ECLI:NL:GHAMS:2026:1873

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
23-000024-24
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 36f SrArt. 47 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep: uitlokking medeplegen moord en toepassing meerderjarigenstrafrecht op 17-jarige verdachte

De zaak betreft een 17-jarige verdachte die wordt verdacht van het uitlokken van de moord op een slachtoffer in Amstelveen op 22 december 2021. De moord werd gepleegd door twee mededaders die reeds onherroepelijk zijn veroordeeld. De verdachte heeft in hoger beroep gedeeltelijk bekend en erkend contact te hebben gehad met een van de uitvoerders, middelen en informatie te hebben verstrekt en de moord te hebben uitgelokt.

Het hof heeft de bewijsmiddelen, waaronder chatberichten, verklaringen van mededaders en forensische gegevens, zorgvuldig gewogen en acht de uitlokking wettig en overtuigend bewezen. De verdediging voerde aan dat het doel een beroving was, maar dit scenario wordt door het hof verworpen. De verdachte was ten tijde van het feit 17 jaar en 5 maanden oud, maar het hof past het meerderjarigenstrafrecht toe vanwege de ernst van het feit, de omstandigheden en de persoonlijkheid van de verdachte.

De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 17 jaar, rekening houdend met een overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast legt het hof schadevergoedingsmaatregelen op aan de verdachte ten behoeve van de nabestaanden, waarbij een deel van de vorderingen niet-ontvankelijk wordt verklaard en naar de burgerlijke rechter wordt verwezen. Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd voor wat betreft strafoplegging en schadevergoedingen en in die onderdelen opnieuw recht gedaan.

Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld tot 17 jaar gevangenisstraf voor uitlokking van medeplegen moord met toepassing van meerderjarigenstrafrecht en hoofdelijke aansprakelijkheid voor schadevergoeding.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000024-24
datum uitspraak: 9 juli 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 december 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-095506-22 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2004,
thans gedetineerd in [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 december 2025, 18 en 19 juni 2026, 9 juli 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman en de advocaat van de benadeelde partijen naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit dan ook bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging, de beslissing ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen en de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.
Ook zal het hof:
 de in het vonnis onder 4.1 opgenomen bewijsoverwegingen vervangen door de hierna opgenomen bewijsoverweging van het hof, gelet op de in hoger beroep gewijzigde proceshouding van de verdachte en de daarmee verband houdende verweren. Wel zullen delen van de overwegingen van de rechtbank worden overgenomen, omdat het hof zich daarin kan vinden.
 de bewijsmiddelen vervangen en na het eventueel instellen van beroep in cassatie uitwerken in de dan op te maken aanvulling op dit arrest.
Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde (uitlokking van medeplegen van moord)
Inleiding
Op 22 december 2021 werd [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) neergeschoten in Amstelveen. Diezelfde dag is hij aan zijn verwondingen overleden.
Op grond van de inhoud van het dossier en wat ter zitting is besproken is vast komen te staan dat de moord op [slachtoffer] is uitgevoerd door [Naam 1] en [Naam 2] . Zij hebben in de periode van 15 december 2021 tot en met 22 december 2021 intensief met elkaar samengewerkt om de liquidatie van [slachtoffer] uit te voeren. Zo hebben zij veelvuldig contact met elkaar onderhouden en een vuurwapen opgehaald waarmee zij hebben proefgeschoten. Ook hebben zij voorverkenningen uitgevoerd, een baken onder de auto van [slachtoffer] geplaatst en uiteindelijk op 22 december 2021 de moord op [slachtoffer] uitgevoerd. [Naam 1] heeft toen de vluchtauto bestuurd en [Naam 2] heeft geschoten. Zij zijn bij arresten van dit hof van 23 oktober 2023 (onherroepelijk) veroordeeld wegens het medeplegen van de moord.
De verdachte wordt ervan verdacht dat hij de opdracht tot deze moord heeft gegeven. In juridische termen is het verwijt dat hij deze moord heeft ‘uitgelokt’.
Anders dan in eerste aanleg heeft de verdachte in hoger beroep een verklaring afgelegd bij de politie en ter zitting, waarin hij – kort samengevat – heeft erkend dat hij in de periode van 15 december 2021 tot en met 22 december 2021 berichten heeft verstuurd aan [Naam 1] . Hij stuurde deze berichten door in opdracht van een ander. Ook heeft de verdachte geregeld dat [Naam 1] via anderen een vuurwapen en een baken kreeg. Het doel was niet om een aanslag op [slachtoffer] te plegen, maar om hem te beroven van zijn horloge, aldus de verdachte.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het onder 1 primair tenlastegelegde (uitlokking van medeplegen van moord) wordt bewezenverklaard, gelet op de inhoud van de berichten en de verklaringen van de mededaders [Naam 1] en [Naam 2] . Het door de verdachte geschetste alternatieve scenario vindt geen enkele steun in het dossier. Bovendien heeft de verdachte pas in hoger beroep, dus na kennisname van het complete dossier, verklaard dat het de bedoeling was het slachtoffer te beroven van zijn horloge en het niet de bedoeling was hem te vermoorden. Hij had op het moment van het afleggen van zijn verklaring dus kennis van de hem belastende onderzoeksgegevens, waardoor het voor hem mogelijk was om zijn verklaring af te stemmen op de inhoud van het dossier. Hiermee wordt op voorhand afbreuk gedaan aan de aannemelijkheid van het alternatieve scenario dat door de verdachte is geschetst.
Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde wordt bewezenverklaard en dat het OM niet-ontvankelijk wordt verklaard ten aanzien van feit 5, omdat de verdachte voor dat feit al veroordeeld is in België.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde integraal vrij te spreken. De verdachte betwist dat hij wist dat er een liquidatie zou plaatsvinden; hij ging er vanuit dat het de bedoeling was dat het slachtoffer zou worden beroofd van zijn (dure) horloge en daar zagen de door hem verstuurde berichten dan ook op. Hij handelde daarbij in opdracht van iemand anders. De inhoud van de berichten en het feit dat de verdachte een wapen en een baken aan [Naam 1] ter beschikking heeft laten stellen maken dat niet anders. De andersluidende verklaring van [Naam 1] , die aangeeft te zijn benaderd door de hem onbekende [Naam 3] in verband met een moord, is onbetrouwbaar en moet voor het bewijs worden uitgesloten.
