ECLI:NL:GHAMS:2026:1871

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
23-000574-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 38v SrArt. 38z Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep verkrachting en mishandeling met strafoplegging en schadevergoeding herzien

In hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 maart 2025 heeft het hof het vonnis bevestigd behalve ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. De dagvaarding werd verworpen als niet nietig, omdat de tenlastelegging voldoende concreet en duidelijk was.

Het hof voegde aanvullende bewijsoverwegingen toe, waarbij het verkrachting met dwang in de badkamer en slaapkamer bevestigde. De verdachte ontkende de verkrachting, maar zijn verklaring werd ongeloofwaardig geacht, mede omdat deze pas in hoger beroep werd gegeven.

De rechtbank had een gevangenisstraf van vier jaren opgelegd, het hof achtte dit passend maar legde een deel voorwaardelijk op met bijzondere voorwaarden zoals ambulante behandeling en meldplicht bij de reclassering, mede gelet op het recidiverisico en de toxische relatie.

De maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking werd eveneens opgelegd, terwijl het contact- en locatieverbod werd ingetrokken gezien de situatie en het belang van het minderjarige kind.

De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd ingetrokken en daarom niet meer behandeld. Het hof bevestigde het vonnis voor het overige en bepaalde dat de tijd in voorarrest in mindering wordt gebracht.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 44 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met behandeling en toezicht, en maatregel gedragsbeïnvloeding opgelegd.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000574-25
datum uitspraak: 26 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 maart 2025 in de strafzaak onder parketnummer 13-276876-24 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteland] ( [geboorteplaats] ) op [geboortedag] 1993,
adres: [adres] ,
thans gedetineerd in [detentieadres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof:
- het in hoger beroep gevoerd verweer met betrekking tot de nietigheid van de dagvaarding zal bespreken;
  • de bewijsoverweging van de rechtbank zal aanvullen zoals hierna opgenomen en
  • de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zal aanvullen zoals hierna opgenomen, waarbij het hof opmerkt dat het rapport zoals opgenomen onder 1 reeds door de rechtbank als bewijsmiddel was opgenomen, maar omwille van de leesbaarheid nogmaals wordt opgenomen.
  • het eerste gedachtestreepje onder feit 2 leest als te zijn gepleegd op 3 maart 2024 en het tweede gedachtestreepje als te zijn gepleegd op 27 augustus 2024.

Bespreking verweer nietigheid dagvaarding

Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft als preliminair verweer aangevoerd dat de dagvaarding nietig is. Volgens de raadsman is de tenlastelegging onvoldoende feitelijk omschreven, nu daarin niet wordt geconcretiseerd op welk van de twee door hem onderscheiden momenten de beschuldiging ziet: het seksuele contact in de badkamer of het seksuele contact in de slaapkamer.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer moet worden verworpen. Volgens de advocaat-generaal bestaat geen onduidelijkheid over de beschuldiging, omdat de tenlastelegging aansluit bij de verklaring van de aangeefster.
Oordeel van het hof
Naar het oordeel van het hof blijkt uit de tenlastelegging voldoende concreet en duidelijk op welke gedragingen van de verdachte de beschuldiging ziet. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat in de tenlastelegging wordt gesproken van
één of meerseksuele handelingen en van geweldshandelingen die volgens de aangifte in de badkamer hebben plaatsgevonden. Tegen die achtergrond is voldoende duidelijk dat de tenlastelegging ziet op een reeks elkaar kort opvolgende gedragingen in zowel de bad- als de slaapkamer en maakt de dagvaarding in samenhang met het onderliggende dossier daarmee voldoende duidelijk waartegen de verdachte zich moet verdedigen. De dagvaarding is daarom geldig.

Aanvullende bewijsoverweging

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan verkrachting. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte en de aangeefster in de badkamer seks hebben gehad, maar dat daarbij geen sprake is geweest van dwang. In de slaapkamer zou geen seks hebben plaatsgevonden.
In aanvulling op de bewijsoverwegingen van de rechtbank overweegt het hof dat uit de aangifte ook volgt dat de verdachte de aangeefster in de badkamer heeft gepenetreerd, tegen haar wil in.
Het hof overweegt verder dat de verdachte in hoger beroep opnieuw een verklaring heeft afgelegd over wat er is gebeurd. Die verklaring komt er in de kern op neer dat hij en de aangeefster wel seks hebben gehad in de badkamer, maar dat geen sprake was van opzettelijke verkrachting. Achteraf erkent de verdachte dat hij iets door had moeten hebben maar de aangeefster heeft niet gezegd dat ze geen seks wilde en mogelijk heeft ze het verkeerd geïnterpreteerd. Het hof acht ook deze verklaring ongeloofwaardig. Daarbij neemt het hof, in aanvulling op wat de rechtbank over de verklaring van de verdachte heeft overwogen, in aanmerking dat de verdachte pas in hoger beroep met deze verklaring is gekomen, terwijl hij ook niet heeft aangegeven waarom hij pas tijdens een zitting in hoger beroep zijn verklaring in deze zin heeft aangepast.

