ECLI:NL:GHAMS:2026:185

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
200.356.861
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:669 lid 1 jo 3 sub a BWArt. 7:669 lid 1 jo 3 sub g BWArt. 6a Wet Melding Collectief OntslagArt. 7:671b BWArt. 108 lid 5 Pensioenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot ontbinding arbeidsovereenkomst wegens verval arbeidsplaats en verstoorde arbeidsverhouding

De werkgever verzocht de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer op grond van verval van de arbeidsplaats (artikel 7:669 lid 1 jo Pro 3 sub a BW) en subsidiair wegens een verstoorde arbeidsverhouding (artikel 7:669 lid 1 jo Pro 3 sub g BW). Het hof oordeelde dat de werkgever niet had voldaan aan de meldings- en raadplegingsplicht van de Wet Melding Collectief Ontslag (WMCO) en dat onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat de functie van de werknemer noodzakelijkerwijs was komen te vervallen.

De feiten betroffen een reorganisatie binnen de verzekeringsonderneming waarbij de functie van Product Markt Manager (PMM11) van de werknemer volgens de werkgever zou vervallen. De werknemer voerde aan dat een groot deel van zijn werkzaamheden bleef bestaan en dat de werkgever onvoldoende had gedaan aan herplaatsing. Ook was de arbeidsverhouding niet ernstig en duurzaam verstoord. De kantonrechter wees het verzoek af, hetgeen het hof bevestigde.

Het hof benadrukte dat de werkgever onvoldoende had onderbouwd dat de functie van de werknemer daadwerkelijk was komen te vervallen, mede omdat de feitelijke werkzaamheden van de werknemer afweken van het oorspronkelijke functieprofiel en deels nevenactiviteiten betroffen die commercieel voordeel opleverden. Daarnaast was de werkgever tekortgeschoten in haar verplichtingen onder de WMCO. Het subsidiaire verzoek wegens verstoorde arbeidsverhouding werd eveneens afgewezen omdat geen sprake was van een onherstelbare vertrouwensbreuk.

De kostenveroordelingen werden deels herzien: de werkgever werd veroordeeld tot vergoeding van kosten ter vaststelling van pensioen- en inkomensschade, terwijl de overige proceskosten grotendeels werden toegewezen aan de werknemer. De arbeidsovereenkomst blijft derhalve in stand.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af wegens niet-naleving van de meldingsplicht WMCO en onvoldoende aannemelijkheid van verval functie.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.356.861/01
zaaknummer rechtbank : 11517296 \ EA VERZ 25-89
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 27 januari 2026
inzake
[appellant],
gevestigd te [plaats 1] ,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. S. Gadellaa te Bilthoven,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [plaats 2] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellant in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. M.J. Keuss te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

Het hof wijst het verzoek van de werkgever om het einde van de arbeidsovereenkomst te bepalen op grond van verval van de arbeidsplaats zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 1 jo Pro 3 sub a Burgerlijk Wetboek (BW) af. Voldoende aannemelijk is dat de werkgever niet voldaan heeft aan artikel 6a Wet Melding Collectief Ontslag ( [bedrijf 3] ) en (subsidiair) is niet voldoende aannemelijk geworden dat de functie van werknemer noodzakelijkerwijs is komen te vervallen. Ook het subsidiaire verzoek om het einde van de arbeidsovereenkomst te bepalen op grond van een verstoorde arbeidsverhouding ex artikel 7:669 lid 1 jo Pro 3 sub g BW wordt afgewezen omdat de arbeidsverhouding met werknemer niet ernstig en duurzaam is verstoord.

2.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij beroepschrift (met producties), ontvangen ter griffie van het hof op 15 juli 2025, in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam, (hierna: de kantonrechter) op 17 april 2025 onder bovenvermeld zaaknummer heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking).
Op 6 oktober 2025 is ter griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep, tevens (gedeeltelijk voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep (met producties) van [geïntimeerde] ingekomen. Op 6 november 2025 is ter griffie van het hof een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep (met producties), van [geïntimeerde] ingekomen. Daarna heeft [appellant] op 17 november 2025 productie 39 ingediend en [geïntimeerde] op 19 november 2025 productie 30.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 19 november 2025 aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen laten toelichten, [appellant] door mr. Gadellaa voornoemd en mr. D. Ottevanger, advocaat te Bilthoven en [geïntimeerde] door mr. Keuss voornoemd en mr. M.M. Rijnen, advocaat te Amsterdam .
Op 21 november 2025 heeft [appellant] een kleurenkopie van bijlage 10 bij de adviesaanvraag Commerce Fit for Purpose II aan het hof gestuurd.
Uitspraak is nader bepaald op heden.