De verdediging heeft geen op- of aanmerkingen ten aanzien van de feiten 2, 3 en 4 en verzoekt het hof om het OM ten aanzien van feit 5 niet ontvankelijk te verklaren, overeenkomstig het vonnis van de rechtbank.
Overwegingen van het hof
Het hof gaat op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting uit van de in de inleiding en verder hierna genoemde feiten.
De chatgesprekken
Overeenkomstig het vonnis van de rechtbank neemt het hof hieronder in chronologische volgorde op aan welke chatgesprekken de verdachte in de aanloop naar de moord heeft deelgenomen. De verdachte heeft op 22 juli 2024 tegenover de politie bekend de betreffende gesprekken van [Naam 3] , leintimidateurr en jbullygetspaid te hebben verstuurd aan [Naam 1] , die blijkens het dossier ook wel ‘ [Naam 1] ’ wordt genoemd.
15 december 2021:
In de telefoon van [Naam 1] is te zien dat hij op 15 december 2021 om 00:54 uur een foto ontvangt van [Naam 3] . Dit betreft een foto van het slachtoffer [slachtoffer] . [Naam 1] heeft verklaard dat rondom dit moment ook het adres van [slachtoffer] werd gedeeld.
Verder zijn in zijn telefoon foto’s aangetroffen van gesprekken op 15 december 2021 met de tijdstippen 01:08 uur, 13:36 uur en 13:41 uur. Dit betreffen foto’s van het scherm van een andere telefoon, waarvan [Naam 1] heeft verklaard dat hij die in gebruik had. Op de foto’s zijn gesprekken te zien tussen [Naam 1] en [Naam 3] . In één van deze gesprekken wordt door [Naam 3] ‘ [woontplaats] ’ (het hof begrijpt: [woontplaats] ) genoemd, de woonplaats van het slachtoffer.
Om 01:08 uur is het volgende gesprek zichtbaar:
[Naam 3] : [Naam 4] kom ik met iets waardoor je vrijdag kan
NN-gebruiker: Ai ns
[Naam 3] : Easy toch?
[Naam 3] : Oke en met een capuchon aanbellen is niet slim
[Naam 3] : Met een doos ofzo snap je
[Naam 3] : Er zijn geen camera's in de straat
NN-gebruiker: Ja Drm Ga hem zeggen Doe alsofje iets gaat bezorgen
[Naam 3] : Top
Evenals de rechtbank interpreteert het hof dit gesprek zo dat [Naam 3] morgen met iets komt waardoor zij vrijdag kunnen. Daarnaast geeft [Naam 3] instructies over hoe aan te bellen.
Om 13:36 uur wordt het volgende gesprek gevoerd:
NN- [Naam 3] : (Ik stuurde je gister)
NN- [Naam 3] : O van p haha so
NN- [Naam 3] : Si
NN-gebruiker: (lachende emoji)
NN- [Naam 3] : [adres 2]
NN-gebruiker: Aii
Evenals de rechtbank interpreteert het hof dit gesprek zo dat wordt gesproken over de plek waar ’p’, het pistool, moet worden opgehaald. De verdachte heeft in hoger beroep bekend dat hij heeft geregeld dat er een vuurwapen kon worden opgehaald in de buurt van zijn oude adres. Dit sluit ook aan op de verklaring van [Naam 1] dat hij en de mededader het wapen hebben opgehaald nabij het adres [adres 2] en vervolgens met dit wapen hebben proefgeschoten in het [adres 3] . [adres 2] betreft een historisch GBA-adres van de verdachte.
16 december 2021:
Travez Anrago heeft verklaard dat hij samen met de schutter in de avond van 16 december 2021 het wapen heeft opgehaald nabij het adres [adres 2] en dat zij vervolgens zijn gaan proefschieten in het [adres 3] . Er is een screenshot aangetroffen in de telefoon van de verdachte met daarop het volgende
gesprek tussen [Naam 1] ( [Naam 1] ) en “ik’ (verdachte) op 16 december 2021.
[Naam 1] : Ben 18:35, 19 bij die man
Ik: 18:35?
[Naam 1] : geef hem die tijd. 18:45 man
In de telefoon van [Naam 1] zijn filmpjes aangetroffen die zijn gemaakt in het [adres 3] op 16 december 2021 tussen 19:42 en 19:44 uur. De verdachte heeft in hoger beroep verklaard dat de chauffeur (het hof begrijpt: [Naam 1] ) een filmpje heeft gestuurd van het proefschieten nadat ‘ze het wapen hebben opgehaald’. Gelet hierop, op het gesprek van de vorige middag en de verklaring van [Naam 1] , interpreteert het hof, evenals de rechtbank, het gesprek zo dat wordt bedoeld dat [Naam 3] van [Naam 1] moet doorgeven dat hij om 18:45 uur bij [adres 2] is om het wapen op te halen.
17 december 2021:
In de telefoon van de verdachte is een screenshot aangetroffen van een gesprek dat heeft plaatsgevonden met [Naam 5] ( [Naam 1] ). Op dit screenshot is het volgende gesprek te lezen:
[Naam 5] : Ben ko man, ze he(bben wag)gie pica gemaakt , ze gingen blauw bellen en 3 mannen gingen met die Blemmer takken man
[Naam 3] : Sang
[Naam 5] : Ja man. Kk
[Naam 3] : Waar stond hij voor die deur ofzo. Zeker black on black kill
[Naam 5] : Noh Bij de uitgang van die straat man. Daarna deed hij alsof hij ging joggen, grijze hoodie met zwarte brakka.
