ECLI:NL:GHAMS:2026:1806

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
23-000393-23
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 3 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 10a OpiumwetArt. 11 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging gevangenisstraf 24 maanden voor professioneel vervoeren van harddrugs

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 januari 2023 bevestigd, met uitzondering van de strafoplegging die werd verhoogd naar 24 maanden gevangenisstraf. De verdachte werd veroordeeld voor het vervoeren van vijf kilogram cocaïne in een verborgen ruimte van een auto onderweg naar Duitsland, het bezit van goederen bestemd voor Opiumwetfeiten en het aanwezig hebben van bijna een halve kilogram hennep.

Het hof nam de ernst van de feiten, de professionele aard van de handel en de schadelijke effecten van cocaïne mee in de strafbepaling. De straf werd gebaseerd op de oriëntatiepunten voor straftoemeting, waarbij 24 maanden gevangenisstraf passend werd geacht voor het vervoeren van deze hoeveelheid harddrugs. Daarnaast werd een straf van 4 maanden als uitgangspunt genomen voor de overige feiten, wat resulteerde in een totale straf van 28 maanden.

Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en hoger beroep werd de straf met 4 maanden verminderd. De tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, wordt in mindering gebracht op de opgelegde straf. Het hof bevestigde verder het vonnis voor zover het aan haar oordeel was onderworpen en verbeterde een kennelijke verschrijving in de tenlastelegging.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf voor het professioneel vervoeren van harddrugs, met aftrek van voorlopige hechtenis en vermindering wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000393-23
datum uitspraak: 16 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 januari 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-730040-17 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof met instemming van de advocaat-generaal en de raadsman het ontbreken van de zinsnede ‘terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid’ in de tenlastelegging van het onder 1 tenlastegelegde opvat als een kennelijke verschrijving en de tenlastelegging in zoverre verbeterd leest.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
De raadsman heeft verzocht om rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep en om, gelet hierop, een straf op te leggen die gelijk is aan de duur die de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, meer specifiek een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich, samen met (een) ander(en), schuldig gemaakt aan het vervoeren van vijf kilogram cocaïne, het voorhanden hebben van goederen bestemd voor Opiumwetfeiten en het aanwezig hebben van een handelshoeveelheid, namelijk bijna een halve kilogram, hennep. De hoeveelheid cocaïne werd aangetroffen in een verborgen ruimte van een auto die onderweg was naar Duitsland en de bedoelde goederen zijn aangetroffen in de garage in gebruik bij de verdachte. In de buurt van de woning waar verdachte verbleef is ook een andere auto met een verborgen ruimte aangetroffen. Er is gebleken dat de verdachte gebruik maakte van deze auto. Hieruit leidt het hof af dat de verdachte zich bezighield met de professionele handel in verdovende middelen, kennelijk uit winstbejag. Cocaïne is een voor de gezondheid schadelijke, verslavende stof met grote nadelige psychische en lichamelijke effecten voor de gebruiker. Het gebruik van- en de handel in verdovende middelen leidt bovendien direct en indirect tot vele andere vormen van criminaliteit.
Het hof heeft bij het bepalen van de strafoplegging acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. In die oriëntatiepunten wordt voor het vervoeren van 5.000 tot 6.000 gram harddrugs een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden genoemd. Deze straf neemt het hof voor het onder 1 bewezenverklaarde als uitgangspunt. Voor het onder 2 en 3 bewezenverklaarde neemt het hof, gelet op straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd, een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden als uitgangspunt.
Het hof acht, alles afwegende, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden passend en geboden.
Redelijke termijn
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens in eerste aanleg en in hoger beroep is overschreden. De verdachte is op
22 september 2017 in verzekering gesteld, terwijl de rechtbank op 23 januari 2023 – dus ruim vijf jaar na aanvang de redelijke termijn – vonnis heeft gewezen. Na het instellen van hoger beroep door de verdachte op 6 februari 2023 is ruim drie jaar verstreken. Het hof zal voornoemde gevangenisstraf daarom met 4 maanden verminderen.
Tenuitvoerlegging
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2, 3, 10, 10a en 11 van de Opiumwet en de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
24 (vierentwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de straf.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.W.T. Klappe, mr. E.J. Hofstee en mr. B. de Wilde, in tegenwoordigheid van
mr. L. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
16 juni 2026.
Mr. A.W.T Klappe, mr. B. de Wilde en mr. L. van Dijk zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
proces-verbaal uitspraak
_______________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000393-23
Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op
16 juni 2026.
Tegenwoordig zijn:
mr. M.J.A. Duker, raadsheer,
H. Chafi, griffier.
Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. J.B. Develing, advocaat-generaal.
De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.
De verdachte is
wel / nietin de zaal van de terechtzitting aanwezig.
Raadsman/raadsvrouw is
wel / nietaanwezig.
(zo ja:) naam raadsman/raadsvrouw en plaats:
Tolk is
wel / nietaanwezig. (zo ja:) naam tolk en taal:
De raadsheer spreekt het arrest uit.
De raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld.
(indien de VTE is verschenen)
De verdachte heeft
wel / geenafstand gedaan van het recht aanwezig te zijn bij de uitspraak.
(indien VTEin deze zaakis gedetineerd)
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.