3.Feiten

De kantonrechter heeft in 2.1 tot en met 2.12 van de bestreden beschikking de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten, komen de feiten neer op het volgende.
3.1.
[appellant] maakt deel uit van de internationale [appellant] . De onderneming is actief in de verzekeringsbranche en richt zich op de verkoop van levensverzekeringen, pensioenen, hypotheken en beleggingsfondsen. In totaal werken er in Nederland ongeveer 1100 personen bij [appellant] .
3.2.
[geïntimeerde] , geboren in [jaar] , is op 1 december 1987 in dienst getreden bij de rechtsvoorganger van [appellant] . Zijn huidige functie is die van Product Markt Manager in functieschaal 11 (hierna: PMM11). Het salaris bedraagt € 6.370,42,-- bruto per maand, voor een arbeidsduur van 32 uur per week. Daarnaast heeft [geïntimeerde] recht op 8% vakantietoeslag en een dertiende maand. De opzegtermijn bedraagt vier maanden.
3.3.
Van 2000 tot 2016 heeft [geïntimeerde] gewerkt in diverse sales- en accountmanagementfuncties. In juni 2016 is hem te kennen gegeven dat zijn functie als gevolg van organisatorische wijzigingen was komen te vervallen. Zijn toenmalige werkgever [bedrijf 1] (de rechtsvoorganger van [appellant] ) heeft [geïntimeerde] toen zijn huidige functie, die van PMM11, aangeboden. [geïntimeerde] was destijds van mening dat deze functie niet passend was. Dit heeft geleid tot een procedure bij de rechtbank. De werkgever heeft daarbij gesteld dat zij [geïntimeerde] graag voor de organisatie wilde behouden, omdat hij een zeer gewaardeerd medewerker was die altijd naar volle tevredenheid had gefunctioneerd en beschikte over vele kwaliteiten en specialistische en waardevolle kennis en ervaring.
3.4.
Uiteindelijk hebben partijen onder leiding van een mediator gesproken over de inhoud van de functie en in een document ondertekend op 18 oktober 2018 met het opschrift ‘AFSPRAKENLIJST’ onder meer het volgende vastgelegd:
(..)
4. Functieprofiel
De heren [geïntimeerde] en [naam] hebben afgelopen zomer het functieprofiel Product Marktmanager besproken en hebben overeenstemming bereikt over de accenten in het profiel zoals die voor de heer [geïntimeerde] gaan gelden. Waar mogelijk en wenselijk zullen de heren [geïntimeerde] en [naam] de voor de heer [geïntimeerde] geldende accenten nader specificeren en op papier zetten, (…) om daarmee evaluatie en voortgangsbewaking te faciliteren (…). Als bijlage is het overeengekomen functieprofiel aan deze afsprakenlijst toegevoegd met de daarin gearceerde accenten.
(..)
9. Nevenactiviteiten en de rol van [bedrijf 1] daarin
De heer [geïntimeerde] wil graag nevenactiviteiten ontplooien. Op dit moment valt te denken aan het optreden als examinator, het optreden als zelfstandig (pensioen)adviseur, het optreden als bestuurder in een pensioenfonds en het verrichten van werkzaamheden in de onderneming van zijn echtgenote. Dit sluit aan bij zijn wens on korter voor [bedrijf 1] te gaan werken. [bedrijf 1] zal hieraan mee werken in de zin dat korter werken gehonoreerd zal worden en onder de voorwaarde dat de nieuwe werkzaamheden van de heer [geïntimeerde] verenigbaar zijn met zijn werkzaamheden voor [bedrijf 1] , zulks ter beoordeling aan [bedrijf 1] dat daar een procedure voor kent.
De heer [geïntimeerde] zal desbetreffende procedure opstarten (per datum ondertekening van deze overeenkomst reeds gedaan dan wel akkoord verkregen).’
3.5.
Uit de bijlage blijkt dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de volgende kernactiviteiten:
  • lead bij productontwikkeling;
  • mede opstellen marktbewerkings-/commerciële en afdelingsplannen;
  • markt- concurrentie- en verkoopanalyses;
  • beheer beleggingsmandaten;
  • faciliteren bij SA’s;
  • bieden van expertise naar Sales op het gebied van pensioenkennis/beleggingskennis of SA’s.
3.6.
In een brief van eveneens 18 oktober 2018 van [bedrijf 1] aan [geïntimeerde] heeft [bedrijf 1] [geïntimeerde] toestemming gegeven voor het verrichten van de nevenactiviteit die ‘
(…) bestaat uit beschikbaar zijn voor rollen binnen pensioenfondsen die vervuld kunnen worden tijdens je parttime dag’.
3.7.
In de periode 2018-2021 heeft geleidelijk een verschuiving plaatsgevonden in de werkzaamheden van [geïntimeerde] . De eerdere taken van [geïntimeerde] zijn in omvang afgenomen en in plaats daarvan heeft hij zich beziggehouden met de volgende activiteiten:
  • pensioenfondsbestuurder bij pensioenfonds SNS Reaal (0,2 FTE);
  • bestuurder binnen de netwerkorganisatie Kring van pensioenspecialisten (hierna: KPS) (0,1 FTE);
  • vertegenwoordiger van [appellant] in de werkgroepen Klantbelang en Reputatie Pensioen bij het verbond van verzekeraars (0,1 tot 0,2 FTE);
  • vertegenwoordiger in de advisory board van het Swiss Life netwerk namens [appellant] , alsmede de centrale coördinerende rol op multinationale pooling binnen [appellant] (0,1 FTE);
  • publicist in nieuwsbrieven of op social media voor Zwitserleven als ondersteuning voor adviseur en werkgevers op inhoudelijke vraagstukken, alsmede publicist van opiniestukken.
3.8.
[appellant] heeft in het voorjaar van 2024 drie adviesaanvragen opgesteld voor een reorganisatie, de ‘
adviesaanvraag Future Fit HR’, de ‘
vervolg adviesaanvraag Herinrichting finance domein’en de
‘adviesaanvraag Commerce-Fit for Purpose II’.[appellant] wilde met haar reorganisatie inspelen op de toenemende digitalisering binnen de pensioenwereld en had een groeistrategie ontwikkeld die moest helpen haar leidende positie op de pensioenmarkt te behouden. Dat vergde volgens [appellant] een organisatorische wijziging. In de adviesaanvraag Commerce-Fit for Purpose II staat dat de functie van [geïntimeerde] in de functieschaal 11 komt te vervallen omdat:
  • de primaire werkzaamheden van deze functie bestonden initieel vooral uit het ontwikkelen van nieuwe proposities en/of dienstverleningsconcepten. Dit werk is de afgelopen jaren geleidelijk al verschoven naar de afdeling Proposition Management. Het afgelopen jaar is deze product marktmanager FS11 voornamelijk betrokken geweest bij de dialoog met externe partijen (bijvoorbeeld branche-vertegenwoordigers) over de [bedrijf 2] . Nu de wet is aangenomen en [appellant] vergevorderd is met de implementatie van de aanpassingen in systemen en processen, komt dit werk te vervallen.
  • Naast de primaire werkzaamheden kent deze functie ook een aantal secundaire werkzaamheden. Deels werkt de product marktmanager FS11 hierin al samen met collega’s. Onderdeel van deze werkzaamheden is de vertegenwoordiging van [appellant] als boardmember voor het samenwerkingsverband voor international pooling. Deze verantwoordelijkheid gaat onderdeel uitmaken van de nieuwe functie Sales Lead, waardoor ook deze secundaire werkzaamheden komen te vervallen voor de Product Marktmanager FS11.
3.9.
In paragraaf 5.2. van de adviesaanvraag Commerce-Fit for Purpose II, getiteld
‘Nieuw, vervallen, licht en of ingrijpend gewijzigde functies’staat een tabel waarin alle vervallen functies zijn opgenomen die uitkomt op 34. Daaronder staat:
‘In bovenstaande tabel is aangegeven dat er sprake is van de plaatsingsprocedure, conform Sociaal Plan’.
3.10.
In een preadvies van de ondernemingsraad van 30 mei 2024 staat:
‘Gedurende de dialoog bleek enerzijds dat het functiehuis niet op orde is (medewerkers langere tijd (deels) andere werkzaamheden uitoefenen dan hun formele functie behelst) en anderzijds werd in de discussie hinder ondervonden van de generieke functies en de uitwisselbaarheid hiervan: Hoe verhouden de specifieke werkzaamheden zich tot de formele functiebeschrijving. (..) De werkgroep geeft aan dat werkzaamheden en functies in lijn met elkaar moeten worden gebracht’.
3.11.
In het Sociaal Plan van [appellant] staat op pagina 7:
‘Indien de reorganisatie tot het verval van je functie leidt, en je niet bent geplaatst in de plaatsingsprocedure, word je boventallig en zal de herplaatsingsprocedure aanvangen. Je functie kan vervallen doordat je functie in zijn geheel niet meer terugkomt in de nieuwe organisatiestructuur van [appellant] of doordat je functie ingrijpend wijzigt, waardoor niet langer van dezelfde functie kan worden gesproken’.Op pagina 10 staat in het geval een boventallige werknemer een nieuwe functie die volgens [appellant] passend is niet aanvaard:
‘Indien je binnen deze termijn de functie niet aanvaardt, dan zal tot ontslag worden overgegaan zonder dat je nog rechten en/of aanspraken kunnen ontlenen aan dit sociaal plan’.
3.12.
Op 16 april 2024 heeft de leidinggevende van [geïntimeerde] hem bericht dat, als de ondernemingsraad positief zou adviseren, hij als gevolg van de voorgenomen reorganisatie boventallig zou worden. Op 4 juni 2024 heeft [appellant] formeel het besluit tot reorganisatie genomen. [geïntimeerde] heeft [appellant] met een beroep op een hardheidsclausule in het Sociaal Plan verzocht om met hem een andere vertrekregeling te treffen, met een ruimere vergoeding. Dit omdat het Sociaal Plan volgens [geïntimeerde] sinds de reorganisatie in 2016 sterk was versoberd en de gemaximeerde vergoeding onevenredig nadelig was voor werknemers met een hogere leeftijd en een lang dienstverband, zoals hij. Dat verzoek is afgewezen.
3.13.
Er zijn tussen [geïntimeerde] en [appellant] gesprekken gevoerd over een andere functie. Daarbij is volgens [appellant] gesproken over de functie van Sales Lead. [appellant] heeft deze functie aan een andere werknemer aangeboden, die zij meer geschikt vond voor de functie. Ook is gesproken over een functie in het Buy Out-team. [appellant] vond ook deze functie niet geschikt voor [geïntimeerde] . In een brief van 8 juni 2024 aan HR heeft [geïntimeerde] geschreven:
‘Laat helder zijn dat ik nu niet via het sociaal plan gedwongen wil worden (zoals in 2017) nogmaals in een andere functie te moeten stappen’.In een e-mail van 28 juni 2024 met als onderwerp: ‘
Afscheid nemen is soms wel lastig’heeft [geïntimeerde] aan zijn collega’s onder meer geschreven:
‘(..), Nogmaals allemaal ontzettend bedankt voor de mooie jaren. Via Linked in ben ik zeker nog te bereiken, en mijn zakelijk telefoonnummer zal ik ook behouden’.
3.14.
Per 1 augustus 2024 is [geïntimeerde] (onder protest) vrijgesteld van werkzaamheden. Op 7 augustus 2024 heeft [appellant] een pro forma-ontslagaanvraag voor [geïntimeerde] ingediend bij het UWV. Bij beslissing van 29 november 2024 heeft het UWV de toestemming om de arbeidsovereenkomst op te zeggen geweigerd. In de beslissing staat, voor zover relevant: ‘
Wij oordelen dat niet aannemelijk is gemaakt dat het structureel vervallen van de arbeidsplaats van werknemer een maatregel is die in bedrijfseconomische zin noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering binnen de onderneming van werkgever (…)Werkgever heeft een generieke functieomschrijving verstrekt en aangegeven dat de functieomschrijving geen juiste weergave van de feitelijke werkzaamheden is. Wij merken op dat het aan werkgever is om dan duidelijk te maken – en te onderbouwen – wat de daadwerkelijke functie(inhoud) van werknemer is, ook omdat beide partijen hierover van mening verschillen. Wij vinden dat werkgever hierin onvoldoende is geslaagd. (…)
Wij vinden dat werkgever onvoldoende duidelijkheid heeft gegeven over de functie-inhoud, terwijl dit – gelet op het uitvoerige verweer van werknemer – wel van werkgever had mogen worden verwacht. Daarmee zijn wij er onvoldoende van overtuigd dat de arbeidsplaats van werknemer structureel dient te vervallen.’
3.15.
[appellant] heeft [geïntimeerde] geen andere functie aangeboden en heeft hem zijn eigen werk niet laten hervatten.
3.16.
[geïntimeerde] heeft zich in april 2025 ziekgemeld na het onverwachte overlijden van zijn 29-jarige dochter. Ten tijde van de mondelinge behandeling bij het hof was [geïntimeerde] aan het re-integreren.