[Naam 3] : Jullie moeten niet 2 uur Staan op een plek Rondjes maken Hoe weet je van blauw
Uit de camerabeelden, de Snappcargegevens en de telefoongegevens van [Naam 1] blijkt dat op 17 december 2021 in de vroege ochtend een voorverkenning heeft plaatsgevonden bij de woning van [slachtoffer] . Uit de camerabeelden blijkt dat een persoon bij de woning van het slachtoffer rondhangt, heen en weer loopt en even later heen en weer jogt langs de woning. Ook blijkt dat [Naam 1] de gehuurde auto inlevert bij Snappcar en twee dagen later een andere auto huurt.
Gelet hierop wordt het bovenstaande gesprek dan ook zo geïnterpreteerd dat hier wordt gesproken over de voorverkenning bij de woning van [slachtoffer] op 17 december 2021.
20 december 2021:
[Naam 1] heeft verklaard dat het baken op 20 december 2021 onder de auto van [slachtoffer] is geplakt. Aan de hand van de telefoongegevens van [Naam 1] in combinatie met gegevens van het baken kan vastgesteld worden dat het telefoonnummer van het baken op 20 december 2021 voor het eerst registraties vertoont om 01:58 uur en vermoedelijk vanaf dat moment geactiveerd is. Om 01:53 uur wordt door [Naam 1] via Snapchat gebeld naar het snapchataccount “leintimidateurr’ en om 01:58 uur naar het Snapchataccount ‘jbullygetspaid’ met displaynaam ' [Naam 6] ’, alle in gebruik bij de verdachte. Deze communicatie valt dus samen met het activeren van het baken.
22 december 2021:
[slachtoffer] wordt rond 10:45 uur beschoten in de [adres 4] .
23 december 2021:
[Naam 1] heeft een gesprek met [Naam 2] over de uitbetaling van het geld. In dit gesprek is het volgende te lezen:
15:54:30 ontvangen: Bra hoop dat die mannen me niet boren eh bra
15:54:33 ontvangen: Hoop et echt
15:55:43 ontvangen: Pff
15:55:51 ontvangen: Kan [Naam 7] niet langer wachten
15:56:03 ontvangen: Geen dag later
15:56:08 ontvangen: Dit was M!
15:56:18 ontvangen: Moest et gelijk krijgen al
15:56:24 ontvangen: Maak ss van dit
15:56:27 ontvangen: Dens die lik
15:56:30 verzonden: No message content to display.
15:56:39 verzonden: Aii
15:56:40 ontvangen: Want ben kk heet nu eh
16:33:41 ontvangen: Weet hij ook nii rond hlt die pap komt?
Tegelijkertijd voert [Naam 1] ook een gesprek met de verdachte via het snapchataccount ‘leintimidateurr’, waarin het volgende te lezen is:
15:55:34 ontvangen: Ga
15:55:35 ontvangen: Hem
15:55:35 ontvangen: Dit
15:55:36 ontvangen: Senden
15:55:44 verzonden: Sii
16:26:45 ontvangen: No message content to display.
16:26:45 ontvangen: Bruya mannetje kon hij dit gw niet eerder zeggen
In de telefoon van de verdachte is een screenshot aangetroffen van een gesprek met ‘ [Naam 8] ’ op 23 december 2021 om 21:58 uur. In dit gesprek is het volgende te lezen:
[Naam 3] : Ja bro dat is er gezegd komtgoed
[Naam 8] : Broer die [afkorting] loopt die man. Aan haakje te houden. Hij zegt gister. Dan vandaag
[Naam 3] : Wie is [afkorting]
[Naam 8] : [Naam 1] . Die kk [Naam 8]
[Naam 3] : Ja komt door mijn betaler b
[Naam 1] wordt, zoals gezegd, ook wel ‘ [Naam 1] ’ genoemd en uit de stukken blijkt dat [Naam 8] ook een contact is van [Naam 1] en [Naam 2] . Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat de gesprekken zo moeten worden geïnterpreteerd dat zij betrekking hebben op de betaling voor het uitvoeren van de moord op [slachtoffer] .
Verklaring van [Naam 1]
heeft op 18 juli 2022 bij de politie een bekennende verklaring afgelegd over zijn betrokkenheid bij de moord. Hij heeft verklaard dat hij in de week van 17 december 2021 via Snapchat door iemand is benaderd met de vraag of hij wilde autorijden bij een moord en of hij de trekker wilde overhalen. Hierbij is hem een bepaald geldbedrag in het vooruitzicht gesteld. [Naam 1] heeft aangegeven dat hij niet de trekker wilde overhalen, maar dat hij wel wilde rijden. Op een gegeven moment kreeg hij een foto en het adres van het slachtoffer doorgestuurd. Ook kregen hij en de schutter een vuurwapen geleverd dat ze moesten ophalen, met daarbij het adres [adres 2] . Ze hebben het vuurwapen opgehaald en met dit vuurwapen hebben zij proefgeschoten in het [adres 3] .
Omdat het volgens de opdrachtgever allemaal te lang duurde kregen zij een baken geleverd om het slachtoffer te volgen. Dit baken kon volgens de opdrachtgever als een magneet onder de auto van het slachtoffer worden geplakt. Het slachtoffer is twee dagen later, op 22 december 2021, geliquideerd.
De persoon die [Naam 1] via social media zou hebben benaderd, geld in het vooruitzicht heeft gesteld en hem zou hebben voorzien van informatie, het wapen en het baken, had de displaynaam ‘ [Naam 3] ’.
Op 16 april 2025 is [Naam 1] als getuige verhoord bij de raadsheer-commissaris. Daar heeft hij in grote lijnen hetzelfde verklaard.
