ECLI:NL:GHAMS:2026:192

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
23-002986-19
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 36b SrArt. 36c SrArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen gewoontewitwassen en onvergund betaaldienstverlenerschap

De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor gewoontewitwassen, deelname aan een criminele organisatie en het zonder vergunning uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener. Het onderzoek betrof een omvangrijk dossier met contante geldtransacties van miljoenen euro's, uitgevoerd binnen een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband.

Bewijsmiddelen bestonden uit observaties, bakengegevens, heimelijke doorzoekingen, administratie in kasboeken, en getuigenverklaringen. De verdachte fungeerde als geldkoerier en vertegenwoordiger van een bedrijf dat als dekmantel diende. De verdediging voerde onder meer aan dat niet per geldbedrag kon worden vastgesteld dat het afkomstig was uit misdrijf, maar het hof verwierp dit en achtte het bewezen dat de bedragen uit enig misdrijf afkomstig waren.

De rechtbank veroordeelde de verdachte tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan zes voorwaardelijk, maar het hof matigde dit tot 21 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het hof oordeelde dat de verdachte een belangrijke rol had binnen de criminele organisatie en dat de ernst van de feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigde.

Daarnaast werden diverse geldbedragen en voorwerpen verbeurd verklaard en aan het verkeer onttrokken. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het afweek van haar oordeel en deed in zoverre opnieuw recht.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 21 maanden gevangenisstraf voor medeplegen van gewoontewitwassen, deelname aan een criminele organisatie en onvergund betaaldienstverlenerschap.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002986-19
datum uitspraak: 26 januari 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 juli 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-730095-15 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1972,
adres: [adres 1] .
De strafzaak onder parketnummer 23-002986-19 komt voort uit het opsporingsonderzoek dat bekend is onder de naam ‘Fa’. In dit onderzoek is sprake van meer verdachten, onder wie [verdachte] , die hierna wordt aangeduid als ‘de verdachte’ dan wel ‘ [verdachte] ’. De medeverdachten worden hierna (ook) aangeduid als [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
8 en 9 december 2025 en 12 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks de periode van 11 juli 2015 tot en met 17 november 2015 te Amsterdam en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich (meermalen althans eenmaal) schuldig heeft gemaakt aan witwassen, althans schuldwitwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (van) een of meerdere geldbedrag(en), te weten (onder meer):
- een geldbedrag van ongeveer EUR 459.650,- (zaak [zaak 1] ), althans een geldbedrag en/of
- een geldbedrag van ongeveer EUR 207.000,- (zaak [zaak 2] ), althans een geldbedrag en/of
- een geldbedrag van ongeveer EUR 450.420,- (woning [adres ] ), althans een geldbedrag en/of
- een geldbedrag van ongeveer EUR 330.800,- (uit Mercedes), althans een geldbedrag en/of
- een geldbedrag van ongeveer EUR 30.000,- (kantoorpand [adres 2] ) en/of
- een of meerdere geldbedrag(en) met een totale waarde van ongeveer EUR 17.484.180,-, (althans EUR 17.153.380 exclusief het geldbedrag van EUR 330.800,- uit de Mercedes) en/of EUR 17.442.498,- (kasboek) en/of
- de opbrengsten en/of verdiensten van het zonder vergunning in het kader van het bedrijf van betaaldienstverlener handelen met betrekking tot geldbedragen,
de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op genoemde voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) was en/of genoemde voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) voorhanden had
en/of
verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van een of meerdere voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) gebruik gemaakt,
terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
2.
hij in of omstreeks de periode van 11 juli 2015 tot en met 17 november 2015 te Amsterdam en/of Rotterdam, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1] en/of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:
- ( gewoonte)witwassen, althans schuldwitwassen, van een of meerdere geldbedragen, te weten:
van een of meerdere geldbedragen de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verbergen en/of verhullen, althans verbergen en/of verhullen wie de rechthebbende op genoemd(e) geldbedrag(en) was en/of genoemd(e) geldbedrag(en) voorhanden had
en/of
het verwerven en/of voorhanden hebben en/of overdragen en/of omzetten en/of gebruik maken van een of meer geldbedrag(en) uit enig misdrijf afkomstig (artikelen 420ter/bis/quater Wetboek van Strafrecht) en/of
- het opzettelijk overtreden van een voorschrift, gesteld bij artikel 2:3a Wet op het financieel toezicht jo artikel 1 sub Pro 2, 2 en 6 Wet op de economische delicten;
welke deelneming bestaat uit het uitvoeren van geldtransacties en/of het als dekmantel op zijn naam zetten van het bedrijf [bedrijf 1] B.V.;
3.
hij in of omstreeks de periode van 11 juli 2015 tot en met 17 november 2015 te Amsterdam en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk zonder vergunning van de Nederlandse Bank het bedrijf van betaaldienstverlener heeft uitgeoefend, als bedoeld in artikel 2:3a lid 1 van de Wet op het financieel toezicht, immers heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s) ten behoeve van en/of op verzoek van (een onbekend gebleven) begunstigde(n) en/of (een onbekend gebleven) betaler(s) en/of een of meer (onbekend gebleven) ander(en) een of meerdere (contante) geldtransactie(s) en/of een of meerdere geldtransfer(s) uitgevoerd en/of voor rekening van een of meer van de voornoemde begunstigde(n) en/of betaler(s) ontvangen en/of aan een of meerdere van de voornoemde begunstigde(n) en/of betaler(s) beschikbaar gesteld en/of voor een of meer van de voornoemde begunstigde(n) en/of betaler(s) gehouden, te weten:
- een geldbedrag van ongeveer EUR 459.650,- (zaak [zaak 1] ), althans een geldbedrag en/of
- een geldbedrag van ongeveer EUR 207.000,- (zaak [zaak 2] ), althans een geldbedrag en/of
- een geldbedrag van ongeveer EUR 450.420,- (woning [adres ] ), althans een geldbedrag en/of
- een geldbedrag van ongeveer EUR 330.800,- (uit Mercedes), althans een geldbedrag en/of
- een geldbedrag van ongeveer EUR 30.000,- (kantoorpand [adres 2] ) en/of
- een of meerdere geldbedrag(en) met een totale waarde van ongeveer EUR 17.484.180,- (althans EUR 17.153.380 exclusief het geldbedrag van EUR 330.800,- uit de Mercedes) en/of EUR 17.442.498,- (kasboek).