4.Eerste aanleg

4.1.
[appellant] heeft in eerste aanleg samengevat verzocht om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] te ontbinden en daarbij rekening te houden met de duur van de procedure, primair op grond van bedrijfseconomische omstandigheden als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub a BW Pro en subsidiair op grond van een verstoorde arbeidsverhouding in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub g BW Pro, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure.
4.2.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. Hij heeft ten aanzien van de a-grond samengevat aangevoerd, primair dat [appellant] de reorganisatie op grond van de [bedrijf 3] ten onrechte niet heeft gemeld aan het UWV en de vakbonden, subsidiair dat zijn functie niet noodzakelijkerwijs is komen te vervallen als gevolg van de reorganisatie, omdat in elk geval 80% van zijn werkzaamheden is blijven bestaan, en meer subsidiair dat [appellant] zich onvoldoende heeft ingespannen om hem binnen de organisatie te herplaatsen. Ten aanzien van de g-grond heeft [geïntimeerde] betwist dat sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding, terwijl bovendien het opzegverbod van artikel 108 lid 5 Pensioenwet Pro volgens hem aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de g-grond in de weg staat.
4.3.
[geïntimeerde] heeft (bij tegenverzoek) verzocht [appellant] te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 4.374,76,--, de kosten ter vaststelling van de pensioen- en inkomensschade ter hoogte van € 586,85,-- en de volledige proceskosten begroot op € 20.980,19, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de beschikkingsdatum tot de dag van de algehele voldoening. Bij voorwaardelijk tegenverzoek heeft [geïntimeerde] verzocht om bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst de opzegtermijn van vier maanden in acht te nemen en [appellant] te veroordelen tot betaling van de wettelijke transitievergoeding en een billijke vergoeding. [appellant] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de tegenverzoeken.
4.4.
De kantonrechter heeft het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zowel op de a-grond als de g-grond afgewezen, omdat [appellant] naar het oordeel van de kantonrechter samengevat onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de arbeidsplaats van [geïntimeerde] noodzakelijkerwijs is vervallen als gevolg van de reorganisatie en geen sprake is van een ernstig een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Omdat de ontbindingsverzoeken zijn afgewezen, is de kantonrechter aan de beoordeling van de voorwaardelijke tegenverzoeken niet toegekomen. Het tegenverzoek van [geïntimeerde] tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten heeft de kantonrechter uitvoerbaar bij voorraad toegewezen en de verzoeken tot vergoeding van de kosten ter vaststelling van de pensioen- en inkomstenschade en de (volledige) proceskosten heeft de kantonrechter afgewezen. [appellant] is uitvoerbaar bij voorraad veroordeeld in de proceskosten, zowel in het verzoek als in het tegenverzoek.

