Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1592

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
200.361.388/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BWArt. 8 EVRMArt. 9 lid 3 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging afwijzing verzoek omgangsregeling moeder met minderjarige vanwege trauma en kwetsbaarheid

De zaak betreft het hoger beroep van een moeder tegen de afwijzing van haar verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling met haar 8-jarige dochter, die onder toezicht staat en in een pleeggezin woont. De rechtbank had het verzoek afgewezen en het hof bekrachtigt deze beslissing.

De minderjarige kampt met PTSS en hechtingsproblemen, veroorzaakt door vroegkinderlijk trauma en eerdere incidenten, waaronder een psychotische uitbarsting van de moeder. De traumabehandeling is stopgezet vanwege vermijdingsgedrag, en de huidige prioriteit ligt bij het versterken van de hechting met het pleeggezin. De moeder zelf is opgenomen in een kliniek vanwege een psychotische stoornis.

Het hof overweegt dat omgang met de moeder op dit moment schadelijk is voor de ontwikkeling en traumaverwerking van de minderjarige. Het belang van het kind weegt zwaarder dan het omgangsrecht van de moeder. Het hof wijst het verzoek af en bekrachtigt de bestreden beschikking, met het oog op de kwetsbaarheid en het welzijn van het kind.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling vanwege het belang en de kwetsbaarheid van het kind.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.361.388/01
zaaknummer rechtbank: C/13/771068 / FA RK 25-4574
beschikking van de meervoudige kamer van 9 juni 2026 in de zaak van
[de moeder],
wonende op een geheim adres,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. M. ter Haar-Bas te Rotterdam,
en
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te [plaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna: de GI,
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] );
- de gezinshuisouders van [minderjarige] van het Gezinshuis.
Het hof heeft als informant aangemerkt:
- [naam] van Coachpoint (hierna: de ambulant begeleider).
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de omgang tussen de moeder en [minderjarige] (8 jaar).
De rechtbank heeft het verzoek van de moeder om een (begeleide) omgangsregeling vast te stellen tussen haar en [minderjarige] , afgewezen. De moeder is het daarmee niet eens en wil dat er alsnog een omgangsregeling wordt vastgesteld. De GI is het wel eens met de beslissing van de rechtbank.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 11 november 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 21 oktober 2025 (hierna: de bestreden beschikking).
2.2
De GI heeft op 6 januari 2026 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast het volgende stuk ontvangen:
- een bericht van de GI van 15 april 2026, met bijlage.
2.4
De zitting heeft op 16 april 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en vergezeld door haar ambulant begeleidster [naam] ;
- de raad, vertegenwoordigd door S. Molenaar.
Een vertegenwoordiger van de GI, een collega van de vertegenwoordiger van de GI en de gezinsbegeleider van de gezinshuisouders hebben via een videoverbinding deelgenomen aan de zitting.

