Uitspraak
Onderzoek ter terechtzitting
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
BESLISSING
niet-ontvankelijkin het hoger beroep.
Gerechtshof Amsterdam
In deze strafzaak heeft de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 24 augustus 2023. Tijdens de terechtzitting van 23 juni 2026 heeft de raadsman namens de verdachte aangegeven dat hij zijn oorspronkelijke bezwaren tegen het vonnis niet langer wenst te handhaven en verzoekt het hof om de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep.
Het hof heeft vervolgens de vordering van de advocaat-generaal tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, en het standpunt van de verdediging in overweging genomen. Gezien het ontbreken van enig rechtens te respecteren belang bij voortzetting van het hoger beroep, heeft het hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaard.
De uitspraak is gedaan door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 7 juli 2026, waarbij de rechters C.A. Boom, T. de Bont en E.J. Hofstee zitting hadden. De beslissing betekent dat het hoger beroep van de verdachte niet-ontvankelijk is verklaard en het vonnis van de rechtbank Amsterdam daarmee in stand blijft.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het ontbreken van een rechtens te respecteren belang.