ECLI:NL:GHAMS:2026:1917

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
23-002703-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 37a SrArt. 37b SrArt. 38e SrArt. 38v Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging poging zware mishandeling, mishandeling en belaging met oplegging TBS-maatregel

Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep de vonnissen van de rechtbank Amsterdam en politierechter vernietigd en doet in beide zaken opnieuw recht. De verdachte is vrijgesproken van poging tot doodslag, maar schuldig bevonden aan poging tot zware mishandeling van slachtoffer 1, mishandeling van slachtoffer 2 en belaging van slachtoffer 3.

De feiten betreffen onder meer het met een ijzeren staaf drukken tegen de keel van slachtoffer 1, het mishandelen van slachtoffer 2 en het stelselmatig en wederrechtelijk benaderen van slachtoffer 3 via e-mails en bezoeken. De verdachte vertoonde tijdens de feiten psychotisch gedrag en is op grond van deskundigenrapporten ten aanzien van de mishandelingsfeiten ontoerekeningsvatbaar verklaard, en ten aanzien van de belaging sterk verminderd toerekeningsvatbaar.

Het hof legt de verdachte een TBS-maatregel met dwangverpleging op vanwege het hoge recidivegevaar en de ernst van de psychische stoornis. Daarnaast worden schadevergoedingen toegekend aan de slachtoffers, waarbij de immateriële en materiële schade zorgvuldig zijn beoordeeld en begroot volgens de Rotterdamse schaal.

De verdachte wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoedingen aan de slachtoffers, met wettelijke rente en gijzelingstermijnen voor het geval van niet-betaling. Het bevel tot voorlopige hechtenis blijft van kracht vanwege de ernst van de feiten en het recidivegevaar.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld voor poging zware mishandeling, mishandeling en belaging met oplegging TBS-maatregel en schadevergoedingen aan slachtoffers.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummers: 23-002703-25 en 23-000983-24 (gevoegd)
datum uitspraak: 14 juli 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen zowel het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 12 november 2025 in de strafzaak onder parketnummer 13-363178-24 (
zaak A) als het vonnis van de politierechter in die rechtbank van 26 april 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-037936-24 (
zaak B) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1978,
thans gedetineerd in de Penitentiaire [detentieadres] .

Onderzoek van de zaken

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 februari 2026 – op welke zitting de zaken zijn gevoegd – en 30 juni 2026 en naar aanleiding van de onderzoeken ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman en de advocaat respectievelijk de gemachtigde van de benadeelde partij(en) naar voren hebben gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank Amsterdam in zaak A vrijgesproken van feit 2. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld. Daarmee is het hoger beroep mede gericht tegen deze beslissing tot vrijspraak. Gelet op artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) staat voor de verdachte tegen deze beslissing echter geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de vrijspraak.

Tenlasteleggingen

Gelet op de in eerste aanleg door de politierechter in zaak B toegelaten wijziging – en voor zover in hoger beroep nog aan de orde – is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
Zaak A feit 1
primairhij op of omstreeks 12 november 2024 te Amsterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal,
- die [slachtoffer 2] bij de kraag heeft vastgepakt en/of
- die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 1] tegen de grond en/of muur heeft geduwd en/of
- die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 1] tegen het lichaam heeft geslagen en/of
- met een of meerdere messen, althans een of meerdere scherpe en/of puntige voorwerpen, steekbewegingen heeft gemaakt in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 1] en/of
- met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de arm en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken en/of
- een ijzeren staaf, althans een hard voorwerp, tegen de keel van die [slachtoffer 1] heeft gezet en/of gedrukt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 12 november 2024 te Amsterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans eenmaal,
- die [slachtoffer 2] bij de kraag heeft vastgepakt en/of
- die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 1] tegen de grond en/of muur heeft geduwd en/of
- die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 1] tegen het lichaam heeft geslagen en/of
- met een of meerdere messen, althans een of meerdere scherpe en/of puntige voorwerpen, steekbewegingen heeft gemaakt in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 1] en/of
- met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de arm en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken en/of
- een ijzeren staaf, althans een hard voorwerp, tegen de keel van die [slachtoffer 1] heeft gezet en/of gedrukt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair
hij op of omstreeks 12 november 2024 te Amsterdam, althans in Nederland, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal,
- die [slachtoffer 2] bij de kraag vast te pakken en/of
- die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 1] tegen de grond en/of muur te duwen en/of
- die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 1] tegen het lichaam te slaan en/of
- met een mes, althans een of meerdere scherpe en/of puntige voorwerpen, te steken in de arm en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of
- een ijzeren staaf, althans een hard voorwerp, tegen de keel van die [slachtoffer 1] te zetten en/of te drukken;
Zaak Bhij in of omstreeks de periode 2 mei 2023 tot en met 10 februari 2024 te Amstelveen, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 3] , door
- ( herhaaldelijk) per e-mail contact met die [slachtoffer 3] op te nemen en/of,
- een en/of meerdere malen naar de woning van die [slachtoffer 3] te gaan en/of,
- een en/of meerdere malen naar de school van de dochter van die [slachtoffer 3] te gaan,
met het oogmerk die [slachtoffer 3] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
Voor zover in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Net als de rechtbank begrijpt het hof de tenlastelegging van feit 1 in zaak A aldus, dat ten aanzien van de daarin opgenomen slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] afzonderlijk dient te worden beoordeeld of het primaire, subsidiaire dan wel meer subsidiaire feit kan worden bewezen.