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring en strafoplegging komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging

Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3. De onder 1 tenlastegelegde geldbedragen van € 100.000,00 (van € 207.000,00), € 330.800,00, € 17.442.498,00, de opbrengsten of verdiensten van de werkzaamheden als geldkoerier en de onder 2 tenlastegelegde (niet nader genoemde) geldbedragen zijn afkomstig uit enig misdrijf. Uit het dossier blijkt niet uit welk misdrijf of welke misdrijven de geldbedragen afkomstig zijn, maar daaruit blijkt wel dat sprake is van ondergronds bankieren en (daarmee) van een vermoeden van witwassen. Dan mag van de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring over de herkomst van de geldbedragen worden verwacht. Die verklaring heeft de verdachte niet gegeven. Dat brengt met zich dat kan worden bewezen dat die geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte die geldbedragen heeft witgewassen. Er is sprake van gewoontewitwassen gelet op het grote aantal transacties en de periode waarin deze hebben plaatsgevonden. De geldtransacties vonden voorts plaats binnen een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband waarbij de rol van [verdachte] die van geldkoerier en regelaar van allerlei ondersteunende zaken was.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat de onder 1 en 2 tenlastegelegde geldbedragen, met uitzondering van de opbrengsten of verdiensten van de werkzaamheden als geldkoerier, afkomstig zijn uit enig misdrijf. Daartoe heeft de raadsvrouw onder meer het volgende aangevoerd. Uit het dossier blijkt weliswaar dat sprake is van ondergronds bankieren, maar daaruit volgt niet zonder meer dat ook sprake is van een vermoeden van witwassen. Daarvoor zijn aanvullende omstandigheden vereist en daarvan is niet gebleken. In dit verband heeft de raadsvrouw in het bijzonder gewezen op een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 november 2023 (ECLI:NL:RBAMS:2023:7305). Ook heeft de raadsvrouw gewezen op een uitspraak van dit hof van 5 juli 2018 (ECLI:NL:GHAMS:2018:4065), waaruit volgens haar volgt dat per geldbedrag moet worden beoordeeld of sprake is van een vermoeden van witwassen.
Daarnaast heeft de raadsvrouw aangevoerd dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat de verdachte het geldbedrag van € 100.000,00 en het gehele bedrag van € 17.442.498,00 voorhanden heeft gehad of op andere wijze heeft witgewassen.
Volgens de raadsvrouw moet de verdachte daarom van het onder 1 en 2 tenlastegelegde worden vrijgesproken, met uitzondering van het onder 2 mede tenlastegelegde (oogmerk op) het uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener (hierna ook samengevat als ‘bankieren’) zonder vergunning. De raadsvrouw heeft hiernaast geen andere verweren gevoerd ten aanzien van de onder feit 2 ten laste gelegde criminele organisatie. Zij heeft gesteld dat de verdachte naast zijn werkzaamheden als geldkoerier ook als katvanger heeft gefungeerd door bijvoorbeeld een bedrijf op zijn naam te zetten en een huurovereenkomst aan te gaan.
Ten aanzien van het onder feit 3 ten laste gelegde bankieren zonder vergunning heeft zij aangevoerd dat de verdachte niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor alle transacties uit het kasboek (met een totale waarde van ruim 17 miljoen euro) en verzocht de verdachte van dat gedachtestreepje vrij te spreken dan wel dat bedrag te matigen.
Oordeel van het hof
Aanleiding van het onderzoek
Op 12 maart 2015 wordt in het kader van een ander strafrechtelijk onderzoek een observatie uitgevoerd op het perceel [adres 3] . Daar wordt gezien dat twee onbekende mannen (NNI en NN2) in een Audi A3 (hierna: de Audi) met Duits kenteken [kenteken ] aankomen bij de [adres 3] . NNI loopt met een lege [winkel 1] -tas naar de Audi en pakt gevulde plastic zakken met het [winkel 2]-logo uit de kofferbak die hij in de [winkel 1] -tas stopt. NNI gaat vervolgens met de volle tas de flat aan de [adres 3] in. Uit onderzoek naar het kenteken in de politiesystemen blijkt dat er verschillende registraties zijn op dit kenteken. De bestuurder van de auto is dan steeds [medeverdachte 2] . Uit een van de registraties komt naar voren dat [medeverdachte 2] in november 2014 is gecontroleerd. In de auto was toen ook [verdachte] aanwezig. Bij een volgende observatie van [adres 3] , op 6 mei 2015, zien observanten dat NNI en NN2 in een Volkswagen Jetta met kenteken [kenteken 1] (hierna: de Jetta) wegrijden van de [adres 3] en een ontmoeting hebben met inzittenden van een Volkswagen Passat (hierna: de Passat) met kenteken [kenteken 2] . NNI en NN2 blijken later [medeverdachte 2] en zijn broer [medeverdachte 3] te zijn. De Passat is op naam gesteld van [persoon 1] , die in 2008 twee verdachte moneytransfers heeft gedaan naar [persoon 2] . Deze [persoon 2] wordt door de politie gezien als de spil in diverse internationale criminele organisaties voor het invoeren van grondstoffen voor synthetische drugs en de vervaardiging en levering hiervan. In december 2014 is [persoon 3] bestuurder geweest van deze Passat. [persoon 3] op zijn beurt is eerder in Ierland veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar voor het bezit van cocaïne en XTC ter waarde van 150.000,00 Engelse ponden. Hij zou deel uitmaken van een bekende Ierse criminele organisatie. Naar aanleiding van deze observaties en bevindingen is het onderzoek 13FA gestart.