De verdediging heeft bepleit dat de verklaring van [Naam 1] als onbetrouwbaar dient te worden beschouwd en dus moet worden uitgesloten van het bewijs. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat het bericht dat door [Naam 3] naar [Naam 1] zou zijn gestuurd met de vraag of hij de auto wilde besturen of de trekker wilde overhalen zich niet in het dossier bevindt. Er kan dan ook niet worden vastgesteld wat de inhoud van dit bericht is en of dit bericht überhaupt bestaat. De verdachte heeft ontkend een dergelijk bericht te hebben gestuurd. Volgens de verdachte slaan de aangetroffen berichten op een beroving, waarbij een horloge buitgemaakt moest worden. De raadsman heeft verder aangevoerd dat [Naam 1] een groot strategisch belang had bij het afleggen van een dergelijke verklaring, omdat dat zijn rol in het geheel zo klein mogelijk zou maken. De verklaring van [Naam 1] klopt feitelijk ook niet, omdat er al telefonisch contact tussen hem en [Naam 2] was in november 2021. [Naam 1] heeft welbewust zijn rol willen minimaliseren, door zich voor te doen als iemand die gelijk was aan [Naam 2] , terwijl hij [Naam 2] heeft geronseld. Hij stond als enige in contact met [Naam 2] en heeft hem benaderd om de heer [slachtoffer] van het leven te beroven, zo heeft [Naam 2] verklaard. De verklaring van [Naam 2] ten overstaan van de raadsheer-commissaris is boven alle twijfel verheven. Hij was immers al onherroepelijk veroordeeld en had geen strategisch belang om te liegen, aldus de raadsman.
Het hof overweegt als volgt.
[Naam 1] heeft zowel in zijn verhoor als verdachte van 18 juli 2022 als opnieuw in het getuigenverhoor bij de raadsheer-commissaris op 16 april 2025 bevestigd dat hij is benaderd door het account met de naam [Naam 3] . [Naam 1] heeft daarover op 18 juli 2022 verklaard dat hij werd benaderd met de vraag of hij wilde autorijden en vervolgens ook of hij ‘de trekker wilde overhalen’, waarop hij heeft gezegd dat hij alleen wilde rijden.
De verdachte heeft bekend dat hij de hiervoor opgenomen berichten heeft uitgewisseld met [Naam 1] , hem de foto’s en het adres van het slachtoffer heeft gestuurd, aanwijzingen heeft gegeven en een wapen en een baken heeft verstrekt. Ook heeft de verdachte tot vlak voor de liquidatie in contact gestaan met [Naam 1] . De verdachte heeft daarover verklaard dat hij wist dat het slachtoffer op dat moment bij de tandarts (in Amstelveen) was, omdat de uitvoerders hem hadden laten weten: “die man is nu bij de tandarts”. In zoverre vindt de verklaring van [Naam 1] dus ook bevestiging in de verklaring van de verdachte.
Evenals de rechtbank meent het hof dat de verklaring van [Naam 1] ook verder strookt met de bewijsmiddelen in het dossier, waarbij de chatberichten gelden als objectieve gegevens.
Daar komt bij dat uit niets blijkt dat er sprake zou zijn van een plan waarin het slachtoffer [slachtoffer] ‘enkel’ van zijn horloge zou worden beroofd. Ook [Naam 2] , die onherroepelijk is veroordeeld voor het doodschieten van [slachtoffer] , heeft als getuige bij de raadsheer-commissaris klip en klaar verklaard dat hij werd gevraagd om iemand dood te schieten. Over de diefstal van het horloge van het slachtoffer is niet gesproken, aldus de medeverdachten bij de raadsheer-commissaris.
De verdachte heeft zijn verklaring op dat punt niet willen of kunnen onderbouwen, ook niet op onderdelen waarbij niet voor de hand ligt dat hij dan het gevaar zou lopen om als verrader te worden gezien door andere, onbekend gebleven betrokkenen. Zo heeft de verdachte zowel bij de politie als op de terechtzitting in hoger beroep geen informatie willen geven over de persoon die voor hem uiteindelijk ‘zijn geld’ zou hebben opgehaald na de liquidatie, ondanks dat deze persoon volgens de verdachte niets met het hele gebeuren te maken had. Het hof is van oordeel dat het in dit stadium van het proces op de weg van de verdachte had gelegen om zijn verklaring zo veel mogelijk handen en voeten te geven.
Dat [Naam 1] heeft verklaard dat hij [Naam 2] niet heeft benaderd om te schieten, terwijl [Naam 2] heeft verklaard dat hem dat wel door [Naam 1] is gevraagd, is onvoldoende reden om de verklaring van [Naam 1] daarom al onbetrouwbaar te vinden.
[Naam 1] had zelf aangegeven alleen te willen rijden, wat tot logisch gevolg heeft dat er nog iemand anders benaderd moest worden. Het hof wil best aannemen dat [Naam 1] in die situatie zelf zijn kennis [Naam 2] heeft benaderd om ‘te schieten’, zoals naar voren gebracht door de verdediging overeenkomstig de verklaring van [Naam 2] bij de raadsheer-commissaris.
Het komt vaker voor dat (mede)verdachten (als getuige) in strafzaken menen dat zij er goed aan doen om hun rol op onderdelen te beperken. Dat geldt mogelijk ook voor [Naam 1] , en voor de verdachte, die immers nog niet onherroepelijk is veroordeeld. Het hof gaat daarom behoedzaam om met deze verklaringen.
Het hof acht echter de hiervoor samengevatte delen van de verklaring van [Naam 1] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs, omdat deze onderdelen worden ondersteund door andere bewijsmiddelen, die onafhankelijk van zijn verklaring bestaan. Deze onderdelen zien op de kern van de beschuldiging. Dat ondergeschikte details uit de verklaringen van [Naam 1] die door de verdediging naar voren zijn gebracht -zoals dat [Naam 1] de rol van bestuurder kreeg terwijl hij op dat moment nog geen rijbewijs had- vragen oproepen, maakt dat oordeel niet anders.