5.Beoordeling

5.1.
Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] in principaal hoger beroep met
vier grievenop. [appellant] heeft geconcludeerd dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en verzocht op grond van artikel 7:683 lid 5 BW Pro een datum te bepalen waarop de arbeidsovereenkomst tussen [appellant] en [geïntimeerde] alsnog zal eindigen, met uitvoerbaar bij voorraad veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling aan [appellant] van de door haar aan [geïntimeerde] reeds betaalde bedragen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.
5.2.
[appellant] heeft aan haar verzoek primair ten grondslag gelegd dat de functie van [geïntimeerde] noodzakelijkerwijs is komen te vervallen als gevolg van de reorganisatie (de a-grond,
grief 1). Van de door [geïntimeerde] verrichte werkzaamheden, zoals weergegeven onder de feiten (3.7), zijn de werkzaamheden in het kader van de [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) met de inwerkingtreding van de wet tot een einde gekomen, de werkzaamheden van [geïntimeerde] als bestuurder van een pensioenfonds of de KPS zijn nevenactiviteiten en zijn geen onderdeel geworden van de bedongen arbeid en de deelname van [geïntimeerde] aan de advisory board van het Swiss Life netwerk en multinationale pooling zijn overgenomen door de nieuw Sales Lead. [geïntimeerde] kan volgens [appellant] niet herplaatst worden binnen haar onderneming. Van een opzegverbod of schending van de [bedrijf 3] is volgens [appellant] geen sprake. Subsidiair heeft [appellant] aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat de verhoudingen ernstig en duurzaam zijn verstoord (
grief 2). Volgens [appellant] wil [geïntimeerde] niet meer bij [appellant] werken en is hij enkel uit op een hogere beëindigingsvergoeding dan waarop hij recht heeft volgens het Sociaal Plan. Ook de manier waarop hij zich verkiesbaar heeft gesteld als bestuurder van het pensioenfonds, terwijl hij wist dat zijn ontslag aanstaande was heeft bijgedragen aan de verstoorde verhoudingen. Ten slotte is [appellant] opgekomen tegen toewijzing van de buitengerechtelijke kosten (
grief 3) en de proceskostenveroordeling (
grief 4).
5.3.
[geïntimeerde] heeft in principaal hoger beroep geconcludeerd tot verwerping van het beroep van [appellant] en afwijzing van de verzoeken van [appellant] . [geïntimeerde] betwist dat sprake is van een voldragen a-grond. [appellant] is haar [bedrijf 3] meldings- en raadplegingsverplichting niet nagekomen, zijn functie is niet vervallen, [appellant] heeft onjuist afgespiegeld en heeft niet voldaan aan haar herplaatsingsverplichting. [geïntimeerde] betwist eveneens dat sprake is van een ernstige en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding.
5.4.
In incidenteel hoger beroep komt [geïntimeerde] met
drie (deels voorwaardelijke) grievenop tegen de bestreden beschikking. Hij concludeert tot vernietiging van de bestreden beschikking voor zover het de afwijzing betreft van vergoeding van de integrale proceskosten en de kosten voor de vaststelling van de pensioen- en inkomensschade en verzoekt de daarmee gepaard gaande bedragen van € 20.980,19 en € 586,85 met rente alsnog toe te wijzen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten, alles uitvoerbaar bij voorraad.
5.5.
In het geval het hof het einde van de arbeidsovereenkomst bepaalt, heeft [geïntimeerde] verzocht aan hem toe te kennen een transitievergoeding van € 154.483,-- bruto en een billijke vergoeding van € 242.318,-- bruto, vermeerderd met rente.
De a-grond
5.6.
Het verweer van [geïntimeerde] dat [appellant] haar [bedrijf 3] meldings- en raadplegingsverplichting niet is nagekomen is in eerste aanleg buiten beschouwing gebleven; de kantonrechter heeft het ontbindingsverzoek afgewezen omdat [appellant] niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de arbeidsplaats van [geïntimeerde] noodzakelijkerwijs verviel als gevolg van de reorganisatie. In hoger beroep is dit verweer ten tijde van de mondelinge behandeling uitgebreid aan bod gekomen.
5.7.
In artikel 6a lid 1 [bedrijf 3] wordt geregeld dat de rechter bij een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst om bedrijfseconomische redenen ex artikel 7:671b BW zich ervan dient te vergewissen of er sprake is van een collectief ontslag en zo ja, of uit de bij het verzoek gevoegde stukken blijkt dat de werkgever heeft voldaan aan de verplichtingen die volgen uit de [bedrijf 3] . De wetgever beoogt met deze vergewisplicht aan te sluiten bij de vergewisplicht of het verzoek verband houdt met het bestaan van opzegverbod.
5.8.
In artikel 3 lid Pro 1 [bedrijf 3] is bepaald dat een werkgever die het voornemen heeft de arbeidsovereenkomsten van ten minste twintig werknemers, werkzaam in één werkgebied, op één of meer binnen een tijdvak van drie maanden gelegen tijdstippen te beëindigen, dit schriftelijk moet melden aan de belanghebbende werknemersverenigingen (vakbonden) ter tijdige raadpleging en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (‘UWV’) in het betrokken werkgebied. De [bedrijf 3] is van toepassing op elke beëindiging op initiatief van de werkgever om één of meer redenen die geen betrekking hebben op de persoon van de werknemer, dus niet alleen op opzegging en op ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van bedrijfseconomische redenen, maar ook op beëindigingen met wederzijds goedvinden.