Op grond van de bewijsmiddelen zoals deze in het geval dat beroep in cassatie wordt ingesteld tegen dit arrest in een nadere aanvulling zullen worden opgenomen, stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
Bij diverse observaties is gezien dat de Audi regelmatig geparkeerd staat in de omgeving van de [adres 4] . [medeverdachte 1] staat, samen met zijn zoon [medeverdachte 2] en zijn echtgenote [persoon 4] , ingeschreven op het adres [adres 4] . Op 3 juni 2015 wordt gezien dat [medeverdachte 2] om 12.50 uur bij de [adres 2] naar binnen gaat. Op 10 juni 2015 gaat hij om 11.38 uur de [adres 2] in.
[bedrijf 1]
Uit onderzoek blijkt dat een bedrijfsunit op de [verdieping] verdieping van de [adres 2] is verhuurd aan de besloten vennootschap [bedrijf 1] BV (hierna: [bedrijf 1] ). Deze vennootschap is op 21 mei 2013 in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel ingeschreven. [bedrijf 1] heeft als bedrijfsomschrijving “groothandel in textielwaren en schoenen”. [persoon 5] en [verdachte] zijn bestuurders, waarbij laatstgenoemde ook is ingeschreven als directeur. Tussen 21 mei 2013 en 25 november 2014 was [medeverdachte 2] bevoegd tot € 5.000,00, blijkt uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel. Het bij de Kamer van Koophandel vermelde telefoonnummer eindigend op * [nummer 1] staat op naam van [medeverdachte 1] . [bedrijf 1] heeft als bezoekadres [adres 5] , maar huurt per 1 april 2015 kantoorunit [unit] op de [verdieping] verdieping van de [adres 2] . In de huurovereenkomst staat dat [verdachte] contactpersoon is van [bedrijf 1] , met een telefoonnummer eindigend op * [nummer 2] . Aan [bedrijf 1] zijn drie toegangspassen verstrekt. Onderzoek wijst uit dat op 3 juni 2015 om 12.49 uur een van de toegangspassen van [bedrijf 1] is gebruikt, evenals op 10 juni 2015 om 11.33 uur.
Observaties [adres 2]
Op 22 juli 2015 is heimelijk een videocamera geplaatst in de centrale hal van de [verdieping] etage van [adres 2] , gericht op de ingang van unit [unit] , het kantoor van [bedrijf 1] . Uit de beelden blijkt dat de ruimte wordt gebruikt door [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] waarbij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] een sleutel van de ruimte hebben en [verdachte] niet. Uit de beelden blijkt ook dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] , al dan niet vergezeld door onbekende personen, regelmatig met gevulde tassen het kantoor in dan wel uit gaan. Het vermoeden van de politie is dat de tassen gevuld zijn met contant geld en dat het kantoor van [bedrijf 1] bedoeld is om geld in ontvangst te nemen en weer door te leveren. Uit de camerabeelden is ook gebleken dat de kantoorruimte aan de [adres 2] sinds eind augustus 2015 kennelijk niet meer als kantoor in gebruik is.
Heimelijke doorzoeking [bedrijf 1] , [adres 2]
Omdat bij herhaling is gezien dat ogenschijnlijk gevulde tassen het kantoor van [bedrijf 1] in- en uitgaan, heeft op 4 augustus 2015 een heimelijke doorzoeking plaatsgevonden in het kantoor. Bij de doorzoeking zijn lege [winkel 2] -tassen, opengescheurde plastic tasjes en drie gebundelde pakketten van 20 euro biljetten aangetroffen. Elk gebundeld pakket bestond uit 5 aparte pakketjes. In totaal bleek het - na vluchtige telling - om € 30.000,00 te gaan. Ook lagen er losse biljetten van € 10,00, € 20,00,
€ 50,00, € 100,00 en € 200,00 in een la. Verder zijn er een kantooragenda met daarin geschreven getallen of bedragen, een geldtelmachine, kladjes met aantekeningen van namen/woorden en getallen of bedragen, een rekenmachine, zwarte plastic tasjes met kleine gouden logo’s en een kladblok met aantekeningen, namen en bedragen/getallen aangetroffen. Daarnaast waren er een tapehouder met een rol tape en twee kilozakken elastiekjes, die identiek waren aan de elastiekjes waarmee de bundels geld waren gebundeld, aanwezig.
Nieuwe locatie, andere werkwijze
[verdachte] heeft per 1 september 2015 een bedrijfspand aan [adres 6] gehuurd op naam van [bedrijf 1] . Vanaf die datum werkt hij vanuit zijn woonadres aan de [adres 7] . Op 3 september 2015 komt hij bij ‘ [persoon 6] , afrekenmachines en vacuümmachines’ met een pakket naar buiten en neemt dit mee zijn woning in. Bij de doorzoeking van de woning is een geldtelmachine aangetroffen. Ook schaft [verdachte] , op naam van [bedrijf 1] , een nieuwe leaseauto aan, een Mercedes Benz, en gaat hij zich kleden in een net pak in plaats van een T-shirt/polo, lange spijkerbroek en slippers/sportschoenen. Onder de Mercedes wordt een baken geplaatst. Uit de bakengegevens en uit observaties wordt waargenomen dat [verdachte] veelvuldig naar Rotterdam op en neer rijdt.