Aanvullende bewijsmiddelen

1.
Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 21 oktober 2024 met zaaknummer 2024.09.16.089 (aanvraag 001 en 002), doorgenummerde pagina’s 161 t/m 169.
Dit geschrift houdt onder meer, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
[afbeelding 1]
[afbeelding 2]
2.
De verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 12 juni 2026.
Deze verklaring van de verdachte houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:
Ik heb [benadeelde partij] op 3 maart 2024 op haar oor en in haar zij geslagen.

Oplegging van straf en maatregel

Inleiding
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank aan de verdachte de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z Wetboek van Stafrecht (hierna: Sr) opgelegd en een dadelijk uitvoerbaar contact- en locatieverbod als bedoeld in artikel 38v Sr voor de duur van vijf jaren.
Voor zover het de strafoplegging betreft, heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof het vonnis zal bevestigen, met uitzondering van de maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr, gelet op het standpunt van de aangeefster daarover.
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht te volstaan met een lagere (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf. Daartoe heeft hij gewezen op de tot stand gekomen mediationovereenkomst, het standpunt van de aangeefster over de strafoplegging en de strafdoelen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn toenmalige vriendin. Hij heeft haar in haar zij gestompt en hard op haar oor geslagen, waardoor haar oor is uitgescheurd. Daarnaast heeft de verdachte haar verkracht in de bad- en slaapkamer van haar eigen woning, een plek waar zij zich bij uitstek veilig moest voelen. Daarbij heeft hij de aangeefster opnieuw mishandeld.
Het hof sluit zich voorts aan bij hetgeen de rechtbank heeft overwogen ten aanzien van de ernst van het feit en neemt de navolgende overweging over in het kader van de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en de vaststelling van de duur daarvan:
Verdachte heeft met zijn handelen een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke en seksuele integriteit van aangeefster. Verdachte heeft zijn eigen seksuele behoeften vooropgesteld en heeft aangeefster op dat moment, door met geweld seks bij haar af te dwingen, de zeggenschap over haar eigen lichaam ontnomen. In strafverzwarende zin neemt de rechtbank mee dat verdachte dit alles gedaan heeft terwijl er minderjarige kinderen in huis aanwezig waren. Het is zelfs zover gekomen dat de twaalfjarige dochter van aangeefster, nadat het haar niet gelukt was om verdachte van haar moeder af te krijgen, de politie heeft moeten bellen - hetgeen verdachte nog geprobeerd heeft te voorkomen. Verdachte heeft daarmee een zeer onveilige sfeer gecreëerd en heeft niet alleen aangeefster leed en angst bezorgd, maar ook de in huis aanwezige kinderen.
In aanvulling hierop weegt het hof in strafverzwarende zin mee dat de verdachte de feiten heeft gepleegd jegens aangeefster die als moeder van één van zijn kinderen in het belang van het kind altijd in zekere mate verbonden blijft aan de verdachte. Daardoor zal de aangeefster ook in de toekomst geconfronteerd blijven met (de impact van) de mishandeling en de verkrachting, wat zwaar op haar zal kunnen drukken. Evenals de rechtbank weegt het hof in dit verband mee dat de verdachte slechts in beperkte mate verantwoordelijkheid neemt. Hij bekent dat hij de aangeefster mishandeld heeft, maar ontkent haar te hebben verkracht.
Het hof heeft, op de voet van het bepaalde in artikel 51h, tweede lid, Sv, bij de beoordeling betrokken dat tussen de verdachte en de aangeefster mediation heeft plaatsgevonden en dat deze mediation is geslaagd, zoals blijkt uit de slotovereenkomst van 12 december 2025 die van het dossier deel uitmaakt. Dat de verdachte en de aangeefster een mediationtraject hebben doorlopen, geeft voor het hof geen aanleiding tot strafvermindering zoals door de raadsman verzocht. Het hof constateert dat in de slotovereenkomst voorstellen zijn opgenomen voor constructieve afspraken in de toekomst, maar ziet daarin, mede gelet op de beperkte mate van verantwoordelijkheid die de verdachte neemt voor zijn handelen, geen reden de straf te matigen.
Straf
Gelet op de aard en de ernst van de feiten kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met de oplegging van een andere straf dan een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Voor de bepaling van de duur daarvan heeft het hof onder meer acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor gekwalificeerde opzetverkrachting, zoals bedoeld in artikel 243 lid 2 Sr Pro, zoals hier aan de orde, zijn nog geen oriëntatiepunten. Het hof zoekt daarom aansluiting bij de oriëntatiepunten voor verkrachting als bedoeld in artikel 242 Sr Pro (oud). Voor verkrachting met geweld of een daarmee vergelijkbare mate van dwang wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden tot uitgangspunt genomen. In dit geval is naast verkrachting ook sprake van mishandeling.