Vonnissen waarvan beroep

Het vonnis in zaak A zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank en tot andere beslissingen met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] . Het vonnis in zaak B zal ook worden vernietigd. Het hof komt in deze zaak namelijk tot een andere afdoening dan de politierechter.
Bovendien zijn de zaken in hoger beroep gevoegd. Het gedeeltelijk bevestigen van de vonnissen zou een te ingewikkeld samenstel van beslissingen en overwegingen meebrengen, en daarmee tot onduidelijkheid kunnen leiden.

Bewijsoverwegingen

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte in zaak A zal worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde pogingen tot doodslag. Wel kunnen de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] en de meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling van [slachtoffer 2] worden bewezen. Dat geldt ook voor de ten laste gelegde belaging in zaak B. De advocaat-generaal heeft aansluiting gezocht bij de bewezenverklaringen in eerste aanleg.
De verdediging heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de in zaak A ten laste gelegde pogingen tot doodslag. Daarnaast heeft zij betoogd dat ook de ten laste gelegde poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] niet bewezen kan worden. Daartoe is in de kern aangevoerd dat uit het dossier onvoldoende blijkt of, en zo ja, met welke kracht, het drukken met een ijzeren staaf tegen de keel van [slachtoffer 1] heeft plaatsgevonden. Ook in zaak B moet de verdachte worden vrijgesproken, nu van de voor een bewezenverklaring vereiste inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster geen sprake is geweest, althans niet kan worden bewezen dat de verdachte het opzet daartoe had.
Het hof overweegt als volgt.
Zaak A
Met de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat niet bewezen kan worden dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat het hof hem daarvan zal vrijspreken. Het hof acht, in navolging van de rechtbank, wel de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] en de meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling van [slachtoffer 2] bewezen. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Ten aanzien van [slachtoffer 1]
heeft in haar aangifte verklaard dat de verdachte een metalen buis heeft gepakt en deze buis vervolgens tegen haar keel aan heeft gezet, waardoor zij rode plekken en pijn heeft gekregen aan haar keel. Voorts hebben meerdere verbalisanten die ter plaatse waren gekomen, omschreven hoe zij hebben gezien dat de verdachte een stok pakte, op [slachtoffer 1] dook, de stok dan wel ijzeren staaf richting haar nek bracht en/of deze tegen haar keel duwde. Het hof ziet – anders dan de raadsman heeft betoogd – geen reden om aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen van de verbalisanten te twijfelen. Zij hebben op ambtseed uit eigen waarneming gerelateerd. Daarnaast heeft een forensisch arts in zijn letselrapport geconstateerd dat er rondom het borstbeen van [slachtoffer 1] een huidverkleuring zichtbaar is, die past bij een bloeduitstorting en die verklaard kan worden door inwerking van botsend, samendrukkend, mechanisch geweld, al dan niet door hard vastpakken of knijpen. Het hof is van oordeel dat dit de verklaring van de aangeefster ondersteunt, waaraan niet afdoet dat de raadsman erop heeft gewezen dat andersoortig letsel verwacht had mogen worden.
Voorts betrekt het hof in zijn overwegingen dat volgens verschillende verklaringen de verdachte die avond – kort gezegd – raar en agressief gedrag vertoonde. Voorafgaand aan het hiervoor omschreven incident, had de verdachte [slachtoffer 2] bij de kraag vastgepakt en tegen de grond geduwd, de deur op slot gedaan en uit een keukenlade onder meer twee kartelmessen gepakt, waarvan hij er in elk geval één in zijn broeksband had gedaan. Daarna is hij het balkon opgegaan, waar uiteindelijk het incident met [slachtoffer 1] heeft plaatsgevonden.
Het hof is van oordeel dat deze handelingen in onderling verband en samenhang bezien een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] opleveren en dat de verdachte opzettelijk heeft gehandeld.
Voor een bewezenverklaring van (poging tot) zware mishandeling is (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel vereist. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zou intreden.
Het is een feit van algemene bekendheid dat de keel een zodanig kwetsbaar onderdeel van het lichaam is, dat het gedurende enige tijd drukken tegen de keel met een ijzeren staaf, althans een hard voorwerp, de aanmerkelijke kans oplevert dat dit ernstige lichamelijke gevolgen heeft. Daarbij leidt het hof uit het dossier af dat dit drukken tegen de keel door de verdachte – ook al staat niet vast wat het gewicht van de staaf of het voorwerp was – met kracht gepaard ging. Zo hadden de verbalisanten veel moeite om de verdachte, zelfs nadat hij was getaserd, van [slachtoffer 1] af te krijgen. De verdachte hield [slachtoffer 1] daarbij nog altijd vast. Zij hebben haar uiteindelijk onder de verdachte vandaan moeten trekken. Dat [slachtoffer 1] als gevolg van het handelen van de verdachte zwaar lichamelijk letsel zou bekomen, was in de gegeven omstandigheden dan ook een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. De verdachte moet dit hebben geweten.
Het gedurende enige tijd met een ijzeren staaf, althans een hard voorwerp, drukken tegen de keel van het slachtoffer is, ook indachtig de voorafgaande gebeurtenissen, naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het veroorzaken van dat gevolg, dat het niet anders kan dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans hierop bewust heeft aanvaard. Het hof overweegt ook in dit verband dat de verdachte, nadat de politie hem meermalen had getaserd met een stroomstootwapen, niet stopte met het geweld tegen [slachtoffer 1] .
Ten aanzien van [slachtoffer 2]
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen acht het hof bewezen dat de verdachte [slachtoffer 2] bij de kraag heeft vastgepakt en geduwd, als gevolg waarvan [slachtoffer 2] op de grond is gevallen, waarbij hij letsel en pijn heeft opgelopen.
Zaak B
Uit het dossier volgt dat de verdachte in een periode van negen maanden zeer veel e-mails heeft gestuurd naar de aangeefster. Deze e-mails bevatten onder andere berichten dat hij de aangeefster bij haar huis zal gaan opzoeken en dat hij bij de school van hun dochter langs is geweest. De verdachte heeft op zitting erkend dat hij deze e-mails heeft gestuurd. Ook heeft de verdachte verklaard dat hij daadwerkelijk bij de woning en de school is geweest. Uit de aangifte volgt zonder meer dat de verdachte hiermee inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster, zijn ex-partner. De verklaring van de verdachte dat hij slechts zakelijk contact zocht met zijn ex-partner om praktische zaken te regelen, volgt niet uit de inhoud van de e-mails. Bovendien is de verdachte – zowel door de aangeefster zelf als door de politie middels een zogenaamd stopgesprek – er meerdere keren op gewezen dat de aangeefster dit contact niet wilde. Door niettemin de aangeefster te (blijven) bestoken met mails, en tevens naar de woning en de school te gaan, heeft de verdachte opzettelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster. Dat dit wederrechtelijk en stelselmatig was, volgt uit de bewijsmiddelen. Daarmee is de ten laste gelegde belaging bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde en in zaak B tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zaak A feit 1:subsidiair (ten aanzien van [slachtoffer 1] )
hij op 12 november 2024 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- die [slachtoffer 1] tegen de grond en muur heeft geduwd en
- die [slachtoffer 1] tegen het lichaam heeft geslagen en
- een ijzeren staaf, althans een hard voorwerp, tegen de keel van [slachtoffer 1] heeft gedrukt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
en
meer subsidiair (ten aanzien van [slachtoffer 2] )hij op 12 november 2024 te Amsterdam [slachtoffer 2] heeft mishandeld door
- die [slachtoffer 2] bij de kraag vast te pakken en
- die [slachtoffer 2] tegen de grond te duwen;
zaak B:hij in de periode van 2 mei 2023 tot 10 februari 2024 in Nederland wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 3] , door
- herhaaldelijk per e-mail contact met die [slachtoffer 3] op te nemen en
- een of meerdere malen naar de woning van die [slachtoffer 3] te gaan en
- een of meerdere malen naar de school van de dochter van die [slachtoffer 3] te gaan,
met het oogmerk die [slachtoffer 3] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het in
zaak Aonder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op:
poging tot zware mishandeling.
Het in
zaak Aonder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Het in
zaak Bbewezenverklaarde levert op:
belaging.