Transacties
€ 100.000,00 (Zaak [zaak 2] )
Op 28 oktober 2015 is uit bakengegevens gebleken dat de Mercedes van [verdachte] tussen 9.16 uur en 15.41 uur uitpeilde in Duitsland. Uit de bakengegevens is gebleken dat de Mercedes heeft stilgestaan op de locaties [adres 8] en [adres 9] . Op dit laatste adres is [bedrijf 2] gevestigd, een groot confectiecentrum waar [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] een bedrijf hebben, genaamd [bedrijf 3] . Bij de politie ontstond het vermoeden dat [verdachte] als geldkoerier een bezoek heeft gebracht aan Duitsland. De auto is na terugkomst in Nederland onder observatie genomen. Hierbij is gezien dat hij aankomt op het adres [adres 7] en uit de kofferbak een wit plastic tasje meeneemt de woning in. Even later komt [verdachte] met een zwarte plastic tas uit de woning en zet deze op de bijrijdersstoel van een geparkeerde rode BMW. De BMW rijdt weg en wordt onder observatie genomen. De BMW parkeert bij een woning aan de [adres 10] . De bestuurder, die later blijkt te zijn [persoon 7] , komt uit de richting van de BMW lopen met een plastic tas die voldoet aan de omschrijving van de tas die [verdachte] in de rode BMW heeft gezet, namelijk een zwarte plastic tas. Hij gaat de woning in. Kort hierna komt een Peugeot bestelauto aanrijden. De bestuurder van de Peugeot gaat de woning aan de [adres 10] in. De Peugeot staat op naam van [persoon 8] . Vervolgens wordt gezien dat [persoon 8] en [persoon 7] naar de Peugeot lopen. [persoon 8] plaatst een grote tas in de bagageruimte. [persoon 7] zet een rode shoppertas in de Peugeot. Even later rijdt [persoon 8] met de Peugeot weg en wordt aangehouden. In de Peugeot wordt onder meer een hoeveelheid weed en een tas met PGP’s aangetroffen. Ook wordt bij perceel [adres 10] binnengetreden. In de woning wordt een geldbedrag van in totaal € 207.000,00 aangetroffen; in een gele doos een bedrag van € 107.000,00 en in een zwarte tas met gouden stippen een bedrag van € 100.000,00. Daarbij wordt een zwarte tas met hierin een blauwe vuilniszak met 7 doorzichtige sealbags met in totaal 6,96 kilogram hennep aangetroffen. In de woning zijn ook zeven mobiele telefoons en twee simkaarten aangetroffen. Twee van de telefoons zijn BlackBerry’s. Dit zijn vermoedelijk PGP-telefoons.
€ 330.800,00 (geldbedrag uit de Mercedes)
Op 17 november 2015 houdt een Rotterdamse eenheid van de politie de [adres 11] in Rotterdam onder observatie. Eerder was al gebleken dat de bestuurder van een Mercedes met kenteken [kenteken 3] die week dagelijks in de woning aan de [adres 11] (het hof begrijpt: [adres 11] ) in Rotterdam was geweest. Verbalisant ziet om 9.57 uur de Mercedes parkeren voor het pand [adres 11] . Hij ziet uit het pand met nummer [adres 11] een man komen, die later [persoon 9] bleek te zijn. Deze [persoon 9] heeft een rode plastic tas met witte opdruk bij zich, die deels gevuld is. De man stapt aan de bijrijderskant de Mercedes in. Kort daarop stapt de man zonder rode tas de Mercedes uit, waarop de Mercedes wegrijdt. Om 10.00 uur is een observatie gestart. Uit deze observatie en uit bakengegevens is gebleken dat de Mercedes naar Amsterdam rijdt. In de [adres 7] stopt de Mercedes. De bestuurder, [verdachte] , wordt aangehouden. In de Mercedes is achter de rechter voorstoel een rode plastic tas aangetroffen met daarin een witte plastic tas. Hierin zat een aantal bundels bankbiljetten tot een totaal van € 330.800,00. Het bedrag bestond uit biljetten van € 100,00, € 50,00 en € 20,00. De bundels bestonden op hun beurt uit vijf kleinere bundels met biljetten. [persoon 9] heeft verklaard dat hij op 17 november 2015 een rode plastic tas aan de (bestuurder van de) Mercedes moest geven. [persoon 9] wist dat er geld in de rode plastic tas zat. Hij heeft de man een aantal keren eerder gezien. [persoon 9] herkent [verdachte] van de foto als de bestuurder van de Mercedes.
€ 17.442.498,00 (Kasboek)
Tijdens de doorzoeking van de woning van [verdachte] aan de [adres 7] op 17 november 2015 is op de salontafel een schrift aangetroffen met handgeschreven notities en berekeningen. Deze notities en berekeningen zijn aanwijzingen die duiden op een administratie van een ondergrondse bankier waarbij wordt gewerkt met een versluierde administratie. Identificerende gegevens ontbreken immers. De notities bestaan onder andere uit twee kolommen met verschillende data en (bij)namen. De politie vermoedt dat de linker kolom de ontvangen gelden betreft en de rechter kolom de geldleveringen. Het schrift beslaat de periode van 9 september 2015 (op de eerste pagina is 9-9 te lezen) tot en met 16 november 2015 (op de laatste pagina staat 16-11, het schrift lag open op die pagina). Dat links de ingekomen bedragen staan kan worden afgeleid uit het volgende. De namen en bedragen zijn mogelijk gekoppeld aan data. Het betreft onder andere plaatsnamen (Rotterdam, IJsselstein, Den Haag) en mogelijke (bij)namen ( [bijnaam 1] , [bijnaam 2] ). Er is waargenomen dat [verdachte] naar Rotterdam is geweest en daar tassen heeft opgehaald. In een aantal gevallen komen de observaties overeen met de notities in het schrift. Op 17 november 2015 heeft [verdachte] een tas opgehaald in Rotterdam. Na zijn aanhouding bleek hier een bedrag van € 330.800,00 in te zitten (zie hierboven). Uit vergelijking van de observaties en bakengegevens met de notities uit het kasboek is gebleken dat de notities in het schrift overeenkomen met de bakengegevens en de observaties.