Tussenconclusie
Gelet op de verklaring van [Naam 1] , de hiervoor genoemde chats en de overige bewijsmiddelen in het dossier stelt het hof vast dat de verdachte contact heeft gehad met [Naam 1] over de moord op [slachtoffer] . De verdachte heeft hem gevraagd auto te rijden dan wel de trekker over te halen. Zoals hiervoor overwogen blijkt uit niets dat er sprake zou zijn van een plan waarin het slachtoffer [slachtoffer] ‘enkel’ van zijn horloge zou worden beroofd, terwijl daarentegen bij beide mededaders vanaf het begin duidelijk was dat het om het doden van een persoon ging en de opdracht bij de verdachte vandaan is gekomen.
Kwalificatie
De volgende vraag is hoé de handelingen van de verdachte gekwalificeerd moeten worden, oftewel kan het onder 1 primair, 1 subsidiair of 1 meer subsidiair tenlastegelegde worden bewezen.
Voor een bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde ‘uitlokking’ dient vast komen te staan dat:
  • de uitlokker de uitgelokte heeft aangezet het delict te plegen;
  • de uitlokker opzet heeft gehad op de uitlokking en op het delict waartoe de ander is aangezet:
  • de uitlokker daartoe gebruik heeft gemaakt van een of meer van de uitlokkingsmiddelen die in de wet worden genoemd; en
  • het uitgelokte delict is uitgevoerd.
Aan al deze voorwaarden is door de verdachte voldaan. Hij heeft [Naam 1] op het idee gebracht om de moord op [slachtoffer] uit te voeren en hem daarvoor een geldbedrag in het vooruitzicht gesteld. De verdachte heeft [Naam 1] verder middelen en inlichtingen verschaft door een foto van het slachtoffer en zijn adres te delen en een vuurwapen en een baken te leveren. Deze middelen en inlichtingen zijn cruciaal geweest en hebben ervoor gezorgd dat [slachtoffer] op 22 december 2021 is vermoord.
Voor een bewezenverklaring is niet vereist dat de verdachte ook rechtstreeks contact heeft gehad met [Naam 2] . De wettekst spreekt over het uitlokken van een feit en niet over het uitlokken van een bepaald persoon. Voldoende is dat de verdachte [Naam 1] heeft overgehaald om de moord op [slachtoffer] te plegen. Dat die de moord met [Naam 2] heeft uitgevoerd, zodat sprake is van medeplegen, valt binnen het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte. Uit de chatberichten kan worden afgeleid dat de verdachte bovendien wist dat de moord zou worden gepleegd door twee personen.
Conclusie
Gelet op bovenstaande is het hof net als de rechtbank van oordeel dat onder 1 primair tenlastegelegde uitlokking van het medeplegen van de moord op [slachtoffer] wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde, met toepassing van het meerderjarigenstrafrecht overeenkomstig artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren, met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat voldaan is aan de criteria van artikel 77b Sr en dat het meerderjarigenstrafrecht moet worden toegepast vanwege – kort gezegd – de ernst van de zaak en de uitzonderlijke omstandigheden waaronder het feit is gepleegd. Zij ziet ook in de persoon van de verdachte geen reden om het jeugdsanctierecht toe te passen. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair, 2, 3 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 19 jaren, met aftrek van voorarrest, waarbij de advocaat-generaal in strafverminderende zin rekening heeft gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep van 14 maanden.
De raadsman heeft het hof primair verzocht, als het hof tot een bewezenverklaring komt, gelet op de leeftijd en de persoon van de verdachte, hem te berechten op grond van het jeugdstrafrecht. Ook in de ernst van het feit moet geen aanleiding worden gevonden voor het toepassen van het meerderjarigenstrafrecht, omdat dit ook niet is gebeurd bij de mededader [Naam 2] , notabene de schutter. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat het hof, bij toepassing van het meerderjarigenstrafrecht, een forse matiging toepast gelet op de leeftijd van de verdachte. Daarbij zou er wegens de schending van de redelijke termijn een strafkorting moeten plaatsvinden van 50%.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.
Ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan
De verdachte heeft de moord op [slachtoffer] uitgelokt. De aanleiding voor de moord is niet komen vast te staan. Het lijkt sterk op een liquidatie: een in georganiseerd verband, zorgvuldig voorbereid en op bestelling gepleegde moord, tegen betaling. De verdachte heeft een ander overgehaald om het leven van [slachtoffer] af te nemen en daarmee heeft hij blijk gegeven van een totaal gebrek aan respect voor het leven van een ander. De verdachte heeft door zijn handelen onherstelbaar en onbeschrijflijk leed en verdriet toegebracht aan de nabestaanden. Uit de slachtofferverklaring die namens de partner en de drie dochters van [slachtoffer] ter zitting in hoger beroep is voorgedragen blijkt indringend welk verdriet het plotselinge en gewelddadige verlies tot op de dag van vandaag veroorzaakt bij de nabestaanden.
Daar komt bij dat deze moord op klaarlichte dag, op straat is gepleegd in het bijzijn van meerdere
getuigen. Dit moet zeer beangstigend voor hen zijn geweest. De mededader heeft het vuur geopend op
straat en heeft daarbij in de richting van een speelveldje geschoten waar op dat moment kinderen aan het
spelen waren. Ook is een van de kogels door een raam van een woning gegaan waar op dat moment
iemand zat te werken, wat een zeer beangstigende ervaring moet zijn geweest.
De verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan witwassen van luxegoederen en het van het plegen van witwassen een gewoonte maken ten aanzien van flinke geldbedragen. Witwassen vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Daarnaast werkt het faciliterend voor ander strafbaar handelen.
Persoon van de verdachte en adviezen van deskundigen
Wat betreft de persoon van de verdachte heeft het hof, in aanvulling op de stukken die reeds in eerste aanleg in het dossier waren opgenomen, kennis genomen van:
  • een door [Naam 9] , GZ-psycholoog, [Naam 10] , psychiater, en [Naam 11] , milieuonderzoeker, opgemaakt Pro Justitia rapport van 12 mei 2025;
  • een door voornoemde [Naam 9] en [Naam 10] opgemaakt aanvullend Pro Justitia rapport van 23 maart 2026;
  • een adviesrapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 7 juni 2026, ten behoeve van de zitting in hoger beroep;
  • hetgeen door de voornoemde deskundigen en [Naam 9] en [Naam 10] en door [Naam 12] , namens de Raad op de terechtzitting van 18 juni 2026 naar voren is gebracht.