Strafbaarheid van de verdachte

Zaak A
Het hof heeft kennis genomen van het Pro Justitia rapport van 3 april 2025, opgemaakt door [persoon 1] , psychiater, en [persoon 2] , GZ-psycholoog. Beide deskundigen hebben gerapporteerd dat bij de verdachte sprake is van een zeer ernstige chronisch psychotische stoornis, die het best past bij de classificatie schizofrenie. Ten tijde van het tenlastegelegde vertoonde de verdachte psychotisch gestuurd, bizar en gedesorganiseerd gedrag. De stoornis beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte. De verdachte werd in zijn denken, voelen en handelen volledig beheerst door psychotische belevingen. De deskundigen achten de verdachte ontoerekeningsvatbaar ten aanzien van het tenlastegelegde en hebben dan ook geadviseerd om hem dit niet toe te rekenen.
Het hof neemt de conclusies van de psychiater en de psycholoog over en maakt die tot de zijne. Het hof is op grond van het Pro Justitia rapport van oordeel dat de verdachte de in zaak A bewezen verklaarde feiten heeft gepleegd onder zodanige invloed van een ziekelijke stoornis dat deze feiten hem niet kunnen worden toegerekend. De verdachte is daarom ten aanzien van zaak A niet strafbaar en dient in zoverre te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Zaak B
Door dezelfde psychiater en GZ-psycholoog als hiervoor genoemd is gedurende de procedure in hoger beroep onderzoek ingesteld in relatie tot zaak B. In het rapport van 20 mei 2025 rapporteert de psycholoog dat de chronisch psychotische stoornis (schizofrenie) ook ten tijde van het tenlastegelegde in zaak B aanwezig was en deze stoornis de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte beïnvloedde. Geadviseerd wordt om het tenlastegelegde in tenminste sterk verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Door de psychiater is op 30 april 2025 ook gerapporteerd dat de chronisch psychotische stoornis van de verdachte reeds aanwezig was ten tijde van het tenlastegelegde in zaak B. De verdachte werd in zijn denken, voelen en handelen (grotendeels) beheerst door psychotische belevingen. Hij was vanuit deze belevingen overtuigd dat hij het recht had om contact te hebben met de aangeefster, die in zijn ogen in een complot zat om hem en zijn kind te benadelen. Ook de psychiater acht de verdachte tenminste sterk verminderd toerekeningsvatbaar ten aanzien van het in zaak B tenlastegelegde.
Het hof neemt de conclusies van de deskundigen over en maakt die tot de zijne. Het hof is op grond van de Pro Justitia rapporten van oordeel dat het bewezenverklaarde in zaak B in sterk verminderde mate aan de verdachte moet worden toegerekend. Dat de verdachte ook ten aanzien van dit feit – gepleegd gedurende een langere periode, en ook kijkend naar de aard van de handelingen – ontoerekeningsvatbaar zou zijn, is niet aannemelijk geworden. De verdachte is daarom ten aanzien van zaak B wel strafbaar, zij het in sterk verminderde mate.