In vijftien gevallen is tijdens observaties gezien en/of uit bakengegevens gebleken dat de notities in het schrift overeenkomen met bewegingen van de Mercedes en handelingen van [verdachte] . Het hof acht bewezen dat de notities rechts geldleveringen betreffen. Die leveringen geschieden aan diverse personen die regelmatig terugkomen in de notities. Uit een analyse van de geldbedragen blijkt dat in de periode 9 september 2015 tot en met 16 november 2015 in totaal een bedrag van € 17.442.498,00 is afgeleverd.
(Gewoonte)witwassen (feiten 1 en 2)
Geldbedragen van € 100.000,00 en € 17.442.498,00: gezamenlijk met een ander verwerven, en/of voorhanden hebben en/of overdragen
Anders dan de verdediging en met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat kan worden bewezen dat de verdachte – samen met [medeverdachte 1] - de onder 1 tenlastegelegde geldbedragen van € 100.000,00 (van € 207.000,00) en € 17.442.498,00 heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen.
Voor wat betreft het in de woning van [persoon 7] aangetroffen geldbedrag van € 100.000,00 volgt uit de observatie van [verdachte] en [persoon 7] en de doorzoeking van de woning van [persoon 7] dat [verdachte] dit geldbedrag op 28 oktober 2015 voorhanden heeft gehad en aan [persoon 7] heeft overgedragen. Het hof betrekt daarbij dat de verdachte in de tenlastegelegde periode, volgens zijn verklaring afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg ‘met geld heeft gereden’ en dat hij geen verklaring heeft gegeven over de inhoud van de plastic tas die hij aan [persoon 7] heeft overgedragen. De stelling van de verdediging dat het geldbedrag van € 100.000,00 niet voorkomt in de administratie die in de woning van de verdachte is aangetroffen en daarom niet aan [verdachte] kan worden toegerekend, volgt het hof niet. Weliswaar komt de datum 28 oktober niet voor in die administratie, maar wel de datum 27 oktober en daaronder twee keer het getal 100.000. Het hof neemt daarbij mede in aanmerking dat niet is gesteld of gebleken dat de aangetroffen administratie volledig was. De verdachte heeft daarover ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij een administratie bijhield, maar dat hij niet alles bijhield.
Voor wat betreft de in die administratie opgenomen geldbedragen van in totaal € 17.442.498,00 volgt uit de volgende feiten en omstandigheden dat de verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1] die bedragen in de periode van 9 september 2015 tot en met 16 november 2015 hebben verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen:
  • de verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij – naar het hof begrijpt in de ten laste gelegde periode - met geld heeft gereden: als hij een opdracht kreeg om geld te leveren – naar het hof begrijpt: van [medeverdachte 1] als leider van de criminele organisatie waarvan beiden deel uitmaakten, zoals in dit arrest wordt besproken en bewezenverklaard – dan deed hij dat,
  • verder heeft hij daar verklaard dat hij met [medeverdachte 1] een afspraak had dat hij, de verdachte, een vergoeding zou krijgen voor de geldtransporten,
  • hij heeft tevens verklaard dat hij van de geldbedragen die hij heeft geleverd een administratie bijhield, maar dat hij niet alles bijhield,
  • hij heeft ook verklaard dat hij op dat moment geen ander werk had,
  • de verdachte werkte in die periode niet langer vanuit het kantoor van [bedrijf 1] B.V. aan de [adres 2] , maar (vooral) vanuit zijn eigen woning waar de administratie is aangetroffen,
  • de hoogte van de in die administratie genoemde geldbedragen komt voor een deel overeen met de hoogte van de bedragen die bij [verdachte] zijn aangetroffen,
  • in een aantal gevallen komen de in de administratie vermelde plaatsnaam en datum overeen met de plaatsnaam en datum uit de observaties van [verdachte] door verbalisanten en/of het door verbalisanten geplaatste baken onder de auto waarvan [verdachte] in die periode gebruikt maakte, en
  • [verdachte] heeft geen enkele (andere) verklaring gegeven over de in zijn woning aangetroffen administratie en de betekenis daarvan. Geconfronteerd ter terechtzitting in eerste aanleg met de stelling dat uit de bij hem aangetroffen administratie zou blijken dat er in totaal een bedrag van ongeveer € 17,5 miljoen is geleverd, heeft hij slechts verklaard “Ik weet dat niet meer”.
De door de raadsvrouw naar voren gebrachte omstandigheid dat slechts een deel van de in de administratie genoemde gegevens overeenkomt met de gegevens uit de observaties en het baken leidt niet tot een ander oordeel. Het hof betrekt daarbij dat:
  • een in de administratie genoemde plaatsnaam (ook) verband kan houden met een persoon in plaats van een locatie, bijvoorbeeld de naam ‘ [persoon 10] ’ die in verband kan worden gebracht met een persoon uit [plaats] met wie de verdachte in Amsterdam contact had,
  • in de administratie niet bij ieder geldbedrag een plaatsnaam wordt genoemd. Het hof volgt niet dat het ontbreken van een plaatsnaam zou moeten betekenen dat er geen transport zou hebben plaatsgevonden, zoals de verdediging stelt ten aanzien van het transport van € 335.000,00 op 16 november 2015,
  • de verdachte in de periode van 9 september 2015 tot en met 16 november 2015 niet voortdurend is geobserveerd, en
  • in ieder geval op 24 september 2015 geen bakengegevens beschikbaar waren.
Met de verdediging en de advocaat-generaal stelt het hof op grond van de bewijsmiddelen zoals deze in het geval dat beroep in cassatie wordt ingesteld tegen dit arrest in een nadere aanvulling zullen worden opgenomen tevens vast dat [verdachte] – naar het oordeel van het hof in de vorm van medeplegen met [medeverdachte 1] - het geldbedrag van € 330.800,00 als geldkoerier heeft verworven, en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en daarnaast de opbrengsten of verdiensten van de werkzaamheden als geldkoerier heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad.