De deskundigen [Naam 9] en [Naam 10] hebben ter zitting in hoger beroep gepersisteerd bij hun bevindingen en de daaruit voortvloeiende conclusies. Kort samengevat komen hun bevindingen erop neer dat bij de verdachte geen psychische stoornis en/of verstandelijke handicap kon worden vastgesteld, ook niet in de periode van de tenlastegelegde feiten. Er is in ieder geval sprake van een gemiddelde intelligentie. Of er sprake is van twee gezichten namelijk een true en false self waarbij de verdachte een sociaalwenselijke en sociaalvaardige bovenlaag heeft die een hardere onderlaag overdekt, is moeilijk te zeggen. Het is een hypothese aangezien er weinig bekend is over de dynamiek bij de deelname van de verdachte aan criminele activiteiten. Het milieuonderzoek geeft evenwel geen evidente aanwijzingen voor deze hypothese. De tijd zal hier naar verwachting meer uitsluitsel over geven. Aangezien er geen stoornis wordt vastgesteld, is er geen reden om aan te nemen dat betrokkene om die reden in zijn wilsvrijheid werd beperkt. Het tenlastegelegde kan daarom volledig aan de verdachte worden toegerekend.
Ten aanzien van de vraag naar de toepassing van jeugd- dan wel meerderjarigenstrafrecht hebben de deskundigen gerapporteerd dat – voor zover mogelijk terugkijkend in de tijd – geen aanwijzingen zijn gevonden dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde in zijn ontwikkeling ver vooruit liep op zijn leeftijdsgenoten. Er worden in retrospectief geen gedragskundige argumenten gevonden, zijnde argumenten gelegen in de persoonlijkheid en/of ontwikkeling van betrokkene, die aanleiding zouden kunnen geven om te adviseren tot toepassing van het meerderjarigenstrafrecht.
Aangezien er geen stoornis kan worden aangetoond en dus geen doorwerking, is het niet
mogelijk om een op pathologie gebaseerde risicoanalyse te doen. Er zijn wel zorgen over zijn contacten binnen het procriminele milieu waarbij er geen volledig zicht is verkregen op zijn handel en wandel. Er kan daarom geen uitspraak gedaan worden ten aanzien van de kans op recidive. Bij deze stand van zaken kan geen advies voor begeleiding of behandeling in een strafrechtelijk kader uitgebracht worden.
De Raad, heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij het in het rapport opgenomen advies om het meerderjarigenstrafrecht toe te passen. De Raad kijkt daarbij, anders dan voor de deskundigen van het NIFP geldt, niet alleen naar de persoon van de verdachte, maar ook naar de ernst van het feit en de context. De Raad is veelal voorstander van het toepassen van het jeugdstrafrecht voor minderjarigen, maar gelet op de ernst van de verdenking en de deels ontkennende houding van verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde is de Raad van mening dat de uitzondering van toepassing is. Een bewezenverklaring brengt mee dat de verdachte in staat is een moord te kunnen beramen en door anderen uit te laten voeren. Daar komt bij het witwassen van grote bedragen, het voorhanden hebben van luxe goederen en het bezit van (automatische) wapens. De Raad is van mening dat hier geen ander advies mogelijk is dan het toepassen van het volwassenstrafrecht. Minder ingrijpende opties zijn niet passend bij de ernst van de feiten. Uit het persoonlijkheidsonderzoek zijn onvoldoende aanknopingspunten naar voren gekomen (zoals stoornissen of een lager IQ), dat het advies richting jeugdstrafrecht en/of behandeling zou kunnen gaan. Ondank dat de verdachte nog minderjarig was, ziet de Raad een opdracht geven tot het plegen van een moord als een volwassen daad, waarbij in zijn situatie ook alleen het volwassenstrafrecht passend wordt geacht.
Oordeel van het hof over het toe te passen sanctiestelsel
De verdachte was ten tijde van het plegen van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten 17 jaar en 5 maanden oud. Hoofdregel is dat het minderjarigenstrafrecht dan van toepassing is. Op grond van artikel 77b Sr kan de verdachte bij wijze van uitzondering volgens het meerderjarigenstrafrecht berecht worden. Dit kan alleen als de ernst van het begane feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan daartoe aanleiding geven.
Ten aanzien van de ernst van het feit
De uitlokking van moord is een van de ernstigste misdrijven die ons wetboek kent. De liquidatie was zorgvuldig gepland en uitgevoerd en draagt daarmee een volwassen karakter.
Ten aanzien van de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd
De rol van de verdachte bestond eruit dat hij [Naam 1] heeft benaderd om tegen betaling de liquidatie te plegen en hij heeft hiervoor de benodigde inlichtingen verschaft. Ook heeft de verdachte geregeld dat de mededaders een wapen kregen. Tijdens de voorbereiding, die -voorzover bekend-ongeveer een week heeft geduurd, heeft de verdachte druk uitgevoerd op een vlotte uitvoering, door sturende aanwijzingen te geven over de wijze van observatie van het slachtoffer en zijn woning en vervolgens een volgbaken te regelen, toen het kennelijk te lang duurde. Uit dit alles blijkt niet van jeugdig, ondoordacht of impulsief handelen, maar juist van weloverwogen en bedachtzaam handelen. Daarnaast is het de verdachte geweest die een ander heeft aangezet tot het plegen van de liquidatie, wat op zichzelf al een volwassen karakter draagt.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte
Het hof overweegt dat de verdachte ten tijde van het feit ruim 17 jaar oud was en dat geen sprake was van een achterlopende ontwikkeling. In de Pro Justitia rapportage is vastgesteld dat in ieder geval sprake is van een gemiddelde intelligentie en er is geen stoornis vastgesteld die zijn wilsvrijheid mogelijk heeft beperkt. Het hof rekent het bewezenverklaarde de verdachte daarom volledig toe, gelet op de adviezen van de psycholoog en de psychiater dienaangaande. Er worden geen adviezen tot begeleiding of behandeling gegeven door de deskundigen.
