ECLI:NL:GHAMS:2026:1583

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
200.363.820/01 OK
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing enquêteverzoek wegens ontbreken gegronde redenen voor twijfel aan beleid Novari

Novaton B.V. heeft een enquêteverzoek ingediend tegen Novari B.V., waarin zij stelde dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan het beleid en de gang van zaken bij Novari. Novaton voerde aan dat de financiële verhoudingen tussen de 50%-aandeelhouders uit balans zijn geraakt, met name vanwege een excessieve management fee voor Novaron, en dat Novaron niet bereid is tot overleg.

De Ondernemingskamer oordeelde dat de afspraken tussen partijen onderdeel zijn van een vaststellingsovereenkomst uit 2004, die geschillen tussen aandeelhouders en aan hen gelieerde vennootschappen beëindigde. De Kamer stelde vast dat het verzoek in wezen een wijziging van deze overeenkomst beoogt, waarvoor de enquêteprocedure niet is bedoeld.

Verder werd overwogen dat zowel Novaron als Novaton management fees ontvangen, waarbij het verschil niet zodanig is dat dit twijfel aan het beleid rechtvaardigt. Ook is vastgesteld dat alle jaarrekeningen tot en met 2024 met instemming van beide aandeelhouders zijn vastgesteld zonder protest tegen de afspraken.

Daarom wees de Ondernemingskamer het verzoek af en veroordeelde Novaton in de proceskosten. Het verzoek was niet onredelijk, maar onvoldoende onderbouwd om de enquête toe te wijzen.

Uitkomst: Het enquêteverzoek van Novaton wordt afgewezen wegens ontbreken van gegronde redenen voor twijfel aan het beleid en de gang van zaken bij Novari.

Uitspraak

proces-verbaal
__________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer: 200.363.820/01 OK
Proces-verbaal van het verhandelde ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam van 4 juni 2026.
Tegenwoordig zijn mr. mr. E. Loesberg, voorzitter, mr. J.M. de Jongh, en mr. I.A. van der Burg, raadsheren, en prof. drs. E. Eeftink en drs. V.G. Moolenaar, raden, in tegenwoordigheid van mr. G.M.C. van Breukelen en mr. H.W. Haksteeg, griffiers.
Aan de orde is de behandeling van het verzoekschrift van

NOVATON B.V.,

gevestigd te Zaandam (gemeente Zaanstad),
VERZOEK(ST)ER,
advocaat:
mr. G.T.J. Hoff, kantoorhoudende te Haarlem,
t e g e n