5.9.
Uit rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat ook andere beëindigingsvormen kunnen vallen onder een beëindiging in de zin van de Richtlijn 98/59/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslagen (hierna: de Richtlijn) en dus onder de [bedrijf 3] of daarmee moeten worden gelijkgesteld. Het begrip ontslag wordt in het belang van de bescherming van werknemers ruim uitgelegd door het Hof van Justitie. Als de werkgever eenzijdig en ten nadele van de werknemer overgaat tot een substantiële wijziging van essentiële elementen van de arbeidsovereenkomst om redenen die niet in de persoon zijn gelegen, moet dat als een ‘ontslag’ in de zin van de Richtlijn worden aangemerkt (HvJ 11 november 2015, C-422/14). Een opzegging onder voorbehoud waarbij een werknemer de keuze krijgt in te stemmen met een wijziging van zijn arbeidsovereenkomst of ontslag, geldt volgens het Hof van Justitie als een ‘gelijkgesteld’ ontslag dat moet meetellen voor de berekening van een collectief ontslag (HvJ 21 september 2017, C-149/16). In de Uitvoeringsregels UWV is onder verwijzing naar deze oordelen van het Hof van Justitie opgenomen dat ook vermindering van de arbeidsomvang (deeltijdontslag) en een aanbod tot overplaatsing of herplaatsing onder de dreiging van ontslag kunnen worden beschouwd als beëindiging van de arbeidsovereenkomst in de zin van de [bedrijf 3] , of daarmee gelijkgesteld kunnen worden. Het moet gaan om twintig of meer beëindigingen in een tijdvak van drie maanden. Dit tijdvak dient bezien te worden per ontslag.
5.10.
Ter onderbouwing van zijn standpunt dat [appellant] haar [bedrijf 3] meldings- en raadplegingsverplichting niet is nagekomen heeft [geïntimeerde] gesteld dat [appellant] het UWV heeft geïnformeerd dat op de peildatum 1 juli 2024 veertien werknemers boventallig waren, 20,17 arbeidsplaatsen (waaronder een aantal lege formatieplaatsen) waren vervallen en twee nieuwe functies zijn gecreëerd. Tevens heeft [geïntimeerde] verwezen naar de adviesaanvraag Fit for Purpose II waaruit blijkt dat 34,18 fte kwamen te vervallen (zie 3.9), waarbij staat vermeld dat een functie kan vervallen door verval van werkzaamheden of ingrijpende wijziging van de functie en waarin wordt verwezen naar de plaatsingsprocedure uit het Sociaal Plan (zie 3.11). Volgens [geïntimeerde] zijn er alleen al in de reorganisatie van Commerce (de afdeling van [geïntimeerde] ) 33 ontslagen in de zin van de [bedrijf 3] , te weten zestien vervallen functies en zeventien ingrijpende wijzigingen, terwijl er bij de reorganisatie van Finance veertien vervallen functies zijn en vier ingrijpende wijzigingen en bij de reorganisatie van HR minimaal twee vervallen functies. Volgens [geïntimeerde] liepen alle drie de trajecten in 2024 gelijktijdig en in het zelfde werkgebied.
5.11.
[appellant] heeft de gedetailleerde onderbouwing van [geïntimeerde] onvoldoende gemotiveerd weersproken. Zij heeft samengevat naar het hof begrijpt naar voren gebracht dat voor haar geen meldingsplicht op grond van de [bedrijf 3] bestond, omdat het aantal van twintig niet werd gehaald omdat er een aantal lege formatieplaatsen was. Dat zou blijken uit een Excel bestand van een personeelslijst (de ist-soll lijst, bijlage 10 bij de adviesaanvraag Commerce Fit for purpose II) waarop staat dat de het verschil tussen het aantal werknemers voor en na de reorganisatie slechts dertien werknemers betreft. [appellant] heeft na de zitting op 21 november 2025 een kleurenkopie van dit Excel bestand naar het hof gestuurd, omdat de kopie van het bestand lastig leesbaar was. Op de zitting is deze lijst besproken.
5.12.
Het hof kan niet uit het Excel bestand afleiden dat met inachtneming van het ruime ontslagbegrip zoals hierboven geformuleerd van slechts dertien werknemers de functie is komen te vervallen. Het lijkt erop dat naast de vervallen functies de functies van een aantal (zestien) werknemers sterk is gewijzigd. Daarbij is het onduidelijk gebleven of behalve de functiewijziging ook essentiële elementen van de arbeidsovereenkomst zijn gewijzigd of niet, terwijl het Hof van Justitie EU (HvJ 21 september 2017, C-149/16) zulks als voorwaarde stelt wil sprake zijn van een ontslag dat meetelt voor het getalscriterium. Dat volgt niet uit de lijst en [appellant] heeft ook niet onderbouwd of daarvan al dan niet sprake is geweest. Dat had, gelet op de onderbouwde stelling van [geïntimeerde] dat [appellant] voor wat betreft het getalscriterium uitsluitend de daadwerkelijke beëindigingen in aanmerking heeft genomen en niet degenen van wie de functie ingrijpend is gewijzigd en voor wie de plaatsingsprocedure uit het Sociaal Plan gold, wel van haar verwacht mogen worden.
5.13.