3.De feiten

3.1
De moeder is de ouder van:
- [minderjarige] , geboren te [plaats B] [in] 2018.
3.2.
[minderjarige] is in 2028 onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming [plaats C] . De ondertoezichtstelling is vervolgens telkens verlengd tot 4 juli 2020.
3.3
Bij beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 13 februari 2019 is de Stichting Jeugdbescherming [plaats C] vervangen door Jeugdbescherming [plaats D] .
3.4
Bij beschikking van 24 juni 2019 is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg. [minderjarige] woont sindsdien in een pleeggezin/gezinshuis (op een geheim adres).
3.5
Bij beschikking van 15 juni 2020 heeft de rechtbank Rotterdam het gezag van de moeder over [minderjarige] beëindigd en Jeugdbescherming [plaats E] tot voogd over [minderjarige] benoemd. Deze beslissing is bekrachtigd bij beschikking van 9 december 2020 van het gerechtshof Den Haag.
3.6
Bij beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen van 17 juni 2020 is een verzoek van de moeder om een omgangsregeling vast te stellen, afgewezen. Er is wel een informatieregeling vastgesteld, te weten dat Jeugdbescherming [plaats E] eenmaal per maand informatie verstrekt over [minderjarige] bestaande uit ( 1) twee recente foto's van [minderjarige] , (2) een recent filmpje van [minderjarige] en (3) relevante informatie over [minderjarige] aangaande haar welzijn, gezondheid en dagelijkse bezigheden. Deze beslissing is bij beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 maart 2021 bekrachtigd.
3.7
Bij beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 11 november 2021 is de voogdij over [minderjarige] overgedragen aan de GI.
3.8
De rechtbank heeft in een beschikking van 18 oktober 2023 het verzoek van de moeder om een omgangsregeling vast te stellen tussen haar en [minderjarige] afgewezen. Deze beschikking van de rechtbank is bekrachtigd bij beschikking van dit hof van 2 juli 2024.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, het verzoek van de moeder tot het vaststellen van een omgangsregeling afgewezen. Dit verzoek hield in dat tussen de moeder en [minderjarige] een omgangsregeling zou gelden waarbij de omgang plaatsvindt in het ( [plaats] ) Omgangshuis, onder begeleiding van het Omgangshuis en op een door het Omgangshuis te bepalen dag en tijdstip, waarbij wordt toegewerkt naar een gefaseerde uitbreiding van de omgang, met dien verstande dat [minderjarige] na deze uitbreiding om de week onbegeleid een dagdeel bij de moeder verblijft en tweemaal per jaar onbegeleid bij haar verblijft met overnachting.
4.2
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, dat (alsnog) de volgende omgangsregeling wordt vastgesteld:
de omgang vindt plaats onder begeleiding van Coach-Point of onder begeleiding van het ( [plaats] ) Omgangshuis of onder begeleiding van een andere deskundige, waarbij de omgang zal plaatsvinden minimaal eenmaal per drie maanden op een door de betreffende begeleider te bepalen locatie, dag en tijdstip, waarbij toegewerkt wordt naar een gefaseerde uitbreiding van de omgangsregeling, met dien verstande dat na een gefaseerde uitbreiding [minderjarige] om de week onbegeleid een dagdeel bij de moeder verblijft en tweemaal per jaar onbegeleid bij de moeder verblijft met overnachting, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht, kosten rechtens.
4.3
De GI verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het verzoek van de moeder af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader
5.1
Uit artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de niet met het gezag belaste ouder recht heeft op omgang met zijn kind. Dat recht wordt ook gewaarborgd door artikel 8 EVRM Pro van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 9 lid 3 van Pro het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). De rechter stelt ingevolge artikel 1:377a lid 2 BW een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
De standpunten
5.2
De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank om haar verzoek tot het vaststellen van een (begeleide) omgangsregeling met [minderjarige] af te wijzen. Zij meent dat het voor een evenwichtige ontwikkeling van [minderjarige] , met inachtneming van haar kwetsbaarheid, in haar belang is dat zij haar moeder leert kennen. De omgang zou begeleid en gefaseerd moeten plaatsvinden, met de mogelijkheid voor een veilige en neutrale plek, zoals Coach-Point of een Omgangshuis, welke organisatie ook zou kunnen monitoren en adviseren over de voortgang. De GI heeft geen concrete stappen gezet richting contactherstel, hoewel de rechtbank in eerdere uitspraken heeft benadrukt dat dit gestimuleerd moet worden.
5.3
De GI meent dat de rechtbank een juiste beslissing heeft genomen. Volgens de GI is contact tussen de moeder en [minderjarige] niet in het belang van [minderjarige] . Deze mening is sinds de zitting bij de rechtbank niet veranderd. [minderjarige] zit momenteel nog midden in haar behandeling. De ideeën die de moeder aandraagt ten aanzien van fysiek contact tussen haar en [minderjarige] onder begeleiding van een professional, zijn volgens de GI nu te prematuur en niet passend bij hetgeen [minderjarige] nu aankan. De GI mist het vertrouwen van de moeder dat de GI er alles aan doet om te zorgen dat het goed gaat met [minderjarige] en dat zij er uiteindelijk weer aan toe zal zijn om fysiek contact te kunnen hebben met haar moeder. Het is geenszins het doel van de GI om contact tussen de moeder en [minderjarige] tegen te houden.
5.4
De gezinsbegeleider heeft op de zitting het volgende verklaard. [minderjarige] is een meisje met vroegkinderlijk trauma, waardoor zij gedurende de hele dag stress ervaart. Het gezinshuis probeert voor haar de wereld wat dragelijker te maken. [minderjarige] weet wie haar moeder is en zij krijgt af en toe wat over haar te horen.