Inmiddels is de verdachte 22 jaar oud en heeft hij ruim 3 jaar in een Penitentiaire Inrichting (PI) voor volwassenen doorgebracht. Uit informatie vanuit de PI Lelystad blijkt dat hij zich daar goed staande kan houden en dat er geen zorgen zijn.
Hoewel de verdachte, anders dan in eerste aanleg, heeft meegewerkt aan het persoonlijkheidsonderzoek en tegenover de politie en ter zitting een deels bekennende verklaring heeft afgelegd, heeft de verdachte ook nu niet het achterste van zijn tong laten zien. Hierdoor blijft het beeld bestaan dat de verdachte een persoon is die zijn kansen berekent en daar vervolgens naar handelt. Een eigenschap die blijkt geeft van een volwassen houding. Ook blijft onduidelijk hoe diep de verdachte zich in het criminele circuit bevindt. Wel staat vast dat de verdachte, zelfs na de gepleegde liquidatie, verder is gegaan met het plegen van strafbare feiten. Het hof vindt het stuitend dat de verdachte een dag na de liquidatie alweer een nieuwe ‘geweldsklus’ had ‘uitgezet’. Er moest iemand mishandeld worden tegen een beloning van 500 euro. Vervolgens werd de verdachte in februari 2022 in België aangehouden en later berecht wegens het voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen en deelname aan een criminele organisatie. De verdachte heeft daarover verklaard dat het de bedoeling was dat hij een woning zou beschieten met het wapen. Ook het witwassen is gedurende een langere periode gepleegd, ook nadat de verdachte al meerderjarig was. Uit het voorgaande maakt het hof op dat al voordat de verdachte gedetineerd raakte, sprake was van verharding en een pro-criminele houding.
Conclusie
Gelet op het voorgaande zal het hof, net als de rechtbank, het sanctiestelsel voor meerderjarigen toepassen. Dit, gelet op de aard en ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd terwijl hetgeen over de huidige persoonlijkheid van de verdachte bekend is daartoe ook aanleiding geeft. Waar de psycholoog en psychiater nadrukkelijk hebben teruggekeken of er destijds, toen de verdachte de feiten pleegde, gedragskundige argumenten waren die aanleiding zouden kunnen geven om te adviseren tot toepassing van het meerderjarigenstrafrecht, betrekt het hof ook de huidige situatie daarbij. Het hof ziet nu een zelfstandige 22-jarige man, waarbij geen mogelijkheden tot behandeling of pedagogische beïnvloeding worden gezien en die zich prima staande weet te houden in een PI. Het hof acht in deze zaak met deze verdachte het jeugdstrafrecht niet toereikend. Het uitgangspunt dat minderjarigen volgens het minderjarigenstrafrecht worden bestraft en de persoonlijkheid van de verdachte ten tijde van het feit, zijn van onvoldoende gewicht om anders te kunnen oordelen.
Anders dan door de raadsman is gesteld heeft het hof ook in het arrest van de destijds eveneens minderjarige mededader [Naam 2] nadrukkelijk overwogen dat de ernst van het feit een indicatie was om het meerderjarigenstrafrecht toe te passen, maar in die zaak zag het hof in de persoon van de verdachte reden om dat niet te doen. Dat laatste is in de zaak van verdachte nadrukkelijk anders.
Strafmaat
De strafbepaling in dit soort ernstige zaken is een uitermate ingewikkelde taak, doordat zowel de belangen van de toen minderjarige verdachte enerzijds, als die van de nabestaanden en de samenleving anderzijds zwaar wegen. De jeugdige verdachte heeft er belang bij dat hij niet (verder) wordt afgesneden van de maatschappij en perspectief blijft houden op een stabiele toekomst. De nabestaanden hebben recht op genoegdoening en de maatschappij verwacht dat ernstige misdaden passend worden bestraft. Dit alles afwegende, ontkomt het hof er niet aan om in deze zaak aan de verdachte een langdurige gevangenisstraf op te leggen, gelet op de aard, ernst van met name feit 1 en omstandigheden waaronder dit feit is gepleegd.
Zoals hiervoor overwogen heeft de verdachte door een ander uit te lokken tot het medeplegen van de moord niet alleen het leven van het slachtoffer ontnomen, maar ook het leven van de twee uitvoerders laten ontsporen. Dat, zoals de verdediging heeft gesteld, iemand anders heeft ‘besloten’ dat [slachtoffer] moest worden geliquideerd en dit uitgezet heeft bij de verdachte, doet aan het strafwaardige van zijn handelen niet af. Hij heeft de moord wel rechtstreeks teweeggebracht.
Naast de strafdoelen vergelding en beveiliging van de samenleving speelt daarnaast ook mee dat het hof andere minderjarigen ervan wil weerhouden om voor het ‘snelle geld’ betrokken te raken bij dit soort ernstige strafbare feiten.
In het algemeen zou het hof doorgaans een hogere straf opleggen voor de uitlokker dan voor de plegers van een strafbaar feit. In deze zaak ziet het hof echter, gelet op de jonge leeftijd van de verdachte, aanleiding om aansluiting te zoeken bij de straf die aan de toen 20-jarige mededader [Naam 1] is opgelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaren. Alles afwegende acht het hof deze straf in beginsel ook passend voor de verdachte.
Redelijke termijn
Als uitgangspunt geldt in deze zaak, waarin de verdachte al langer dan zestien maanden in voorlopige hechtenis verkeert, dat de behandeling in hoger beroep moet zijn afgerond met een eindarrest binnen zestien maanden nadat hoger beroep is ingesteld. Bijzondere omstandigheden om daarvan af te wijken heeft het hof in deze zaak niet vastgesteld. Het hof constateert dat de redelijke termijn in de appelfase met veertien maanden is overschreden.