Oplegging van de TBS-maatregel

De rechtbank heeft de verdachte in zaak A de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS-maatregel) met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd. In zaak B heeft de politierechter de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden opgelegd, met een proeftijd van 2 jaren, en daarnaast een taakstraf voor de duur van 180 uren. Ook is aan de verdachte een contact- en gebiedsverbod voor de duur van 5 jaren opgelegd, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] , welke maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) dadelijk uitvoerbaar is verklaard.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld met bevel dat hij van overheidswege wordt gepleegd. Voorts heeft de advocaat-generaal ten aanzien van het in zaak B tenlastegelegde de oplegging van een contact- en gebiedsverbod gevorderd voor de duur van – rekening houdend met de dadelijke uitvoerbaarheid van de door de politierechter opgelegde maatregel – 3 jaren en verzocht deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
De verdediging heeft zich – in het geval het hof ook tot een bewezenverklaring van de poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] zou komen – op het standpunt gesteld dat moeten worden afgezien van oplegging van de TBS-maatregel, in lijn met het advies van psychiater [persoon 1] . Daarbij heeft de verdediging naar voren gebracht dat de verdachte inmiddels is overgeplaatst naar een regulier regime in de penitentiaire inrichting, dat hij zich in detentie als een modelgevangene gedraagt en dat hij bij vrijlating wil terugkeren naar zijn geboorteland, Venezuela. De raadsman heeft verzocht, mocht het hof tot een strafoplegging komen, een gevangenisstraf op te leggen conform het voorarrest en de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen.
Het hof overweegt als volgt.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door haar te duwen, te slaan en een ijzeren staaf of hard voorwerp tegen haar keel te drukken. Dit is voor [slachtoffer 1] een pijnlijke en zeer beangstigende ervaring geweest, hetgeen te meer blijkt uit het feit dat zij hierdoor PTSS heeft opgelopen en langere tijd niet heeft kunnen werken. De verdachte heeft met zijn handelen een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de persoonlijke en fysieke integriteit van [slachtoffer 1] . Ook heeft de verdachte [slachtoffer 2] mishandeld, die hierdoor pijn en letsel heeft ondervonden. Ook op zijn lichamelijke integriteit heeft de verdachte inbreuk gemaakt. Nota bene in zijn eigen woning, waarin hij en zijn partner aan de verdachte onderdak hadden verleend.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-partner, tevens de moeder van een van zijn dochters. De verdachte heeft maandenlang meerdere e-mails met vervelende teksten naar haar gestuurd, zelfs nadat er stopgesprekken hadden plaatsgevonden. Ook is hij bij haar aan de deur geweest en op de school van hun dochter. Dit handelen heeft gevoelens van onveiligheid bij zijn ex-partner teweeggebracht, zodanig dat zij en haar dochter naar een voor de verdachte onbekende plek zijn verhuisd.
Persoon van de verdachte
Het hof heeft kennis genomen van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie betreffende de verdachte, gedateerd 16 juni 2026, waaruit volgt dat de verdachte niet eerder wegens soortgelijke feiten met justitie in aanraking is gekomen. Voorts heeft het hof kennis genomen van de inhoud van de omtrent de (persoon van de) verdachte opgemaakte rapporten, waarvan – naast de reclasseringsadviezen – de eerder vermelde Pro Justitia rapporten het meeste inzicht bieden.
Rapportage [persoon 1] en [persoon 2] d.d. 3 april 2025 (opgemaakt in zaak A)
De deskundigen stellen dat er sprake is van een recidief psychotisch toestandsbeeld met paranoïde wanen, beïnvloedingswanen en grootheidswanen, waarbij de verdachte denkt dat de overheid het op hem gemunt heeft omdat hij kritiek heeft op het volgens hem corrupte systeem. Daarnaast zijn er formele denkstoornissen en waarnemingsstoornissen in de vorm van haptische (gevoels) hallucinaties. De onderzoekers benadrukken dat het moeilijk is om een goed beeld te krijgen van het denken, voelen en handelen van de verdachte omdat hij bang is om volledig inzicht te geven en hij psychotische symptomatologie lijkt weg te houden of te overdekken met verzinsels. Vermoedelijk speelt er nog veel onder de oppervlakte. De verdachte beseft dat alle informatie die hij geeft over zijn geestelijk functioneren anders wordt geïnterpreteerd dan hij wil. Onderzoekers komen tot de conclusie dat sprake is van een zeer ernstige psychotische stoornis. De diagnose die onderzoekers stellen is een chronische psychotische stoornis, geclassificeerd als schizofrenie.