Gelet op het voorgaande houdt het hof het er dan ook voor dat [appellant] niet aan haar verplichting op grond van de [bedrijf 3] heeft voldaan door de betrokken vakbonden niet te raadplegen. In dat geval kan het hof de arbeidsovereenkomst alleen beëindigen als sprake is van bijzondere omstandigheden. Die zijn niet gesteld of gebleken. Evenmin kan [appellant] alsnog de voorgeschreven raadpleging achteraf verrichten (ECLI:EU:C:2025:839).
5.14.
Echter, ook als [appellant] er wel in geslaagd zou zijn aannemelijk te maken dat er voor haar op grond van artikel 6a [bedrijf 3] geen verplichting bestond de vakbonden te raadplegen, is het hof overigens met de kantonrechter van oordeel dat de functie van [geïntimeerde] niet noodzakelijkerwijs is komen te vervallen als gevolg van de reorganisatie. Vaststaat dat [geïntimeerde] in de mediatonprocedure in 2018 een wijziging van zijn functie is overeengekomen (zie 3.4 en 3.5), waarbij is afgesproken dat hij de werkzaamheden zou gaan verrichten die in de bijlage bij de mediationovereenkomst staan vermeld. Bij die mediation zijn [bedrijf 1] en [geïntimeerde] ook overeengekomen dat [bedrijf 1] haar toestemming niet zou onthouden als [geïntimeerde] minder wilde gaan werken en in zijn vrije tijd (betaalde) nevenwerkzaamheden (bijvoorbeeld als bestuurder van een pensioenfonds) zou kunnen verrichten. [bedrijf 1] heeft die toestemming ook gegeven bij brief van dezelfde datum als de mediationovereenkomst (zie 3.6).
5.15.Vaststaat echter dat [geïntimeerde] niet minder is gaan werken. Uit onder meer de beoordelingen blijkt dat [geïntimeerde] ten tijde van de adviesaanvraag in 2024 de in 3.7 genoemde werkzaamheden al jarenlang onder werktijd verrichtte. [appellant] betaalde [geïntimeerde] dus voor 32 uur, terwijl zijn arbeidsomvang voor het grootste deel bestond uit de werkzaamheden genoemd in 3.7 (die door [appellant] nevenwerkzaamheden of secundaire werkzaamheden worden genoemd). Vaststaat eveneens dat van de werkzaamheden die [geïntimeerde] verrichtte nog slechts een klein deel onderdeel uitmaakte van de oorspronkelijke PPM11 functie. Terecht overwoog de ondernemingsraad in zijn preadvies van mei 2024 dan ook dat [appellant] het functiehuis niet op orde had omdat medewerkers langere tijd andere werkzaamheden uitoefenden dan hun formele functiebeschrijving inhield en dat werkzaamheden en functies in lijn met elkaar moesten worden gebracht (zie 3.10).
5.16.
Naar het oordeel van het hof komt het voor risico van [appellant] als werkgever dat de met [geïntimeerde] deels overeengekomen en door hem feitelijk verrichte activiteiten niet in overeenstemming zijn met het oorspronkelijke functieprofiel. [bedrijf 1] heeft met [geïntimeerde] van het functieprofiel afwijkende afspraken gemaakt en [appellant] heeft deze situatie gedurende langere tijd laten voortbestaan, zonder dat zij daarop heeft ingegrepen. Bij deze stand van zaken kon [appellant] zich redelijkerwijs niet op het standpunt stellen dat de functie van [geïntimeerde] noodzakelijkerwijs is komen te vervallen; een groot deel van de werkzaamheden die [geïntimeerde] ten tijde van de adviesaanvraag verrichtte zijn immers niet komen te vervallen. Overigens heeft [geïntimeerde] ook voldoende aannemelijk gemaakt dat de door [appellant] als nevenwerkzaamheden betitelde activiteiten commerciële spin-off voor [appellant] hebben opgeleverd en dat, ook al is de [bedrijf 2] aangenomen, er voor hem op dat gebied tot 1 januari 2028 voldoende werkzaamheden in verband met de transitie overblijven.
5.17.
Het voorgaande betekent dat
grief 1faalt en het verzoek van [appellant] om het einde van de arbeidsovereenkomst te bepalen op de a-grond zal worden afgewezen.
De g-grond
5.18.
Subsidiair heeft [appellant] het hof verzocht om het einde van de arbeidsovereenkomst te bepalen op grond van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding (
grief 2, zie 5.2). Het hof is het met de kantonrechter eens dat geen sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. [geïntimeerde] mocht zich verweren tegen zijn ontslag, hij wilde en wil immers niet weg bij [appellant] , de brief van 8 juni 2024 en de e-mail getiteld ‘Afscheid nemen is soms wel lastig’ (zie 3.13) maken dat niet anders. Eveneens mocht hij over zijn positie onderhandelen en ‘strijden’ voor een hogere beëindigingsvergoeding. Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] zich daarbij niet op onaanvaardbare wijze opgesteld. [geïntimeerde] heeft de stelling van [appellant] , dat hij rondom zijn herverkiezing als bestuurder van het bedrijfstakpensioenfonds het bestuur en het verantwoordingsorgaan niet op de hoogte heeft gesteld van zijn boventallig verklaring, gemotiveerd betwist. Maar ook als hij hen inderdaad niet op de hoogte had gesteld, valt op basis van hetgeen [appellant] heeft gesteld niet in te zien waarom dat zou leiden tot een onherstelbare vertrouwensbreuk. Eveneens heeft [geïntimeerde] gemotiveerd weersproken dat hij ‘op eigen houtje’ als pensioenfondsbestuurder is gaan re-integreren. Hij heeft [appellant] onweersproken om toestemming gevraagd om in het kader van zijn re-integratie taken als pensioenfondsbestuurder te hervatten. Het voorgaande betekent dat ook
