Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1586

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
200.352.214/01 en 200.352.214/02
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253n BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging beëindiging gezamenlijk gezag en toekenning eenhoofdig gezag aan moeder

De zaak betreft het gezag over twee minderjarige kinderen en hun hoofdverblijfplaats. De rechtbank had het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd en de moeder het eenhoofdig gezag toegekend. De vader ging hiertegen in hoger beroep en verzocht het gezamenlijk gezag te handhaven en de hoofdverblijfplaats bij de moeder te bepalen. De moeder steunde de beslissing over het gezag en wilde tevens de hoofdverblijfplaats bij haar laten vaststellen.

In de procedure werd duidelijk dat de ouders een langdurig verstoorde verstandhouding hebben, waarbij communicatie en overleg over de kinderen niet mogelijk zijn. De vader heeft de kinderen sinds 2023 niet fysiek gezien en beperkt contact via begeleid videobellen. Diverse instanties, waaronder de gecertificeerde instelling en de Raad voor de Kinderbescherming, adviseren tegen gezamenlijk gezag vanwege de problematiek, waaronder vermoedens van intieme terreur en dwingende controle door de vader.

Het hof oordeelt dat het gezamenlijk gezag terecht is beëindigd en dat het eenhoofdig gezag aan de moeder toekomt, omdat gezamenlijk gezag niet in het belang van de kinderen is gezien de onmogelijkheid tot overleg en besluitvorming. Het verzoek van de vader tot schorsing van de beschikking wordt niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats behoeft geen verdere beoordeling nu de moeder het eenhoofdig gezag heeft.

De beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd, waarmee de moeder voortaan het gezag over de kinderen uitoefent.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het gezamenlijk gezag en kent het eenhoofdig gezag toe aan de moeder.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummers: 200.352.214/01 en 200.352.214/02
zaaknummer rechtbank: C/15/355206 / FA RK 24-3885
beschikking van de meervoudige kamer van 9 juni 2025 in de zaak van
[de vader] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verzoeker in principaal hoger beroep,
verweerder in incidenteel hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. P.J. van de Pol te Haarlem ,
en
[de moeder] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verweerster in principaal hoger beroep,
verzoekster in incidenteel hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. E.B.R. van Griethuysen te Haarlem .
Het hof heeft als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] );
- de minderjarige [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ).
Het hof heeft daarnaast als informant aangemerkt:
- de gecertificeerde instelling Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers (hierna: de GI).
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Alkmaar,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over het gezag over [minderjarige 1] (8 jaar) en [minderjarige 2] (7 jaar) (hierna: de kinderen) en hun hoofdverblijfplaats.
1.2
De rechtbank heeft het gezamenlijk gezag van partijen over de kinderen beëindigd en de moeder alleen met het gezag over hen belast. De vader is het daarmee niet eens en wil dat het gezamenlijk gezag van partijen in stand blijft. De moeder is het eens met de beslissing over het gezag en wil dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar wordt bepaald.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 11 maart 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank) van 12 december 2024 (hierna: de bestreden beschikking). Het beroepschrift bevat tevens een verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking (zaaknummer 200.352.214/02).
2.2
De moeder heeft op 28 april 2025 een verweerschrift in het hoger beroep en in het schorsingsverzoek ingediend, met daarin ook een (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep.
2.3
De vader heeft op 10 juni 2025 een verweerschrift in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de vader van 21 maart 2025, met bijlage;
- een bericht van de zijde van de moeder van 18 september 2025, met bijlage.
2.5
De vader heeft op 19 september 2025 per e-mail zelf een verzoek tot wraking ingediend van de raadsheren Van de Beek, Troost en Brunt. Hierdoor kon de oorspronkelijk geplande zitting van 22 september 2025 geen doorgang vinden. Op 6 oktober 2025 is door de advocaat van de vader, na daartoe door de wrakingskamer in de gelegenheid te zijn gesteld, per schriftelijk stuk de wraking verzocht van genoemde raadsheren. Ter zitting van de wrakingskamer is het verzoek ten aanzien van de raadsheren Troost en Brunt door de vader ingetrokken. Het wrakingsverzoek ten aanzien van de raadsheer Van de Beek is bij beslissing van de wrakingskamer van 10 december 2025 afgewezen.
2.6
Nadien heeft het hof het volgende stuk ontvangen:
- een bericht van de vader van 24 maart 2026, met bijlagen.
2.7
De zitting heeft op 16 april 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- de moeder, bijgestaan door mr. A.A.I. Ghonim, waarnemend voor mr. Van Griethuysen;
- een vertegenwoordiger van de GI, en
- de raad, vertegenwoordigd door S. Molenaar.
Beide advocaten hebben op de zitting een pleitnotitie overgelegd.