De deskundigen beschrijven dat het sociaal-maatschappelijk functioneren van de verdachte als gevolg van de stoornis al meerdere jaren ernstig is belemmerd, waardoor hij onder curatele werd gesteld. Door de paranoïde psychotische fixatie werd hij, waarschijnlijk sinds 2018, steeds angstiger en verwarder. Hij raakte vervreemd van de maatschappij en verloor zijn positie als echtgenoot en vader van zijn kinderen. Ook verloor hij zijn werk en werd hij dakloos. De verdachte heeft geen ziekte-inzicht en laat zich nauwelijks sturen en niet vrijwillig behandelen. Sinds 2022 was hij, na meerdere machtigingen in het kader van de Wet verplichte GGZ, weer ontslagen uit behandeling.
Het risico op recidive in een geweldsdelict wordt door de deskundigen als hoog inschat in het geval de verdachte zonder behandeling en toezicht op straat zou belanden. Beide rapporteurs achten een klinische behandeling van de problematiek noodzakelijk om het recidivegevaar te verlagen en verdere maatschappelijke verloedering te voorkomen. Langdurig gebruik van antipsychotische medicatie zal nodig zijn, alsmede psycho-educatie over het ziektebeeld, medicatie, leefstijl en de invloed van middelen zoals cannabis.
Over het juridisch kader waarin deze behandeling zou moeten plaatsvinden bestaat geen overeenstemming tussen de rapporteurs. [persoon 1] adviseert om de mogelijkheid van een zorgmachtiging via artikel 2.3 van de Wet forensische zorg te laten onderzoeken. Een civiel dwangkader biedt naar het oordeel van [persoon 1] genoeg mogelijkheden om de maatschappij voldoende te beschermen en een
behandeling van de ernstige psychiatrische stoornis vorm te geven. Gezien het ontbreken van ziektebesef bij de verdachte en zijn weigering om hieraan mee te werken, zijn vrijwillige of voorwaardelijke behandeltrajecten geen realistische optie volgens [persoon 1] . [persoon 2] acht echter geen ander kader dan de TBS-maatregel met dwangverpleging mogelijk, gegeven de hardnekkigheid van de pathologie en het hoge recidivegevaar, in combinatie met het geringe resultaat van eerdere interventies. [persoon 2] ziet geen passend alternatief dat voldoende mogelijkheden biedt om de ernstige psychiatrische problematiek van de verdachte effectief te behandelen en de maatschappelijke veiligheid te waarborgen. Behandeling in een voorwaardelijk kader is niet haalbaar, gelet op de afwezigheid van ziektebesef en motivatie voor behandeling. De aard en ernst van de meervoudige problematiek vereist intensieve, langdurige klinische (medicamenteuze) behandeling, waarin zowel de schizofrenie als de invloed van cannabis op de symptomen daarvan wordt behandeld. Een zorgmachtiging wordt als ontoereikend gezien om de problematiek adequaat te behandelen en het recidiverisico te verlagen. Eerdere gedwongen opnames hebben niet geleid tot duurzame verbetering van het toestandsbeeld, en ook de onder curatelestelling heeft onvoldoende geholpen om verdere maatschappelijke verloedering te voorkomen.
Rapportages [persoon 1] d.d. 30 april 2025 en [persoon 2] d.d. 20 mei 2025 (opgemaakt in zaak B)
De bevindingen en conclusies van de deskundigen in deze rapporten zijn in lijn met die in hun rapport van 3 april 2025. Het rapport van [persoon 1] van 30 april 2025 houdt in dat de verdachte vanaf 2021 werd gediagnosticeerd met een psychotische stoornis, dat hij af en aan is behandeld in het kader van de Wet verplichte zorg, maar zich na een klinische fase – waarin hij zich uiteindelijk (onder dwang) wel liet behandelen en waarin het niet is gekomen tot agressief gedrag – steeds onttrok aan de behandeling.
Vervolg in zaak A – onderzoek zorgmachtiging en horen deskundigen
Uit de processen-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg in zaak A van 14 mei 2025 en 6 augustus 2025 blijkt dat de officier van justitie naar aanleiding van het tegenstrijdig advies van de deskundigen onderzoek heeft gedaan naar de mogelijkheid van een zorgmachtiging, maar niet tot het indienen van een verzoekschrift voor een zorgmachtiging is overgegaan. In het requisitoir in eerste aanleg heeft de officier van justitie hierop een toelichting gegeven, waarnaar het hof verwijst.
Ter terechtzitting van 29 oktober 2025 zijn vervolgens de deskundigen [persoon 1] en [persoon 2] gehoord, waarbij zij hun bevindingen, conclusies en adviezen in het rapport van 3 april 2025 nader hebben toegelicht.
Concluderend
Het hof zal aan de verdachte de TBS-maatregel met bevel tot verpleging van overheidswege opleggen. De in zaak A onder 1 subsidiair en in zaak B bewezen verklaarde feiten betreffen misdrijven als genoemd in artikel 37a, eerste lid onder 2, Sr. Ten tijde van het begaan van deze feiten bestond bij de verdachte een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Voorts is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen zowel het opleggen van deze maatregel als het bevelen van de verpleging van overheidswege eist.
De deskundigen schatten het risico op recidive in een geweldsdelict in als hoog. Het hof volgt de deskundigen daarin. Weliswaar heeft de verdachte ter terechtzitting van het hof op indringende wijze betoogd dat hij geen gewelddadig persoon is en dat hij, zonder dat hij medicatie gebruikt, goed functioneert binnen de inrichting, maar het hof kan er zijn ogen niet voor sluiten dat de verdachte de hiervoor bewezen verklaarde feiten heeft begaan en dat zowel de psychiater als de psycholoog de kans op herhaling als hoog inschatten.