Rekening houdend met vermindering van straf in verband met de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 17 jaren passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

Vorderingen van de benadeelde partijen

De benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] , respectievelijk de partner en de drie dochters van het slachtoffer van feit 1, hebben zich in hoger beroep aanvankelijk opnieuw gevoegd voor de bedragen van hun oorspronkelijke vorderingen. De advocaat van de benadeelde partijen heeft echter voorafgaande aan de zitting van 18 juni 2026 schriftelijk laten weten dat de in de zaken van de onherroepelijk veroordeelde mededaders [Naam 1] en [Naam 2] toegewezen schadeposten door de Staat aan de benadeelde partijen zijn uitgekeerd in het kader van de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen. Op de terechtzitting in hoger beroep van 18 juni 2026 heeft de advocaat van de benadeelde partijen aangegeven dat de benadeelde partijen hun vorderingen intrekken voor zover deze zien op de bij de mededaders toegewezen schadeposten, te weten:
- [benadeelde 1] : € 4.969,90 (kosten uitvaart), € 1.815,00 (kosten [Naam 13] ) en
€ 20.000 (affectieschade);
- [benadeelde 2] : € 855,65 (kosten notaris) en € 17.500,00 (affectieschade);
- [benadeelde 3] : € 17.500,00 (affectieschade);
- [benadeelde 4] : € 17.500,00 (affectieschade).
Het hof hoeft daarom ten aanzien van deze posten geen beslissing meer te nemen.
Ten aanzien van het door [benadeelde 1] gevorderde bedrag aan gederfd levensonderhoud (€ 198.356,00) en de door [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] gevorderde bedragen wegens schokschade (respectievelijk € 20.000,00 en 3x € 17.500,00) heeft de advocaat van de benadeelde partijen verzocht om deze overeenkomstig het vonnis van de rechtbank niet-ontvankelijk te verklaren en de weg naar de burgerlijke rechter open te laten.
Het hof is van oordeel dat de behandeling van de vordering van [benadeelde 1] ten aanzien van het gederfde levensonderhoud een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Ook ten aanzien van de door [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] gevorderde bedragen wegens schokschade komt het hof tot dit oordeel, nu de vorderingen op dit moment onvoldoende zijn onderbouwd en een nadere beoordeling van deze schadeposten ook een onevenredige belasting van het strafgeding zou betekenen. De benadeelde partijen kunnen daarom thans niet worden ontvangen in (het resterende deel van) de vorderingen en kunnen deze slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregelen

Hoofdelijke aansprakelijkheid voor ontstane schade
In deze zaak is onder 1 primair bewezenverklaard dat de verdachte het medeplegen van moord (door [Naam 2] en [Naam 1] ) heeft uitgelokt. De door de benadeelde partijen gestelde materiële en immateriële schade, in ieder geval voor zover deze zijn toegewezen in de onherroepelijke arresten van [Naam 2] en [Naam 1] , vloeit rechtstreeks voort uit het bewezenverklaarde feit. Het bewezenverklaarde uitlokken van medeplegen van moord brengt mee dat deze schade is ontstaan door onrechtmatige gedragingen van de verdachte en zijn mededaders, zodat ieder van hen verplicht is tot vergoeding van dezelfde schade. Dit betekent dat de verdachte hoofdelijk aansprakelijk is voor de ontstane schade (artikel 6:102 van Pro het Burgerlijk Wetboek; hierna: BW).
De verdediging heeft de door de benadeelde partijen gestelde materiële en immateriële schade, in ieder geval voor zover toegewezen in de onherroepelijke arresten van [Naam 2] en [Naam 1] , niet betwist.
Om te bevorderen dat de Staat de uit hoofde van de arresten van mededaders [Naam 2] en [Naam 1] aan de benadeelde partijen uitgekeerde bedragen ook op de verdachte kan verhalen, zal het hof aan de verdachte zekerheidshalve hoofdelijk de schadevergoedingsmaatregel opleggen voor de aan de benadeelde partijen toegewezen schadebedragen, te weten:
- [benadeelde 1] : € 6.784,90 (materieel) en € 20.000 (immaterieel);
- [benadeelde 2] : € 855,65 (materieel) en € 17.500,00 (immaterieel);
- [benadeelde 3] : € 17.500,00 (immaterieel);
- [benadeelde 4] : € 17.500,00 (immaterieel);
te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 december 2021. De hoofdelijke aansprakelijkheid van de verdachte brengt mee dat voor zover deze schadebedragen of een gedeelte daarvan reeds door of namens mededaders [Naam 2] en/of [Naam 1] aan de benadeelde partijen en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die betalingsverplichting zal zijn bevrijd (artikel 6:7, tweede lid, BW).

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 47, 57, 77b, 289, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging, de beslissingen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
17 (zeventien) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 26.784,90 (zesentwintigduizend zevenhonderdvierentachtig euro en negentig cent) bestaande uit
€ 6.784,90 (zesduizend zevenhonderdvierentachtig euro en negentig cent) materiële schade en
€ 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 122 (honderdtweeëntwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan de betalingsverplichting hebben voldaan, deze in zoverre vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 22 december 2021.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 18.355,65 (achttienduizend driehonderdvijfenvijftig euro en vijfenzestig cent) bestaande uit € 855,65 (achthonderdvijfenvijftig euro en vijfenzestig cent) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 83 (drieëntachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan de betalingsverplichting hebben voldaan, deze in zoverre vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 22 december 2021.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 80 (tachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan de betalingsverplichting hebben voldaan, deze in zoverre vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 22 december 2021.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 4] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 4] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 80 (tachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan de betalingsverplichting hebben voldaan, deze in zoverre vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 22 december 2021.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.A.E. van Noort, mr. M. Iedema en mr. A.W.T. Klappe, in tegenwoordigheid van
mr. S.M. Schouten, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
9 juli 2026.