Uit enig misdrijf afkomstig
Anders dan de raadsvrouw van de verdachte en met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat ook kan worden bewezen dat de onder 1 tenlastegelegde geldbedragen van € 100.000,00, € 330.800,00,
€ 17.442.498,00 en de opbrengsten of verdiensten van de werkzaamheden als geldkoerier - en daarmee de onder 2 bedoelde geldbedragen - afkomstig zijn uit enig misdrijf. Daartoe overweegt het hof als volgt.
Uit het dossier blijkt niet uit welk misdrijf of uit welke misdrijven de geldbedragen afkomstig zijn. Daaruit blijkt wel dat sprake is van een vermoeden van witwassen. Dat volgt uit de volgende feiten en omstandigheden:
  • de geldbedragen die zijn aangetroffen bij [verdachte] en [persoon 7] en de geldbedragen die zijn opgenomen in de administratie die is aangetroffen in de woning van [verdachte] zijn hoge contante bedragen van enkele tienduizenden tot honderdduizenden euro’s,
  • de overdracht, het vervoer of de bewaring van de bij [verdachte] en [persoon 7] aangetroffen geldbedragen en de in de administraties opgenomen transacties vonden plaats zonder de beveiliging die bij zulke hoge contante bedragen kan worden verwacht,
  • de administratie die is aangetroffen in de woning van [verdachte] is zeer beperkt en daaruit blijkt voor een buitenstaander niet of nauwelijks van wie de geldbedragen afkomstig zijn of voor wie deze zijn bestemd,
  • [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] maakten voor onder meer de huur van kantoorruimte en de lease van auto’s gebruik van de besloten vennootschap [bedrijf 1] , waarvan de in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel vermelde bedrijfsactiviteiten en bestuurders niet overeenkwamen met de werkelijkheid,
  • de bij [verdachte] aangetroffen biljetten van € 5,00, het door [verdachte] en zijn toenmalige vriendin op 5 oktober 2015 gevoerde telefoongesprek over een biljet van € 5,00, en de in de slaapkamer van [medeverdachte 2] aangetroffen notitie wijzen op het gebruik van tokens, waarmee geldbedragen anoniem kunnen worden overgedragen, hetgeen het vermoeden versterkt dat het gaat om geld afkomstig uit misdrijf,
  • de geldbedragen die zijn aangetroffen bij [verdachte] en [persoon 7] waren gebundeld op een wijze die gebruikelijk is in het criminele circuit, namelijk in stapels van 100 biljetten van een gelijk bedrag met elastiekjes om iedere stapel en vervolgens in bundels van een aantal stapels met elastiekjes om iedere bundel,
  • [verdachte] en [medeverdachte 1] maakten gebruik van PGP-telefoons, waarvan de communicatie destijds niet door de politie kon worden ontsleuteld,
  • [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] maakten gebruik van twee (lease)auto’s met een ingebouwde verborgen ruimte (een Mercedes met kenteken [kenteken 3] en een Volkswagen met kenteken [kenteken 1] ), en
  • de door de politie inbeslaggenomen contante geldbedragen zijn tot nu toe niet door enig vermeend rechthebbende opgeëist.
Deze feiten en omstandigheden brengen met zich dat van de verdachte mag worden verwacht dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft over de herkomst van de geldbedragen. [verdachte] heeft daarover slechts verklaard dat hij dacht dat de geldbedragen uit de confectiehandel afkomstig waren. Die verklaring acht het hof ongeloofwaardig. Uit de verklaring van de verdachte en uit het dossier blijkt niet dat [verdachte] en/of [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zich in de tenlastegelegde periode bezig hielden met confectiehandel of in ieder geval niet op een wijze die de herkomst van de grote (contante) geldbedragen kan verklaren. Bij de verdachte en de medeverdachten en in het kantoor van [bedrijf 1] B.V. aan de [adres 2] en later de [adres 6] zijn ook geen administratie of andere zaken aangetroffen die wijzen op legale handel in confectie, laat staan op een dergelijk grote schaal dat daarmee de in de tenlastelegging genoemde bedragen gemoeid zouden kunnen zijn. De administratie die wel is aangetroffen past daarentegen, zoals hiervoor overwogen, bij de verdenking van witwassen van illegale gelden. In de aangetroffen administratie ontbreken identificerende gegevens zoals voornaam en achternaam van de personen en worden bijnamen gebruikt. Het hof neemt bij dit oordeel mede in aanmerking dat de het gaat om zeer grote contante geldbedragen die op straat werden overgedragen, hetgeen grote veiligheidsrisico’s met zich brengt. Ook de hierboven genoemde omstandigheden dat de verdachten voor de transporten van de contante geldbedragen gebruik maakten van voertuigen waarin verborgen ruimtes waren gebouwd en dat [verdachte] en [medeverdachte 1] voor de onderlinge communicatie gebruik maakten van PGP-telefoons, wijzen er op dat de verdachten onder de radar wilden blijven, hetgeen niet strookt met het vervoeren van gelden uit legale handel. Het hof leidt hieruit af dat (ook) [verdachte] wist dat van legale gelden uit de confectiehandel geen sprake was.
Het hof merkt hierbij nog op dat het in dit verband door de advocaat-generaal gemaakte onderscheid tussen Hawala bankieren en ondergronds bankieren voor de beoordeling van de ten laste gelegde feiten niet (zonder meer) relevant is. In beide gevallen kan (ook) sprake zijn van witwassen en in dat kader moet de vraag worden beantwoord of het geld uit misdrijf afkomstig is. Het antwoord op die vraag is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In het onderhavige geval is het hof, zoals hiervoor overwogen, van oordeel dat het geld uit misdrijf afkomstig is.