3.De feiten

3.1
Uit de relatie van de vader en de moeder die volgde op hun ontbonden huwelijken zijn geboren:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2017 te [plaats] ;
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2019 te [plaats] .
De vader heeft de kinderen erkend. Partijen oefenden tot de bestreden beschikking gezamenlijk het gezag uit over de kinderen. De kinderen wonen bij de moeder.
3.2
Bij beschikking van 7 maart 2022 van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland (hierna: de kinderrechter) zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar. Deze maatregel is nadien steeds verlengd, de laatste keer bij beschikking van de kinderrechter van 4 maart 2026 voor de duur van een jaar tot 7 maart 2027.
3.3
Bij beschikking van 14 juni 2023 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de gezaghebbende moeder voor de duur van vier weken verleend. Vervolgens is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de gezaghebbende moeder telkens verlengd tot 7 maart 2025.
3.4
Bij beschikking van de rechtbank van 28 februari 2024 is vervangende toestemming voor de medische behandeling, inhoudende een traumabehandeling, voor de kinderen verleend en is vervangende toestemming voor de medische behandeling van [minderjarige 1] , inhoudende psychodiagnostisch onderzoek, verleend.
3.5
Bij beschikking van de kinderrechter van 22 oktober 2025 is een omgangsregeling vastgesteld tussen de vader en de kinderen waarbij de vader elke eerste woensdag van het nieuwe kwartaal van 15.00 – 15.20 uur (verdeeld over de twee kinderen) begeleid videobellen.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking op het verzoek van de moeder bepaald dat het gezamenlijk gezag van partijen over de kinderen wordt beëindigd en dat aan de moeder voortaan alleen het gezag over de kinderen toekomt. Het verzoek van de moeder om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen, heeft de rechtbank afgewezen.
4.2
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het verzoek van de moeder tot het beëindigen van het gezamenlijk gezag van partijen alsnog af te wijzen en het verzoek van de moeder met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van de kinderen toe te wijzen.
4.3
De moeder verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen voor zover die ziet op het gezag over de kinderen en haar verzoek om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen alsnog toe te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader
5.1
Uit artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond van waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De standpunten
5.2
De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte het gezamenlijk gezag over de kinderen heeft beëindigd. De vader heeft recent geen gedrag vertoond waardoor de kinderen klem of verloren kunnen raken. De vader heeft al drie jaar nauwelijks contact met de kinderen en ziet ze uitsluitend via beeldbellen eens per kwartaal. Er is volgens de vader geen sprake van een langdurige en voortgaande strijd tussen de ouders. De vader is door de GI en de Blijf Groep onterecht als dader van intieme terreur aangeduid.
Hoewel de rechtbank heeft gesteld dat ouderlijk gezag losstaat van de omgang tussen de vader en de kinderen, is het in deze zaak van belang dat de vader het gezag behoudt. De vader wordt nu ook niet meer betrokken bij de verlenging van de ondertoezichtstelling, aangezien hij uitsluitend als informant wordt geraadpleegd. Enerzijds wordt erkend dat hij zijn rol als betrokken ouder niet moet verliezen, anderzijds wordt zijn positie gemarginaliseerd.
5.3
De moeder stelt dat de rechtbank terecht het gezamenlijk gezag van de ouders heeft beëindigd en haar heeft belast met het eenhoofdig gezag over de kinderen. Gezamenlijk gezag acht zij onmogelijk: er is geen communicatie tussen de ouders, en contact wordt door betrokken hulpverleners, waaronder de GI en de Blijf-groep, afgeraden vanwege een sterke verdenking van intiem terreur en dwingende controle door de vader. Ook parallel solo-ouderschap is niet haalbaar.