NOVARI B.V.,

gevestigd te Zaandam (gemeente Zaanstad),
VERWEERSTER,
advocaten:
mr. I.J.A. Taxen
mr. A.J. Rijsterborgh, kantoorhoudende te Rotterdam,
Hierna zullen partijen als volgt worden aangeduid:
  • verzoekster als Novaton;
  • verweerster als Novari;
Ter terechtzitting zijn aanwezig:
Van de zijde van Novaton:
  • mevrouw [dochter 1] , in haar hoedanigheid van bestuurder van Novaton;
  • mevrouw [moeder] ;
  • mevrouw [dochter 2] , in haar hoedanigheid van bestuurder van Novaton;
allen bijgestaan door mr. Hoff voormeld.
Van de zijde van Novari:
- de heer [indirect bestuurder 1] , in zijn hoedanigheid van bestuurder en (indirect via Novaron B.V., hierna: Novaron) aandeelhouder van Novari, bijgestaan door mr. I.J.A. Tax en mr. A.J. Rijsterborgh voormeld;
De voorzitter deelt mee dat de volgende stukken zijn ontvangen:
  • op 20 januari 2026 een enquêteverzoek, met producties 1 tot en met 7 van Novaton;
  • op 18 mei 2026 een verweerschrift, met producties 1 tot en met 9 van Novari;
  • op 26 mei 2026 een akte overlegging nadere producties, met producties 8 tot en met 11 van Novaton;
  • eveneens op 26 mei 2026 productie 10 van Novari.
De advocaten lichten de standpunten van de onderscheiden partijen toe aan de hand van aan de Ondernemingskamer en de wederpartij overgelegde spreekaantekeningen en onder overlegging van de op voorhand aan de Ondernemingskamer en de wederpartij gezonden nadere productie(s). Partijen en hun advocaten beantwoorden vragen van de Ondernemingskamer en verstrekken inlichtingen.
Partijen maken gebruik van de geboden gelegenheid om te repliceren onderscheidenlijk te dupliceren.
De voorzitter van de Ondernemingskamer schorst de behandeling ter terechtzitting.
Na hervatting van de behandeling deelt de voorzitter mede dat mondeling uitspraak zal worden gedaan.
De Ondernemingskamer doet als volgt mondeling uitspraak:
1. Novaton en Novaron zijn ieder 50%-aandeelhouder van Novari. Novaron is statutair bestuurder van Novari. Novari is eigenaar van enkele vastgoedobjecten in Zaandam en verhuurt deze.
2. Tot zijn overlijden in november 2023 was [vader] (hierna: [vader] ) enig aandeelhouder van Novaton. Op dit moment worden alle aandelen in Novaton gehouden door de erfgenamen van [vader] : zijn weduwe en zijn kinderen. [indirect bestuurder 1] is enig aandeelhouder van Novaron.
3. Tussen [vader] en [indirect bestuurder 1] en tussen vennootschappen waarin (een van) beiden, al dan niet met enkele medeaandeelhouders participeerden, zijn op enig moment geschillen ontstaan. Daarbij waren onder meer betrokken Concrete Real Estate B.V. (hierna: Concrete), Nocht & Wille B.V., Paleis op de Dam B.V. (hierna: Paleis op de Dam). Deze geschillen zijn geëindigd in een overeenkomst van 28 januari 2004 waarin onder meer het volgende is bepaald:
“Partijen (…) nemen het navolgende in aanmerking:
(…)
- Novaton en Novaron zijn ieder 50% houder van het geplaatste aandelenkapitaal van Novari;
- [vader] is (enig) bestuurder van Nocht & Wille en van Concrete;
- [vader] en [indirect bestuurder 1] zijn ieder - krachten s overeenkomst tussen beiden uitsluitend - gezamenlijk tot vertegenwoordiging van Novari bevoegd;
- tussen Novaron en Concrete is een kort geding aanhangig bij de rechtbank te Haarlem naar aanleiding van door Novaron ten laste van Concrete gelegde conservatoire beslagen wegens een door Novaron op Concrete gepretendeerde vordering wegens onrechtmatig handelen (…). Ook de bodemprocedure in deze kwestie is aanhangig bij de rechtbank te Haarlem;
- krachtens overeenkomst én een betekend verstekvonnis van de rechtbank te Haarlem van 12 november 2003 (…), zijn Novaton, (…) en (…) gehouden de aandelen van (…) in Concrete over te nemen (…);
- Novaton en/of [vader] is door de rechtbank te Haarlem veroordeeld tot betaling aan de boedel van de tekorten in het faillissement van [Paleis op de Dam], wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur;
(…)
Partijen wensen hun geschillen te beëindigen en komen daartoe als volgt.
(…)
8. [indirect bestuurder 1] /Novaron zal voor zijn werkzaamheden als bestuurder van Concrete en/of Novari vanaf 1 februari 2004 een vaste management fee ontvangen totaal groot € 4.000 exclusief BTW per maand.