Eerdere gedwongen opnames en interventies – waaronder meerdere zorgmachtigingen – hebben, zo moet worden vastgesteld, niet geleid tot duurzame verbetering van het toestandsbeeld van de verdachte. Gelet hierop en ook gelet op de uitkomst van het onderzoek naar de mogelijkheid van een zorgmachtiging in eerste aanleg, is het hof van oordeel dat het kader van een zorgmachtiging ontoereikend is om het recidivegevaar adequaat en structureel te beperken.
Naar het oordeel van het hof is behandeling in de restrictieve omgeving van (eerst) een TBS-kliniek – met (dwang)medicatie en psycho-educatie – noodzakelijk en vereist om herhaling van een ernstig geweldsdelict te voorkomen. Het hof acht het onverantwoord om de verdachte zonder deze vorm van behandeling in de maatschappij te laten terugkeren.
Het hof realiseert zich terdege dat het opleggen van de TBS-maatregel met bevel tot verpleging van overheidswege voor de verdachte zeer ingrijpend is. Gelet op de afwezigheid van ziektebesef en de (daarmee samenhangende) weigering om mee te werken aan vrijwillige dan wel voorwaardelijke behandeltrajecten, ziet het hof echter geen andere mogelijkheid. Dit betekent dat het hof het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte niet zal opheffen.
De maatregel wordt opgelegd wegens onder meer een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten de poging tot zware mishandeling. De maatregel kan daarom, gelet op het bepaalde in artikel 38e, eerste lid, Sr, langer duren dan vier jaar.
Het hof ziet – in het licht van de op te leggen maatregel en gezien het tijdsverloop – onvoldoende redenen om ten aanzien van het in zaak B bewezenverklaarde, waarvoor de verdachte strafbaar is, wederom een contact- en gebiedsverbod op te leggen, zoals door de advocaat-generaal is gevorderd.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte ven € 9.337,00. De vordering bestaat uit de volgende schadeposten:
  • jas (€ 90,00);
  • schoenen (€ 200,00);
  • gederfde inkomsten (€ 2.547,00);
  • immateriële schade (€ 6.500,00).
De rechtbank heeft de vordering tot een bedrag van € 3.790,00 toegewezen, bestaande uit € 2.790,00 aan materiële schade en € 1.000,00 aan immateriële schade.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd. De vordering is ter terechtzitting van het hof nader toegelicht door haar advocaat, mr. [naam] .
Standpunt verdediging
Primair heeft de raadsman betoogd dat gelet op de bepleite vrijspraak de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsman ten aanzien van de jas en de schoenen aangegeven dat deze kennelijk nog in het bezit zijn van de verdachte (in zijn fouillering in de penitentiaire inrichting) en dus teruggegeven kunnen worden aan de benadeelde partij, waarvoor hij zorg zal dragen. In zoverre is er geen sprake meer van schade, zodat die posten moeten worden afgewezen. De schadepost die ziet op het gederfde inkomen is te ingewikkeld en een te zware belasting voor het strafproces. Deze post moet niet-ontvankelijk worden verklaard. De immateriële schade moet worden gematigd, nu onvoldoende blijkt dat sprake is van psychische schade.
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de schadepost gederfde inkomsten volledig zal worden toegewezen en dat de schadepost immateriële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van € 1.000,00. De advocaat-generaal volgt de verdediging in het standpunt ten aanzien van de jas en de schoenen.
Oordeel hof
Nu de raadsman te kennen heeft gegeven dat de jas en de schoenen van de benadeelde partij aan haar geretourneerd zullen worden, is er ten aanzien daarvan geen sprake meer van geleden schade. Het hof zal de benadeelde partij dan ook in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.
De gevorderde post van gederfde inkomsten is naar het oordeel van het hof schade die rechtstreeks uit het bewezenverklaarde voortvloeit. Daarnaast is deze schade voldoende onderbouwd – de berekening is ter terechtzitting in hoger beroep ook expliciet voorgehouden –, zodat het hof deze schadepost volledig zal toewijzen.
Daarnaast stelt het hof vast dat de benadeelde partij aanspraak kan maken op vergoeding van immateriële schade, omdat er sprake is van (i) lichamelijk letsel en (ii) een aantasting in de persoon op andere wijze in de zin van artikel 6:106 aanhef Pro en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Uit de letselverklaring volgt dat de benadeelde partij kraswonden, oppervlakkige huidbeschadigingen en bloeduitstortingen heeft opgelopen, welke volledig zullen genezen binnen twee weken. Daarnaast is, als gevolg van het bewezenverklaarde, door een GZ-psycholoog bij de benadeelde partij een posttraumatische stressstoornis (PTSS) vastgesteld waarvoor zij naar verwachting tussen de 12 en 16 tweewekelijkse EMDR-sessies nodig zal hebben. Er is dus sprake van geestelijk letsel.