De kinderen hebben onder andere psychische hulp nodig, waarvoor snelle afstemming en besluitvorming noodzakelijk is. De ouders verschillen fundamenteel van inzicht over wat goed is voor de kinderen. De vader verzet zich tegen de ondertoezichtstelling en de adviezen van de GI. Voortzetting van gezamenlijk gezag is niet wenselijk, omdat dit de bescherming en belangen van de kinderen zou schaden en voortdurende tussenkomst van de GI zou vereisen.
De kinderen hebben rust en continuïteit nodig. Omgang met de vader blijft wel gewenst, mits dit gebeurt in samenwerking met de GI en de vader verantwoordelijkheid neemt voor zijn aandeel in de problematiek.
5.4
De GI heeft tijdens de zitting het volgende aangegeven. De GI acht het niet wenselijk dat de vader mede belast is met het gezag over de kinderen. Hoewel er momenteel geen aanwijzingen zijn dat de situatie voor de moeder onveilig is, is het tegelijkertijd onduidelijk wat de gevolgen zouden zijn voor haar veiligheid als de ouders opnieuw contact met elkaar zouden hebben.
De GI heeft voorwaarden opgesteld voor een eventuele uitbreiding van de omgang tussen de kinderen en de vader. Deze omvatten onder meer deelname aan diagnostiek en behandeling bij De Waag, het niet belasten van de kinderen met zijn negatieve gevoelens, en het accepteren van zijn eigen aandeel in het conflict zonder dit bij de gezinsvoogd of de moeder neer te leggen. Tot op heden heeft de vader hieraan nog geen gevolg gegeven.
Advies van de raad
5.5
De raad heeft tijdens de zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. Het is in het belang van de kinderen dat geen sprake is van gezamenlijk gezag. De ouders konden geen overeenstemming bereiken over de uitoefening van het gezag, waardoor noodzakelijke beslissingen niet konden worden genomen. Ook na de beëindiging van het gezamenlijke gezag is het nog niet gelukt om fysieke omgang tussen de kinderen en de vader tot stand te brengen, wat de bestaande problematiek onderstreept. De ouders zijn niet in staat gezamenlijk beslissingen te nemen, terwijl dit essentieel is voor het welzijn van de kinderen. De raad benadrukt dat de vader beter geïnformeerd moet worden door de GI over de ontwikkelingen van de kinderen.
De beoordeling door het hof
5.6
Het hof is van oordeel dat de rechtbank het gezamenlijk ouderlijk gezag terecht heeft beëindigd en de moeder met het eenhoofdig gezag over de kinderen heeft belast.
5.7
Het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders het gezag gezamenlijk uitoefenen. Volgens vaste jurisprudentie brengt het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders niet zonder meer mee dat in het belang van het kind het gezag aan één van de ouders moet worden toegekend. Wel is voor gezamenlijk gezag vereist dat de ouders daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijk overleg over zaken die de minderjarige aangaan en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen, zodanig dat het kind niet klem of verloren raakt tussen de ouders.
5.8
Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat tussen de ouders al lange tijd een zeer moeizame verstandhouding bestaat. De ouders hebben in 2000 een relatie gekregen en zijn daarna tot tweemaal toe met elkaar getrouwd. Zij zijn in 2013 en in 2015 gescheiden, maar daarna weer bij elkaar gekomen. Zij hebben toen hun twee kinderen gekregen. In 2021 eindige de relatie definitief. De kinderen woonden aanvankelijk bij de vader, waarbij de kinderen en de moeder een aantal maanden geen contact met elkaar hebben gehad. Sinds 14 juni 2023 wonen de kinderen weer bij de moeder, nadat de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing bij de moeder had verleend. De ouders hebben beiden een verschillend perspectief op de gebeurtenissen die zich tijdens hun relatie en daarna hebben voorgedaan. De moeder heeft aangevoerd dat tijdens de relatie van de ouders en ook daarna sprake is geweest van jaloers en dwingend controlerend gedrag van de vader jegens de moeder, van bedreiging en chantage door het maken van film- en geluidsopnamen en het vervolgens op Youtube plaatsen en verspreiden onder bekenden. De moeder heeft zich getreiterd en gekleineerd gevoeld door de vader, wat een grote weerslag op haar functioneren heeft gehad. De vader heeft deze aantijgingen ontkend en de situatie anders ervaren.