[vader] /Novaton zal voor de door hem voor Concrete en/of Novari te verrichten werkzaamheden vanaf 1 februari 2004 een vaste management fee ontvangen groot € 2.000,- exclusief BTW per maand. Deze vergoedingen worden jaarlijks, met ingang van 1 januari 2005, met 5% verhoogd.
In 2004 zal door Novari aan [vader] /Novaton een eenmalige vergoeding wegens verrichte diensten op declaratie worden voldaan van € 17.879,-- excl. BTW. (…)
10. Voor het geval zich in (…) Novari een situatie voordoet waarin de besluitvorming in de algemene vergadering van aandeelhouders verlamd is door een verschil van inzicht, incomptabilité d'humeur of anderszins, zal ieder der aandeelhouders gerechtigd zijn een bindend oordeel van een onafhankelijke derde-deskundige te vragen. (…)”
4. Novaton heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van Novari en dat de toestand van de vennootschap nodig maakt dat onmiddellijke voorzieningen worden getroffen. Als toelichting heeft Novaton – samengevat – naar voren gebracht dat de financiële verhoudingen tussen de 50%-aandeelhouders in de loop van de tijd uit het lood zijn geslagen. De management fee van Novaron is excessief. Novaron weigert als bestuurder van Novari mee te werken aan een meer evenwichtige regeling van de management fees. Novari en Novaron zijn niet bereid tot overleg, aldus Novaton.
5. Novaron heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De Ondernemingskamer zal hieronder waar nodig op dit verweer ingaan.
6. De Ondernemingskamer is van oordeel dat er geen gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Novari. De afspraken zijn onderdeel van een overeenkomst die destijds is aangegaan ter beëindiging van geschillen tussen verschillende partijen, waaronder [vader] en [indirect bestuurder 1] en aan hen gelieerde vennootschappen. De overeenkomst moet daarom worden aangemerkt als vaststellingsovereenkomst (hierna: VSO). De VSO bevat een groot aantal elementen die onderling samenhangen en waarvoor de verschillende partijen over en weer hebben moeten geven en nemen.
7. Het verzoek strekt in de kern tot wijziging van de VSO. Voor een dergelijke vermogensrechtelijke kwestie is de enquêteprocedure niet in het leven geroepen. De weigering van Novaron als bestuurder van Novari daarover het gesprek te voeren kan althans op dit moment niet worden aangemerkt als een gegronde reden om te twijfelen aan een juist beleid of juiste gang van zaken. Daarbij voorziet de VSO bij geschillen tussen partijen nog in de mogelijkheid van bindend advies. Ten overvloede merkt de Ondernemingskamer nog op dat niet alleen Novaron maar ook Novaton een management fee ontvangt die de helft van de fee van Novaron bedraagt. Het moge zo zijn dat de management fee van Novaron jaarlijks met 5% groeit, maar dat geldt ook voor de management fee van Novaton die daarvoor geen prestatie levert. Het verschil tussen beide fees is niet zo groot dat daarin grond voor twijfel aan het beleid of de gang van zaken kan zijn gelegen. Dat geldt te minder indien inflatie sinds 2004 en de waardeontwikkeling van het vastgoed in het algemeen in aanmerking wordt genomen. Aangenomen mag worden dat ten minste een aanzienlijk deel van de management fee feitelijk een voorschot op het dividend behelst. Ook moet worden bedacht dat alle jaarrekeningen tot en met 2024 met instemming van beide aandeelhouders zijn vastgesteld, terwijl niet is gebleken dat [vader] ooit heeft geprotesteerd tegen de in de VSO vastgelegde afspraak over de management fees.
8. Hierop stuit het enquêteverzoek af. De Ondernemingskamer zal Novaton – als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van de procedure. Niet kan worden geoordeeld dat het verzoek niet op redelijke gronden is gedaan. De proceskosten zullen worden berekend aan de hand van het gebruikelijke liquidatietarief.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing:

De Ondernemingskamer:

a. wijst het verzoek van Novaton af;
veroordeelt Novaton in de kosten van de procedure tot op heden aan de kant van Novari en Novaron begroot op € 4.721.
verklaart deze beschikking met betrekking tot de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
De voorzitter meldt dat een proces-verbaal van de mondelinge behandeling met de schriftelijke uitwerking van beslissing wordt opgemaakt en aan partijen wordt toegezonden.
De voorzitter sluit de behandeling ter terechtzitting.
Waarvan proces-verbaal,