Het hof acht de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf van vier jaren dan ook in beginsel passend. Anders dan de rechtbank ziet het hof, gelet op de recente reclasseringsrapporten, aanleiding om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen, met als doel de verdachte binnen het kader van bijzondere voorwaarden ambulante behandeling te laten ondergaan. Het hof geeft zich er rekenschap van dat dit meebrengt dat de verdachte het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf volledig zal moeten ondergaan. Het belang van een stevige verankering van behandeling en toezicht weegt voor het hof echter zwaar. Daarbij betrekt het hof mede het door de reclassering als matig-hoog ingeschatte risico op recidive en letsel, de omstandigheid dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een geweldsdelict en wat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard over zijn moeite met zelfbeheersing en de door hem als toxisch beschreven relatie met de aangeefster.
Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 44 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden. Aan het voorwaardelijk deel verbindt het hof als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en een ambulante behandeling. Het hof zal de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden bevelen. Gelet op de omstandigheid dat het onder feit 1 bewezenverklaarde misdrijf is gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, overweegt het hof dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan, mede gelet op het hierboven genoemde recidiverisico en de aanwijzingen dat de verdachte moeite heeft met zelfbeheersing, en dat sprake was van een toxische relatie waarin geweld niet werd geschuwd.
Gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38z Sr)
Daarnaast acht het hof, in lijn met het advies van de reclassering van 9 april 2026, oplegging van de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z Sr (hierna: GVM-maatregel) noodzakelijk. Evenals de rechtbank vindt het hof de dynamiek tussen de verdachte en de aangeefster zeer zorgwekkend. Het hof ziet aanwijzingen dat agressieregulatie bij de verdachte structurele aandacht behoeft. Tegen deze achtergrond en gelet op het belang van het minimaliseren van het recidiverisico, acht het hof het noodzakelijk dat ook na afloop van de proeftijd de mogelijkheid bestaat toezicht te houden en voorwaarden te stellen. Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in art. 38z lid 1 Sr is voldaan, nu aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen, of gevaar veroorzaakt voor, de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.
Contact- en locatieverbod (artikel 38v Sr)
Het hof ziet geen aanleiding meer voor het opleggen van een contact- en locatieverbod als bedoeld in artikel 38v Sr, gelet op wat de aangeefster daarover heeft verklaard en op de omstandigheid dat de verdachte en de aangeefster samen een minderjarig kind hebben. Dit laat onverlet wat het hof hiervoor heeft overwogen over de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden die zien op de ambulante behandeling en de meldplicht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 38z, 57, 243 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft in eerste aanleg een vordering ingediend, strekkende tot schadevergoeding van geleden immateriële schade tot een bedrag van € 30.000,-.
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 8.000,-.
De benadeelde partij heeft haar vordering in hoger beroep aanvankelijk gehandhaafd. Na een mediationtraject heeft de benadeelde partij voor de inhoudelijke behandeling van de zaak op 12 juni 2026 aangegeven dat zij haar vordering wil intrekken. Gelet daarop is het hof van oordeel dat de vordering niet meer aan de orde is en daarop geen beslissing meer hoeft te worden genomen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering benadeelde partij en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel en doet in zoverre opnieuw recht.
Stelt vast dat de vordering van de benadeelde partij is ingetrokken en daarover dus geen beslissing meer aan het hof voorligt.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
44 (vierenveertig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich ambulant (zonder opname) gedurende de proeftijd laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, voor de duur van de proeftijd of zoveel korter als volgens de reclassering mogelijk is. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen van de zorgverlener.
Beveelt dat voormelde voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht,
dadelijk uitvoerbaarzijn.
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;
Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt aan de verdachte op de
maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. N.R.A. Meerbeek en mr. B. de Wilde, in tegenwoordigheid van mr. R.C.E. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 juni 2026.
Mr. B. de Wilde is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]