochtends en ’s middags heen en weer te reizen naar [plaats C] om [minderjarige] naar de opvang en naar school te brengen en haar daar ook weer op te halen. Mocht dit anders worden in verband met een nieuwe baan van de vader, waar ter zitting in hoger beroep nog geen zicht op bestond, dan zouden de ouders daarover moeten overleggen.
Zorgregeling
5.1
Ten aanzien van de zorgregeling is het hof van oordeel dat een week-op-week- afregeling, zoals de vader primair verzoekt, niet meer passend is in de huidige situatie. [minderjarige] moet iedere werkdag op school zijn en met een week-op-week-afregeling zou dit betekenen dat zij in de week bij de vader vijf dagen achtereen zowel in de ochtend als in de middag een aanmerkelijke reisafstand heeft, hetgeen het hof voor [minderjarige] te belastend vindt.
Wel ziet het hof aanleiding om de huidige zorgregeling uit te breiden met één dag extra bij de vader, zodat er meer rust ontstaat in het tweewekelijkse schema en [minderjarige] en de vader wat meer tijd met elkaar kunnen doorbrengen. Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder gezegd dat [minderjarige] op de maandagen en de dinsdagen het best bij haar kan zijn in verband met haar werk. Daarom zal het hof de zorgregeling als volgt wijzigen:
In de oneven weken zal [minderjarige] van woensdag na school tot maandag naar school bij de vader zijn. Zo hebben [minderjarige] en de vader een dag extra, voorafgaand aan het weekend dat [minderjarige] bij de vader verblijft. In de even weken blijft de zorgregeling hetzelfde: [minderjarige] is van woensdag op donderdag bij de vader.
Tot slot geeft het hof de vader mee dat het wellicht een idee is om een fiets op station [plaats C] te zetten, zodat hij zich in een kortere tijd van het station naar de school kan verplaatsen en het bezwaar van een trein eerder moeten nemen, wegvalt.
Schorsingsverzoek
5.11
De vader heeft gevraagd om schorsing van de werking van de bestreden beschikking. Nu het hof in de hoofdzaak heeft beslist, heeft de vader geen belang meer bij een beslissing op zijn verzoek om schorsing. Het hof zal dit verzoek van de vader dan ook afwijzen.
5.12
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar van 15 oktober 2025 voor zover het de zorgregeling betreft en in zoverre opnieuw beschikkende:
verdeelt de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de moeder zo dat [minderjarige] verblijft:
Week 1 / Oneven weken
• Maandag: bij de moeder;
• Dinsdag: bij de moeder;
• Woensdag: na school bij de vader;
• Donderdag: bij de vader
• Vrijdag: bij de vader;
• Zaterdag: bij de vader;
• Zondag: bij de vader;
Week 2 / Even weken
• Maandag: de vader brengt [minderjarige] naar school en [minderjarige] gaat na school naar de moeder;
• Dinsdag: bij de moeder;
• Woensdag: na school bij de vader;
• Donderdag: de vader brengt [minderjarige] naar school en [minderjarige] gaat na school naar de moeder;
• Vrijdag: bij de moeder;
• Zaterdag: bij de moeder;
• Zondag: bij de moeder;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;
wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Sturhoofd, mr. J.F. Miedema en mr. M.J. Vonk, in tegenwoordigheid van mr. W.J. Boon als griffier en is op 2 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.