Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1609

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
23-000732-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 63 SrArt. 416 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor opzetheling van gestolen gereedschap en accu's

Op 19 december 2024 werd verdachte aangehouden met een paardentrailer vol dozen en gereedschapskisten met gestolen gereedschap, accu's en acculaders, voorzien van stickers van het bedrijf van de benadeelde partij. Verdachte verklaarde de trailer recent te hebben gekocht en dozen voor vrienden naar Roemenië te vervoeren.

Het hof oordeelde dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat de goederen gestolen waren, en veroordeelde hem voor opzetheling. Medeplegen werd niet bewezen geacht vanwege onvoldoende bewijs over de andere inzittenden.

De benadeelde partij vorderde schadevergoeding, maar het hof verklaarde deze niet-ontvankelijk wegens onvoldoende onderbouwing. De straf werd vastgesteld op drie maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest, conform de ernst van het feit en persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Het hof vernietigde het eerdere vonnis en sprak verdachte vrij van overige tenlasteleggingen. De straf is passend geacht gezien de aard van het delict en de omstandigheden waaronder het is gepleegd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf voor opzetheling van gestolen gereedschap en accu's.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000732-25
datum uitspraak: 10 juni 2026
TEGENSPRAAK(gemachtigd raadsvrouw)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 18 maart 2025 in de strafzaak onder parketnummer 13-404175-24 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1997,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
27 mei 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 19 december 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (elektronisch) gereedschap (waaronder boormachines en/of schroefmachines) en/of accu's en/of acculaders, in elk geval een of meer goederen heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van deze goederen wist(en) dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een iets andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit. Zij heeft hiertoe – kort gezegd – aangevoerd dat het Openbaar Ministerie (OM) meent dat sprake is van voorwaardelijk opzet: gelet op de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de goederen van diefstal afkomstig waren.
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Zij heeft hiertoe – kort gezegd – aangevoerd dat de verdachte een concrete en verifieerbare verklaring over de herkomst van het gereedschap heeft afgelegd. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat het dossier geen blijk geeft van objectieve aanwijzingen die bij de verdachte hebben moeten leiden tot twijfel aan de legale herkomst van de goederen. Volgens de raadsvrouw is geen sprake van vreemde omstandigheden en rustte op de verdachte geen onderzoek plicht. Tot slot heeft de raadsvrouw gewezen op pagina 37 van het procesdossier: hoewel uit de bewijsoverweging van de politierechter volgt dat op de buitenkant van de dozen en kisten zichtbaar stickers van een bedrijf zaten, heeft de raadsvrouw aangevoerd dat op de foto (foto 3 op pagina 37) van de doos niet te zien is dat daar iets van een bouwbedrijf op staat.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt op basis van het dossier het volgende vast. Op 19 december 2024 is een voertuig met daarin vijf personen – waaronder de verdachte als bestuurder – met daarachter een paardentrailer staande gehouden. [1] Toen aan de verdachte werd gevraagd waarom hij met een paardentrailer aan het rijden was, verklaarde hij dat hij de trailer twee dagen geleden had gekocht en nu wat dozen voor vrienden naar Roemenië zou brengen waar hij € 200,00 voor zou krijgen. Bij het – met toestemming van de verdachte – doorzoeken van de paardentrailer troffen verbalisanten daar dozen en gereedschapskisten aan, met in die dozen meerdere stukken gereedschap, accu’s en acculaders. [2] Op een aantal gereedschapskisten en stukken gereedschap zat een sticker met daarop ‘vanBussel Tegelwerken’ en een telefoonnummer [3] van de latere aangever [aangever 1] , die in zijn aangifte [4] heeft verklaard dat in de nacht van 16 op 17 december 2024 verschillend gereedschap uit zijn bestelbus is gestolen. In dezelfde nacht is ook uit de bestelbus van aangever [aangever 2] gereedschap gestolen. [5] Uit het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten die de trailer hebben doorzocht, blijkt dat de paardentrailer vol stond met dozen en gereedschapskisten en dat de verbalisanten al stickers met de naam [aangever 1] zagen voordat zij de dozen openden. [6]
Uit onderzoek is gebleken dat een aantal stuks van het gestolen gereedschap gekoppeld kan worden aan de medeverdachte [medeverdachte] die op 19 december ook in het voertuig van de verdachte zat. [7] Deze medeverdachte is – zo heeft de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep laten weten en middels een e-mailbericht aan het hof en de raadsvrouw bevestigd – onherroepelijk veroordeeld voor diefstal in vereniging door middel van braak van – zo begrijpt het hof – onder meer de in de trailer aangetroffen goederen.
De verdachte heeft tijdens zijn verhoor [8] bij de politie verklaard dat hij de aanhangwagen heeft gekocht en pakketjes zou gaan verzamelen om voor ‘de jongens’ terug te brengen naar Roemenië, onder wie ene ‘ [persoon] ’ (het hof begrijpt: [persoon] ) die hij kent uit Rotterdam. De verdachte heeft verklaard dat hij € 200,00 zou krijgen voor de klus en dat hij heeft geholpen de pakketjes in de trailer te plaatsen. Daarnaast heeft hij verklaard dat hij niet wist wat in de pakketjes zat en niet wist dat de goederen gestolen waren. Wel heeft hij aan [persoon] gevraagd wat in de pakketjes zat, waarop hij het antwoord kreeg dat [persoon] klaar was met werken in de bouw en dat hij met de auto spullen terug wilde sturen naar Roemenië.
Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat in de trailer van de verdachte gestolen gereedschap en accu’s/acculaders zijn aangetroffen waarop – ook op gereedschap(kisten) buiten de dozen – zichtbaar stickers van onder meer het bedrijf van [bedrijf] zaten. Deze stickers moeten zichtbaar zijn geweest voor verdachte toen hij hielp met het inladen van de lading van de trailer. Verdachte heeft dus een grote hoeveelheid gereedschap onder zich genomen met daarop zichtbaar stickers van een andere partij dan degene die de lading aanbood, om deze in een paardentrailer naar Roemenië te vervoeren, zonder (kritisch) door te vragen naar de herkomst van de goederen of zelf onderzoek te doen naar de inhoud van de lading.
Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte door op deze manier goederen buiten de landsgrenzen te willen brengen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de goederen van diefstal afkomstig waren. Anders dan de politierechter is het hof van oordeel dat medeplegen niet bewezen kan worden, nu over de andere inzittenden van het voertuig niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld of zij betrokken zijn geweest bij de opzetheling van het gereedschap en de accu’s en/of acculaders. De verklaring van de verdachte dat hij de dozen van ene [persoon] uit Rotterdam voor vervoer in ontvangst heeft gekregen acht het hof niet aannemelijk, nu het dossier daarvoor geen enkele steun biedt en gelet op het gegeven dat de hierboven genoemde [medeverdachte] , die blijkens het verhandelde ter terechtzitting inmiddels onherroepelijk is veroordeeld voor de diefstal van de inbeslaggenomen goederen, die avond ook in de auto van de verdachte zat.
Hoewel de politierechter in de bewijsoverweging heeft opgenomen dat de stickers van [bedrijf] ook zaten op de dozen waarin het gestolen gereedschap is aangetroffen, constateert het hof met de raadsvrouw dat op foto 3 zoals opgenomen in het dossier op pagina 37 geen naam van een bouwbedrijf zichtbaar is. Het hof acht deze omstandigheid echter niet relevant, in aanmerking genomen dat deze foto slechts enkele (klaarblijkelijk lege) dozen laat zien en niet de (gehele) lading zoals die in de trailer door de verbalisanten werd aangetroffen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 19 december 2024 te Amsterdam, (elektronisch) gereedschap (waaronder boormachines en/of schroefmachines) en accu’s en acculaders, voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen, genoemd in de voetnoten, zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
opzetheling.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. Zij heeft daarbij – net als de officier van justitie in eerste aanleg – aansluiting gezocht bij zogenoemd mobiel banditisme.
De raadsvrouw heeft – naast de bepleite vrijspraak – het hof verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte: hij is werkzaam als chauffeur en kostwinner van het gezin. Hij draagt zorg voor zijn echtgenote – die kampt met suikerziekte – en zijn vier kinderen en ook zorgt hij voor zijn ernstig zieke moeder. Daarnaast heeft de raadsvrouw het hof verzocht om – in tegenstelling tot de advocaat-generaal – geen aansluiting te zoeken bij mobiel banditisme. De raadsvrouw heeft het hof verzocht een hogere geldboete of een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetheling van een grote hoeveelheid gereedschap en accu’s en acculaders. Heling is een hinderlijk feit dat schade en overlast bij de gedupeerden veroorzaakt en diefstal rendabel maakt. Door het handelen van de verdachte heeft hij er blijk van gegeven geen respect te hebben voor andermans eigendommen.
Het hof is met de advocaat-generaal en de politierechter van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere dan een vrijheidsbenemende straf, gezien de ernst van het feit. De verdachte bevindt zich –zoals de raadsvrouw ter zitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht – op dit moment in Frankrijk, zodat alleen al daarom een taakstraf niet voor de hand ligt. Evenmin is een geldboete naar het oordeel van het hof passend. Rekening houdend met straffen die veelal door rechters worden opgelegd voor soortgelijke feiten en die zijn beschreven in de zogenoemde LOVS-oriëntatiepunten en gelet op het bovenstaande ziet het hof geen reden af te wijken van de straf zoals die door de politierechter is opgelegd.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.450,00 bestaande uit € 400,00 aan materiële schade en € 1.050,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft meegedeeld dat een vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij is toegewezen in de strafzaak tegen medeverdachte [medeverdachte] en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij.
De raadsvrouw heeft bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.
Het hof is van oordeel dat de vordering in deze zaak onvoldoende is onderbouwd en verklaart de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk in haar vordering.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [aangever 1]
Verklaart de benadeelde partij [aangever 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E.J Hofstee, mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen en mr. W.N. Ferdinandusse, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Zoet, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 juni 2026.
mrs. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen en W.N. Ferdinandusse zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Een proces-verbaal van bevindingen van 20 december 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, (digitale) pagina 26.
2.Een proces-verbaal van bevindingen van 20 december 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, (digitale) pagina 27; Bewijs van ontvangst ex artikel 94 Wetboek Pro van Strafvordering, (digitale) pagina’s 305-315.
3.Fotobijlage van het proces-verbaal van bevindingen van 22 december 2024, onder andere (digitale) pagina’s 85, 90, 111, 117 en 138.
4.Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] van 20 december 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, (digitale) pagina’s 9-15.
5.Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] van 21 december 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, (digitale) pagina’s 16-17 (met bijlage goederenlijst, pagina 170).
6.Een proces-verbaal van bevindingen van 20 december 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, (digitale) pagina 27.
7.Een proces-verbaal van bevindingen van 22 december 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, (digitale) pagina 75.
8.Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 20 december 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, (digitale) pagina’s 257-262.