Uitspraak
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
Onderzoek van de zaak
Vonnis waarvan beroep
telkens: diefstal;
telkens: diefstal door twee of meer verenigde personen;
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Amsterdam
Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep van verdachte tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, gewezen op 22 januari 2026. De zaak betrof meerdere strafzaken waarin verdachte werd verdacht van diefstal en andere feiten. De verdachte was door de kinderrechter vrijgesproken van een van de tenlastegelegde feiten (zaak D onder 3).
Het hof oordeelde dat hoger beroep tegen een vrijspraak niet mogelijk is op grond van artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering en verklaarde de verdachte daarom niet-ontvankelijk voor dat onderdeel van het hoger beroep. Voor de overige tenlastegelegde feiten bevestigde het hof het vonnis van de kinderrechter, met enkele verbeteringen in de kwalificaties, waaronder het toevoegen van artikel 57 Sr Pro aan de toegepaste wetsartikelen.
De advocaat-generaal had gevorderd dat verdachte veroordeeld zou worden tot dezelfde straf als door de kinderrechter opgelegd. Het hof nam dit over en stelde dat de gebruikte bewijsmiddelen nader uitgewerkt zullen worden indien cassatie wordt ingesteld. Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 18 juni 2026.
Uitkomst: Verdachte niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep tegen vrijspraak en vonnis van de kinderrechter bevestigd met verbeterde kwalificaties.