ECLI:NL:GHAMS:2026:1874

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
23-000025-24
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 33a SrArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ontnemingsvordering wegens meermalig witwassen en gewoonte maken

In deze ontnemingszaak heeft het openbaar ministerie een betalingsverplichting van €21.571,23 gevorderd wegens wederrechtelijk verkregen voordeel door meermalig witwassen en het maken van een gewoonte van witwassen. De rechtbank Amsterdam veroordeelde de betrokkene tot betaling van €19.901,23 en legde een gijzeling op bij niet-nakoming.

Het gerechtshof Amsterdam heeft het hoger beroep behandeld en het vonnis van de rechtbank bevestigd wat betreft de veroordeling voor witwassen. Wel vernietigde het hof het vonnis voor zover het de betalingsverplichting en de duur van de gijzeling betrof. Het hof bracht de waarde van verbeurd verklaarde goederen, waaronder luxe schoenen, een tas, een laptop en een mobiele telefoon, ter waarde van €4.803,00 in mindering op de betalingsverplichting.

Hierdoor werd de betalingsverplichting verlaagd tot €15.098,23. De maximale duur van de gijzeling werd vastgesteld op 150 dagen, conform de LOVS-oriëntatiepunten. Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 9 juli 2026.

Uitkomst: Betrokkene veroordeeld voor meermalig witwassen met betalingsverplichting van €15.098,23 en maximale gijzeling van 150 dagen.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000025-24
datum uitspraak: 9 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 december 2023 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-095506-22 tegen de betrokkene
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004,
thans gedetineerd in [detentieadres] .

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 21.571,23.
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 december 2023 onder meer veroordeeld ter zake van -kort gezegd-:
Ten aanzien van feit 3: witwassen, meermalen gepleegd;
Ten aanzien van feit 4: van het plegen van witwassen een gewoonte maken.
Voorts heeft de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 21 december 2023 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 19.901,23 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 9 juli 2026 onder meer veroordeeld terzake van -kort gezegd-:
ten aanzien van feit 3: witwassen, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 4: van het plegen van witwassen een gewoonte maken .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 december 2025, 18 en 19 juni 2026 en 9 juli 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de verplichting tot betaling en de bepaling van duur van de gijzeling. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

De verplichting tot betaling

De rechtbank heeft de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 19.901,23 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het hof overweegt het volgende.
Door verbeurdverklaring van voorwerpen, die kunnen worden aangemerkt als opbrengst van een strafbaar feit als bedoeld in artikel 33a, eerste lid aanhef en onder a, Sr, kan worden bereikt dat aan een veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt ontnomen. Wordt in zo een geval tevens de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel opgelegd, dan dient, in verband met het reparatoire karakter van die maatregel, de waarde van het onder de betrokkene inbeslaggenomen en in zijn strafzaak verbeurdverklaarde voorwerp in mindering te worden gebracht op de aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting (vgl. HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:874).
Verbeurdverklaring in de strafzaak
In het vonnis in de strafzaak, dat door het hof in zoverre is bevestigd, zijn -voor zover hier van belang- de volgende goederen verbeurd verklaard:
1) 1 paar schoenen, wit, merk: Balenciaga (€ 865)
2) 1 paar schoenen, merk: Dior (€ 990);
3) 1 paar schoenen, zwart, merk: Balenciaga (€ 895);
4) 1 tas, merk: Gucci (€ 890);
5) 1 computer (laptop), merk Acer (€ 378);
6) 1 mobiele telefoon, iPhone 13, merk Apple (€ 785).
Deze verbeurdverklaring is gebaseerd op het oordeel in de strafzaak dat de goederen aan de betrokkene toebehoren. Hij kan deze goederen geheel of ten dele ten eigen bate aanwenden. Met betrekking tot onder meer deze goederen is het onder 3 bewezenverklaarde witwassen begaan.
Nu deze verbeurdverklaarde goederen ook daadwerkelijk als wederrechtelijk verkregen voordeel deel uitmaken van de ontnemingsvordering, is het hof van oordeel dat de waarde daarvan geheel in mindering wordt gebracht op de betalingsverplichting.
Het hof brengt een bedrag van € 4.803,00 in mindering op de betalingsverplichting.
Gijzeling
Op grond van artikel 36e lid 11 Sr dient de rechtbank in het ontnemingsvonnis, met toepassing van artikel 6:6:25 Wetboek Pro van Strafvordering (Sv), te bepalen welke maximale duur van de gijzeling kan worden gevorderd indien volledig verhaal van de opgelegde betalingsverplichting niet mogelijk blijkt.
Bij de bepaling van de duur van de gijzeling heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de
LOVS-oriëntatiepunten voor de toepassing van gijzeling op grond van artikel 36e Sr,
waarbij voor elke volle € 100,00 van het opgelegde bedrag één dag gijzeling wordt geregeld.
Op basis van het door het hof toegewezen bedrag kan op basis van de LOVS een maximum aantal dagen gijzeling van 150 dagen worden toegepast.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bepaling van de verplichting tot betaling en de gijzeling en doet in zoverre opnieuw recht.
Legt op aan de veroordeelde de verplichting tot betaling van € 15.098,23 (zegge: vijftienduizend achtennegentig euro en drieëntwintig cent) aan de Staat.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 150 dagen.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.A.E. van Noort, mr. M. Iedema en mr. A.W.T. Klappe, in tegenwoordigheid van
mr. S.M. Schouten, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
9 juli 2026.