Het advies van de raad
5.5
De raad adviseert om de bestreden beschikking te bekrachtigen. Hoewel de wens van de moeder zeer invoelbaar is, brengt omgang met de moeder nu een bedreiging voor de ontwikkeling van [minderjarige] met zich mee. Indien in de toekomst sprake is van een verbetering van de situatie van [minderjarige] en de moeder, kan een heroverweging tot omgang plaatsvinden. Momenteel ontbreekt echter perspectief op een constructieve omgang, waardoor nog geen start kan worden gemaakt met contact.
De beoordeling door het hof
5.6
Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken van het dossier en hetgeen op de zitting in hoger beroep is besproken, is onder meer het volgende gebleken. [minderjarige] is een kwetsbaar meisje van 8 jaar dat als baby al uit huis is geplaatst. [minderjarige] kampt met trauma (diagnose PTSS) en met hechtingsproblematiek, waardoor zij gedrag laat zien wat bovengemiddeld veel vraagt van haar opvoeders en gezinsleden. Daarnaast heeft zij veel zorg nodig vanwege haar visusbeperking. Na veel wisselingen van woonplek en pleeggezinnen, verblijft zij nu in het huidige pleeggezin (gezinshuis). Tijdens haar verblijf in een van de gezinnen, kwam de moeder bij dit huis en heeft zij in psychotische toestand een baksteen door de ruit gegooid, waardoor [minderjarige] bang is geworden. [minderjarige] heeft op enig moment traumabehandeling ontvangen. De traumabehandeling van [minderjarige] is echter stopgezet, omdat zij als coping vermijding liet zien, waardoor traumabehandeling op dat moment niet haalbaar bleek. Door de behandelaar werd geconcludeerd dat de hechting van [minderjarige] met de gezinshuisouders voorrang moest krijgen. Met de therapie van Theraplay wordt onder andere gewerkt aan dit doel. Uit de behandelsamenvatting en het advies van Theraplay van 24 maart 2026 (hierna: de behandelsamenvatting) blijkt dat nog onderzocht moet worden wat de mogelijkheden zijn voor [minderjarige] om een nieuwe periode trauma behandeling te krijgen. Voorwaarde daarvoor is rust en stabiliteit in haar huidige situatie en leefomgeving, zodat zij de behandeling goed kan verwerken. De gezinsbegeleider heeft tijdens de zitting verklaard dat [minderjarige] zich momenteel in een lastige fase bevindt. Zij laat zowel op school als in het gezinshuis zorgelijk gedag zien. [minderjarige] zit momenteel op een reguliere basisschool, maar zal op korte termijn de overstap maken naar speciaal onderwijs.
Verder is tijdens de zitting gebleken dat het momenteel ook niet goed gaat met de moeder. De moeder lijdt aan een psychische stoornis, te weten een psychotische stoornis, waarschijnlijk in het kader van schizofrenie. De rechtbank Rotterdam heeft in februari 2026 een zorgmachtiging voor een half jaar verleend ten behoeve van de moeder. Sinds februari 2026 is de moeder opgenomen in een kliniek van [X] , waar zij ten tijde van de mondelinge behandeling nog verbleef. De moeder krijgt antipsychotica.
5.7
Uit de behandelsamenvatting blijkt verder dat het noemen van haar moeder direct trauma triggers oproept bij [minderjarige] . Voor het slagen van een traumabehandeling is het volgens Theraplay noodzakelijk dat [minderjarige] zo min mogelijk spanning ervaart. De problematiek van [minderjarige] is niet gemakkelijk op te lossen, maar vergt lange, intensieve processen.
Het hof is van oordeel dat een omgangsregeling op dit moment in strijd is met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] . Het ontbreekt [minderjarige] aan draagkracht voor (begeleide) omgang met haar moeder. Het is van groot belang dat er, gelet op haar kwetsbaarheid, trauma en gedrag, voor [minderjarige] rust, structuur en voorspelbaarheid is, zodat zij kan toekomen aan het verwerken van de ingrijpende gebeurtenissen die in haar leven hebben plaatsgevonden. Het hof is, met de GI en de raad, dan ook van oordeel dat omgang met de moeder aan dit kwetsbare proces van traumaverwerking en het aangaan van een veilige hechtingsrelatie in de weg zal staan.
5.8
De moeder heeft een beroep gedaan op art. 8 EVRM Pro en de uitspraak van het EHRM van 15 april 2025 (Van Slooten/Nederland). Het hof oordeelt als volgt. Het voortduren van de situatie, waarbij de moeder geen (fysiek) contact heeft met [minderjarige] vormt een inmenging in het tussen de moeder en [minderjarige] bestaande ‘family life’ zoals beschermd door at. 8 EVRM. Die inbreuk is echter bij wet voorzien, dient een legitiem doel, en is noodzakelijk. Evident is dat de moeder [minderjarige] mist, en contact met haar wil. Ook is aannemelijk dat het tijdsverloop gevolgen heeft voor de verhouding tussen [minderjarige] en haar moeder. Dit alles moet echter worden afgewogen tegen het grote gewicht van het belang van [minderjarige] . Het hof verwijst kortheidshalve naar genoemd(e) behandelsamenvatting en advies van Theraplay van 24 maart 2026. De aard en ernst van het trauma van [minderjarige] , het aandeel dat de moeder daarin heeft gehad, de nog fragiele behandelresultaten van [minderjarige] , de noodzaak tot verdere behandeling, en de noodzaak tot het (zoveel mogelijk) vermijden van traumatriggers en situaties die [minderjarige] angstig maken, staan aan omgang in de weg. Het hof spreekt de hoop uit dat de moeder in staat zal zijn mee te werken aan het geadviseerde Voorbereidingsverhaal Traumaverwerking (VVT). Enige vorm van (fysiek) contact tussen moeder en [minderjarige] is thans echter in strijd met zwaarwegende belangen van [minderjarige] .
5.9
Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat het verzoek van de moeder tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen haar en [minderjarige] dient te worden afgewezen. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. D.H. Steenmetser-Bakker en mr. G.J. Baken, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 9 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.