Ook het standpunt van de raadsvrouw van de verdachte dat altijd per geldbedrag moet worden beoordeeld of het afkomstig is uit misdrijf volgt het hof niet. Dit vereiste volgt niet uit de door de raadsvrouw genoemde uitspraak van dit hof van 5 juli 2018 (ECLI:NL:GHAMS:2018:4065). De werkwijze van de verdachte en de medeverdacht(en) met betrekking tot de ten laste gelegde bedragen vertoont in het onderhavige geval sterke overeenkomsten en gelet daarop is de hiervoor opgenomen motivering op alle bedragen van toepassing.
Bij deze stand van zaken is het hof van oordeel dat de conclusie is gerechtvaardigd dat het niet anders kan dan dat de geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf en dat [verdachte] , [medeverdachte 1] en – voor zover het hem aangaat - [medeverdachte 2] dit wisten. Gelet op de omvang en de frequentie van de geldtransacties komt het hof tot een bewezenverklaring van gewoontewitwassen.
Overeenkomstig het pleidooi van de verdediging en het requisitoir zal [verdachte] worden vrijgesproken van de op de tenlastelegging onder feit 1 en 3 opgenomen geldbedragen uit de zaak [zaak 1]
(€ 459.650,00), de zaak [zaak 2] voor zover het betreft het bedrag van € 107.000,00, de woning in [adres ] (€ 450.420,00) en het kantoor aan de [adres 2] (€ 30.000,00).
Het hof komt tot bewezenverklaring van het onder feit 3 ten laste gelegde bankieren zonder vergunning. Zowel de verdachte als zijn medeverdachten beschikten op geen enkel moment in de ten laste gelegde periode over een vergunning voor het verlenen van betaaldiensten. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van het kasboek komt het hof ook tot een bewezenverklaring van het bedrag van ruim 17 miljoen euro.
Naar het oordeel van het hof zijn de onder 1 en 3 bewezenverklaarde feiten door [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gepleegd in een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband dat het oogmerk had het plegen van die misdrijven, te weten gewoontewitwassen en het bankieren zonder vergunning, een en ander op de wijze zoals hiervoor vermeld.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij in de periode van 11 juli 2015 tot en met 17 november 2015 te Amsterdam en Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader(s) geldbedragen, te weten (onder meer):
- een geldbedrag van EUR 100.000,00 (zaak [zaak 2] ),
- een geldbedrag van EUR 330.800,00 (uit Mercedes),
- geldbedragen met een totale waarde van EUR 17.442.498,00 (kasboek), en
- de opbrengsten of verdiensten van het zonder vergunning in het kader van het bedrijf van betaaldienstverlener handelen met betrekking tot geldbedragen,
verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen,
terwijl hij en zijn mededader(s) wisten dat bovenomschreven geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;
2.
hij in de periode van 11 juli 2015 tot en met 17 november 2015 te Amsterdam heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:
- gewoontewitwassen van geldbedragen, te weten:
het verwerven en/of voorhanden hebben en/of overdragen van geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig en
- het opzettelijk overtreden van een voorschrift, gesteld bij artikel 2:3a Wet op het financieel toezicht jo artikel 1 sub Pro 2, 2 en 6 Wet op de economische delicten;
welke deelneming bestaat uit het uitvoeren van geldtransacties en het als dekmantel op zijn naam zetten van het bedrijf [bedrijf 1] B.V.;
3.
hij in de periode van 11 juli 2015 tot en met 17 november 2015 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk zonder vergunning van de Nederlandse Bank het bedrijf van betaaldienstverlener heeft uitgeoefend, als bedoeld in artikel 2:3a lid 1 van de Wet op het financieel toezicht, immers hebben hij en zijn mededader(s) ten behoeve van of op verzoek van onbekend gebleven begunstigden en/of onbekend gebleven betalers contante geldtransacties uitgevoerd of voor een of meer van de voornoemde begunstigden of betalers gehouden, te weten:
- een geldbedrag van EUR 100.000,00 (zaak [zaak 2] ),
- een geldbedrag van EUR 330.800,00 (uit Mercedes), en
- geldbedragen met een totale waarde van EUR 17.442.498,00 (kasboek).
Hetgeen onder 1, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Eendaadse samenloop
De raadsvrouw heeft het verweer gevoerd dat sprake is van eendaadse samenloop van het onder 1 en 3 ten laste gelegde en daarbij verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 juli 2024 (ECLI:NL:RBAMS:2024:3917).
Het hof overweegt dat de eendaadse samenloop een wezenlijke functie vervult bij het voorkomen van onevenredige aansprakelijkheid en bestraffing in geval van gelijktijdige berechting van sterk samenhangende strafbare feiten. Bij het beoordelen van de vraag of sprake is van eendaadse samenloop
komt het vooral aan op de vraag of de bewezenverklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Naast de aan de orde zijnde gedraging van de verdachte is de juridische aard van de aan de orde zijnde feiten relevant, waarbij geen identieke strekking van de desbetreffende strafbepalingen is vereist, maar waarbij vooral van belang is of hun strekking niet wezenlijk uiteenloopt (HR 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:831).
Naar het oordeel van het hof is gelet hierop geen sprake van eendaadse samenloop van de onder 1 en 3 bewezenverklaarde feiten. Weliswaar leveren de bewezenverklaarde gedragingen een samenhangend feitencomplex op, maar de strekking van de desbetreffende strafbepalingen loopt wezenlijk uiteen.
De strafbepaling van het onder 1 bewezenverklaarde gewoontewitwassen strekt ertoe de integriteit van het financiële en economische verkeer te beschermen door tegen te gaan dat opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie worden onttrokken en daaraan een schijnbaar legale herkomst wordt verschaft. De strafbepaling van het onder 3 bewezenverklaarde uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener zonder vergunning heeft een wezenlijk andere strekking, namelijk het beschermen van het vertrouwen in het betalingsverkeer door middel van een vergunningplicht en (daarmee samenhangende) eisen aan de bedrijfsvoering.