De Blijf Groep, waar de moeder en de kinderen in 2023 verbleven, heeft in een brief van 11 maart 2024 signalen van intieme terreur/dwingende controle die de vader op de moeder uitoefende beschreven. Dit zou ertoe hebben geleid dat de moeder steeds meer geïsoleerd raakte en er sprake was van een ongelijke machtsverhouding tussen de ouders. Sinds eind 2024 woont de moeder samen met de kinderen weer in een eigen woning, op een voor de vader geheim adres. Communicatie tussen de ouders wordt sindsdien, en ook nu nog, ten zeerste afgeraden door alle betrokken hulpverlenende instanties, waaronder de GI en de Blijfgroep. Beide ouders hebben tijdens de zitting verklaard geen contact met elkaar te hebben en daarvoor op dit moment ook niet open te staan. De vader heeft de kinderen sinds 2023 niet meer fysiek gezien. Sinds de beschikking van de kinderrechter van 22 oktober 2025 ziet de vader de kinderen elke eerste woensdag van het nieuwe kwartaal van 15:00 uur tot 15:20 uur (verdeeld over de twee kinderen) via begeleid videobellen
5.9
De communicatie tussen de ouders is ernstig verstoord en tussen partijen is al jarenlang geen overleg over de kinderen mogelijk. Gedurende de periode dat de ouders het gezamenlijk gezag over de kinderen hebben gehad, is het ze niet gelukt om afspraken te maken over situaties die zich rond de kinderen kunnen voordoen. Zo zijn er door de GI drie schriftelijke aanwijzingen gegeven aan de vader, was er vervangende toestemming nodig voor medische behandelingen van de kinderen en was er (kennelijk) een procedure nodig voor de afgifte van de paspoorten van de kinderen. Er is mede vanwege veiligheidsredenen geen enkel contact tussen de ouders en enig overleg is niet mogelijk, ondanks de langdurige betrokkenheid van hulpverlening. Het hof ziet dan ook geen aanwijzingen dat partijen in de nabije toekomst wel op ouderniveau op enige manier met elkaar zullen kunnen overleggen over de kinderen. Daarbij komt dat de kinderen hun vader inmiddels drie jaar niet fysiek hebben gezien en slechts 10 minuten per kwartaal spreken via videobellen. Hierdoor heeft de vader beperkt zicht op de kinderen, waardoor het voor hem moeilijk is om aan te sluiten bij de ontwikkeling van de kinderen en gezagsbeslissingen in hun belang te nemen. De kinderen wonen bij de moeder en zij dient in voorkomende gevallen beslissingen voor en over de kinderen te kunnen nemen zonder dat dit uitmondt in een (juridische) strijd tussen de ouders en de kinderen nog verder klem komen te zitten. Onder deze omstandigheden acht het hof het dan ook noodzakelijk dat geen sprake meer is van gezamenlijke gezag van partijen. Wijziging van het gezag is in het belang van de kinderen noodzakelijk. De kinderen wonen bij de moeder en worden door hen verzorgd en opgevoed. De kinderrechter heeft dan ook terecht beslist dat het gezag over de kinderen aan de moeder toekomt. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen. Nu de moeder het eenhoofdig gezag over de kinderen houdt heeft zij geen belang bij het voorwaardelijke verzoek tot het bepalen van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar. Dit voorwaardelijke verzoek zal dan ook niet verder worden beoordeeld.
Schorsingsverzoek
5.1
De vader verzoekt schorsing van de werking van de bestreden beschikking.
5.11
Nu het verzoek tot schorsing gelijktijdig met de hoofdzaak is behandeld en het hof daarop bij onderhavige beschikking zal beslissen, bestaat geen belang meer bij een beslissing op de verzochte schorsing van de werking van de bestreden beschikking. De vader zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in dit verzoek.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking;
wijst af het in hoger beroep anders of meer verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. D.H. Steenmetser-Bakker en mr. G.J. Baken, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 9 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.