Ten aanzien van de begroting van de immateriële schade heeft het hof aansluiting gezocht bij de zogeheten ‘Rotterdamse schaal’. In deel A (‘Lichamelijk letsel’), hoofdstuk 13 (licht letsel), wordt onder categorie (c) ‘Herstelperiode van ongeveer twee maanden’ een bedrag tot € 1.100,00 genoemd. Het hof begroot de immateriële schade als gevolg van het lichamelijk letsel op € 750,00. In deel B (‘Geestelijk letsel’), hoofdstuk 14.2 (PTSS), wordt aan categorie (d) ‘Minder ernstig’ een bedrag gekoppeld van € 2.675,00 tot € 5.500,00. Naar het oordeel van het hof past deze categorie bij de gestelde toedracht. Het hof begroot de immateriële schade als gevolg van het geestelijk letsel op € 3.000,00. Ingevolge aanbeveling 5 bij de toepassing van de Rotterdamse schaal telt het zwaarste letsel voor 100% mee en het in ernst tweede letsel voor 50%. Totaal zal het hof dan ook een bedrag van € 3.375,00 aan immateriële schade toewijzen. Voor het overige zal de vordering tot vergoeding van de immateriële schade worden afgewezen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 6.500,00 aan immateriële schade.
De rechtbank heeft de vordering toegewezen tot een bedrag van € 750,00.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd. De vordering is ter terechtzitting van het hof nader toegelicht door zijn advocaat, mr. [naam] .
Standpunt verdediging
De raadsman heeft betoogd dat de immateriële schade moet worden gematigd, nu onvoldoende blijkt dat sprake is van psychische schade.
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat een bedrag van € 750,00 zal worden toegewezen.
Het hof stelt vast dat de benadeelde partij aanspraak kan maken op vergoeding van immateriële schade, omdat er sprake is van lichamelijk letsel in de zin van artikel 6:106 aanhef Pro en onder b BW. Dit volgt uit de zich in het dossier bevindende letselverklaring, waaruit blijkt dat de benadeelde partij een oppervlakkige kraswond op zijn rug, een zwelling (passend bij een kneuzing) van zijn linker middelvinger, een oppervlakkige huidbeschadiging/ontvelling en een bloeduitstorting van zijn linkervoet heeft opgelopen. De hersteltijd zal twee weken bedragen. Deze schade is het gevolg van het bewezen verklaarde handelen door de verdachte. Dat er ook sprake zou zijn van een aantasting in de persoon op andere wijze is naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd. Er zijn door de benadeelde partij geen stukken overgelegd op grond waarvan het bestaan van geestelijk letsel objectief kan worden vastgesteld. Verder heeft de benadeelde partij onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan desondanks een dergelijke aantasting kan worden aangenomen.
In deel A, hoofdstuk 13, van de Rotterdamse schaal wordt, zoals reeds eerder vermeld, onder categorie (c) ‘Herstelperiode van ongeveer twee maanden’ een bedrag tot € 1.100,00 genoemd. Het hof begroot de schade op € 750,00 en zal de vordering voor het overige afwijzen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.500,00 aan immateriële schade.
De vordering is door de politierechter volledig toegewezen.
De vordering is ter terechtzitting van het hof nader toegelicht door de gemachtigde van de benadeelde partij, [persoon 3] , werkzaam bij Slachtofferhulp Nederland. De benadeelde partij stelt zich op het standpunt dat aanspraak kan worden gemaakt op vergoeding van immateriële schade, nu de verdachte het oogmerk had om zodanig letsel toe te brengen en daarnaast sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze, een en ander zoals bedoeld in artikel 6:106 BW Pro.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak. Indien het hof toch tot een bewezenverklaring komt, refereert de verdediging zich aan het oordeel van het hof.
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering volledig zal worden toegewezen.
Oordeel hof
Het hof is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte het oogmerk had om de benadeelde partij immateriële schade toe te brengen, gelet op de strenge eisen die daaraan in de jurisprudentie worden gesteld. Het hof moet dan ook beoordelen of er sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze, in de zin van artikel 6:106 aanhef Pro en onder b BW. Nu niet gesteld is dat er sprake is van objectief vastgesteld geestelijk letsel, zal uit de aard en de ernst van de normschending en de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde moeten volgen dat er sprake is van een aantasting in de persoon. Het gaat hierbij om een weging van deze factoren bezien in onderlinge samenhang, waarbij, naarmate de aard en de ernst van de normschending ingrijpender zijn, een aantasting in de persoon meer voor de hand ligt. Daarbij is het in beginsel aan de benadeelde partij om de vordering met concrete gegevens te onderbouwen. Het gaat dan in het bijzonder om concrete gegevens over de (aard en ernst van de) gevolgen die de normschending voor de benadeelde heeft gehad, omdat de aard en de ernst van de normschending zelf doorgaans kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens over het aan de verdachte ten laste gelegde strafbare feit. Als de door de benadeelde partij gestelde gevolgen niet worden betwist, kan de rechter uitgaan van de juistheid daarvan (vgl. HR 2 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:822, r.o. 3.5.5).