grief 2faalt, zodat het verzoek van [appellant] om het einde van de arbeidsovereenkomst te bepalen op de g-grond eveneens wordt afgewezen. Of het opzegverbod van artikel 108 lid 5 Pensioenwet Pro al dan niet van toepassing is en of [appellant] (en [geïntimeerde] van zijn kant) voldoende herplaatsingsinspanningen hebben verricht behoeft daarom geen bespreking meer.
De buitengerechtelijke kosten
5.19.
Met
grief 3betoogt [appellant] dat de kantonrechter de buitengerechtelijke kosten ten onrechte heeft toegewezen. Ook deze grief faalt. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat de buitengerechtelijke kosten de dubbele redelijkheidstoets doorstaan. [geïntimeerde] heeft na de UWV-procedure juridische kosten moeten maken in het kader van de onderhandelingen die hebben plaatsgevonden voordat [appellant] het ontbindingsverzoek indiende. Gelet op de omvang van het dossier en het grote (financiële) belang acht het hof de omvang van de kosten eveneens redelijk.
Het incidenteel hoger beroep
5.20.
Nu het verzoek om het einde van de arbeidsovereenkomst te bepalen zal worden afgewezen, wordt aan de beoordeling van het voorwaardelijke incidenteel hoger beroep en de voorwaardelijke tegenverzoeken niet toegekomen en zullen deze onbesproken blijven.
De werkelijke proceskosten
5.21.
Het verzoek van [geïntimeerde] om [appellant] te veroordelen in de werkelijke proceskosten zal worden afgewezen. Een volledige vergoedingsplicht voor proceskosten is denkbaar, maar alleen in buitengewone omstandigheden, bij misbruik van procesrecht en onrechtmatige daad. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM Pro. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de belangen van [geïntimeerde] achterwege had behoren te blijven. Er is in de voorliggende zaak, anders dan [geïntimeerde] heeft betoogd, geen sprake van een situatie waarin [appellant] haar vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan zij de evidente onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Dat [appellant] wellicht niet geheel volledig is geweest in het presenteren van de feiten of een juridisch standpunt heeft ingenomen dat is verworpen maakt niet dat sprake is van buitengewone omstandigheden in voornoemde zin. Grief 1 in incidenteel appel slaagt niet.
De kosten voor het vaststellen van pensioen- en inkomensschade
5.22.
De kosten voor het vaststellen van de omvang van de pensioen- en inkomensschade zullen worden toegewezen. [geïntimeerde] heeft deze kosten moeten maken om verweer te voeren in de door [appellant] geïnitieerde procedure waarin het niet ondenkbaar was dat het verzoek van [appellant] zou zijn toegewezen. Dat dat verzoek niet is toegewezen en [geïntimeerde] ervoor heeft gekozen om een extern (onafhankelijk) deskundige in te schakelen terwijl hij zelf ook als deskundige kan worden beschouwd, maakt niet dat de kosten prematuur of niet in redelijkheid zijn gemaakt.
Grief 2in incidenteel hoger beroep slaagt aldus.
De proceskosten
5.23.
Als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij wordt [appellant] veroordeeld in de (forfaitaire) proceskosten in principaal hoger beroep. Deze worden tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 2.428,-- aan salaris gemachtigde en € 827,-- aan griffierecht, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Grief 4, waarmee [appellant] opkwam tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg slaagt dus niet. De proceskosten in incidenteel hoger beroep zullen worden gecompenseerd in de zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, omdat beide partijen gedeeltelijk in het (on)gelijk zijn gesteld.
5.24.
Door geen van beide partijen zijn feiten te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een andere beoordeling kunnen leiden, zodat het hof niet toekomt aan het toelaten tot bewijslevering. Het hof beoordeelt de overige stellingen van partijen zo dat deze ook niet tot een andere beslissing kunnen leiden, zodat die stellingen en verweren verder onbesproken kunnen blijven.

6.Beslissing

Het hof:
in principaal en incidenteel hoger beroep
vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarbij de kosten ter vaststelling van pensioen- en inkomensschade zijn afgewezen en opnieuw rechtdoende
veroordeelt [appellant] tot betaling van € 586,85,-- aan kosten ter vaststelling van pensioen- en inkomensschade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 juli 2025;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in principaal hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 2428,-- aan salaris gemachtigde en € 827,-- aan griffierecht en te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na deze beschikking aan de kostenveroordeling is voldaan;
compenseert de proceskosten van het geding in incidenteel hoger beroep, in de zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. W. Aardenburg, mr. I.A. van der Burg en mr. M. Kullmann en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.