De benadeelde partij heeft aangevoerd dat zij door de belaging een beklemmend, angstig en onveilig gevoel heeft gekregen. Zij is enorm geschrokken toen de verdachte bij haar woning stond. In de periode hierna voelde zij zich zowel op straat als in haar eigen woning niet meer veilig. Zij ging enkel naar buiten als dit noodzakelijk was. Omdat zij zich constant angstig en gespannen voelde, is zij verhuisd. De verdachte bleef in zijn e-mails echter dreigen om haar op haar werk op te komen zoeken. Door het handelen van de verdachte kan zij zich ook minder goed concentreren op haar werk. Om het misdrijf te kunnen verwerken, gaat zij iedere twee weken naar een psycholoog. Uit een verklaring van haar psycholoog volgt dat er bij de benadeelde partij sprake is van jarenlange stress, spanning en uitputting rond de escalerende situatie met de verdachte. Haar gevoel van veiligheid en welzijn is ernstig aangetast en zij heeft grote moeite zich staande te houden in het dagelijks leven. Naar het oordeel van de psycholoog leidt de benadeelde partij ernstig onder het trauma van de belaging.
Bovenstaande gegevens zijn door de verdediging niet betwist, zodat het hof uitgaat van de juistheid daarvan. Naar het oordeel van het hof levert het voorgaande een aantasting in de persoon op andere wijze op als bedoeld in artikel 6:106 aanhef Pro en onder b BW, zodat er sprake is van een grondslag voor toewijzing van immateriële schade.
Voor de begroting van de schade heeft het hof aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal. Daaruit volgt uit Deel C, hoofdstuk 17 (belaging), dat bij categorie (b) ‘Ernstig’, een bedrag van € 2.000,00 tot € 5.000,00 aangewezen is. Naar het oordeel van het hof is deze categorie aan de orde nu sprake was van een langdurige periode met veelvuldige e-mailberichten, waarbij de verdachte ook bedreigende teksten uitte. Het hof zal de immateriële schade begroten op € 2.500,00, zodat de vordering tot schadevergoeding geheel zal worden toegewezen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 45, 285b, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-363178-24 onder 2 tenlastegelegde.
Vernietigt de vonnissen waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 13-363178-24 onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 13-363178-24 onder 1 subsidiair en 1 meer subsidiair en in de zaak met parketnummer 13-037936-24 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 13-363178-24 onder 1 subsidiair en 1 meer subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld, verklaart de verdachte niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 13-037936-24 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Gelast dat de verdachte – ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-363178-24 onder 1 subsidiair en het in de zaak met parketnummer 13-037936-24 bewezenverklaarde –
ter beschikking wordt gestelden beveelt dat hij
van overheidswege zal worden verpleegd.
Gelast de teruggave aan [persoon 4] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1. STK Mes (goednummer: BZAF6330).
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-363178-24 onder 1 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 5.922,00 (vijfduizend negenhonderdtweeëntwintig euro) bestaande uit € 2.547,00 (tweeduizend vijfhonderdzevenenveertig euro) materiële schade en € 3.375,00 (drieduizend driehonderdvijfenzeventig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 3.125,00 (drieduizend honderdvijfentwintig euro) aan immateriële schade af.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-363178-24 onder 1 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.922,00 (vijfduizend negenhonderdtweeëntwintig euro) bestaande uit € 2.547,00 (tweeduizend vijfhonderdzevenenveertig euro) materiële schade en € 3.375,00 (driehonderdvijfenzeventig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 54 (vierenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 29 oktober 2025 en voor de immateriële schade op 12 november 2024.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-363178-24 onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-363178-24 onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 7 (zeven) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 12 november 2024.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-037936-24 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade,
vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-037936-24 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 25 (vijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 10 februari 2024.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. S. Jongeling, mr. J. Piena en mr. E.J Hofstee, in tegenwoordigheid van mr. R.M. ter Horst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 juli 2026.
=========================================================================
[…]
.