Opbrengsten of verdiensten
Anders dan de rechtbank, en met de advocaat-generaal en de verdediging, is het hof van oordeel dat de onder 1 bewezenverklaarde ‘opbrengsten of verdiensten van het zonder vergunning in het kader van het bedrijf van betaaldienstverlener handelen met betrekking tot geldbedragen’ niet onmiddellijk, maar middellijk uit misdrijf afkomstig zijn, omdat deze afkomstig zijn uit geldbedragen die uit misdrijf afkomstig zijn. Dat brengt met zich dat (ook) het verwerven en/of voorhanden hebben van deze opbrengsten of verdiensten strafbaar is.
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van gewoontewitwassen.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van het opzettelijk zonder vergunning uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straffen en maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1 2 en 3 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 21 maanden.
De raadsvrouw van de verdachte heeft verzocht om te volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf waarvan de duur gelijk is aan de duur van het voorarrest van de verdachte (166 dagen), al dan niet in combinatie met een taakstraf. Daartoe heeft zij gewezen op de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep, op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn medische toestand en het verlies van zijn woning in het geval hij opnieuw naar de gevangenis moet, op de omstandigheid dat de verdachte
first offenderis en op de beperkte rol van de verdachte bij de tenlastegelegde feiten, namelijk die van ‘katvanger’.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen van aanzienlijke geldbedragen. Witwassen is een ernstig strafbaar feit. Door het witwassen van crimineel vermogen wordt de onderliggende criminaliteit begunstigd en in stand gehouden. Criminelen worden in staat gesteld met hun illegaal verdiende geld legale bezittingen te verwerven en het witwassen van crimineel vermogen draagt er aan bij dat criminele organisaties kunnen blijven voortbestaan en misdrijven kunnen blijven plegen. Witwassen tast bovendien de integriteit van het formele, aan regels gebonden financieel-economische verkeer aan en vormt een bedreiging voor het vertrouwen dat de samenleving in de integriteit daarvan behoort te kunnen stellen. Daarnaast heeft de verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het uitvoeren van grote (contante) geldtransacties zonder de daarvoor vereiste vergunning. Daarmee heeft de verdachte zich onttrokken aan het toezicht dat op zogenoemde betaaldienstverleners wordt uitgeoefend en heeft hij anderen ondersteund die op deze wijze hun criminele handel konden uitvoeren en financieren. Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het deelnemen aan een criminele organisatie die zich bezig hield met het witwassen van geld en het verlenen van betaaldiensten zonder vergunning. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft het hof in het bijzonder gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht op het gebied van fraude, de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en de straffen die het hof aan de medeverdachten oplegt. Gelet op de ernst van de feiten acht het hof in beginsel een gevangenisstraf van 24 maanden passend en geboden.
Uit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Het hof ziet daarin, anders dan de raadsvrouw, geen aanleiding een lagere straf op te leggen.
Het hof heeft oog voor de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder de omstandigheid dat hij mogelijk zijn woning verliest in het geval hij opnieuw naar de gevangenis moet. Het hof is echter van oordeel dat niet kan worden volstaan met een strafoplegging zoals door de raadsvrouw is verzocht. Daarvoor zijn de feiten te ernstig en de rol van de verdachte bij die feiten te groot. Voor wat betreft de rol van de verdachte overweegt het hof dat die veel verder ging dan die van ‘katvanger’. De verdachte had een voor de criminele organisatie onmisbare rol door als geldkoerier en als vertegenwoordiger van [bedrijf 1] B.V. op te treden en in die hoedanigheid onder andere een bedrijfspand en vervoermiddelen te regelen.
Het hof stelt vast dat het recht van de verdachte om binnen een redelijke termijn te worden berecht, als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), is geschonden. Als uitgangspunt geldt dat de berechting van de zaak in zowel eerste aanleg als in hoger beroep steeds behoort te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaren. Op 17 november 2015, de datum waarop de verdachte in verzekering is gesteld, is de redelijke termijn aangevangen. De rechtbank heeft op 25 juli 2019 vonnis gewezen. Hieruit volgt dat in eerste aanleg de redelijke termijn is overschreden met ongeveer één jaar en acht maanden. Op 6 augustus 2019 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof doet bij arrest van 12 januari 2026 einduitspraak. Dat tijdsverloop valt niet aan de verdediging toe te rekenen. Hieruit volgt dat in hoger beroep sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer vier jaar en vijf maanden. Het hof is van oordeel dat dit matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben. Daarom wordt de verdachte een gevangenisstraf van 21 maanden opgelegd.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

Beslag

Onder de verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen en nog niet teruggegeven:
1. een geldbedrag van € 330.800,00;
2. een geldbedrag van € 10,00;
3. een geldbedrag van € 30,00;
4. een rekenmachine;
5. een geldtelmachine;
6. schriften met administratie;
7. een geldbedrag van € 2.695,00;
8. een geldbedrag van € 20,00;
9. een BlackBerry zaktelefoon.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de geldbedragen worden verbeurd verklaard en de overige inbeslaggenomen goederen dienen te worden onttrokken aan het verkeer.
De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot het beslag gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Verbeurdverklaring
Het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot de hiervoor opgesomde geldbedragen en niet is vastgesteld aan wie deze geldbedragen toebehoren. Zij zullen daarom worden verbeurd verklaard.
Onttrekking aan het verkeer
Het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde is begaan met behulp van de overige inbeslaggenomen voorwerpen. Zij zullen aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en/of de wet.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 47, 57, 140 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 2:3a van de Wet op het financieel toezicht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
21 (eenentwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Heft op de geschorste voorlopige hechtenis.
Verklaart verbeurdde in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- een geldbedrag van € 330.800,00;
- een geldbedrag van € 10,00;
- een geldbedrag van € 30,00;
- een geldbedrag van € 2.695,00;
- een geldbedrag van € 20,00.
Beveelt de
onttrekking aan het verkeervan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- een rekenmachine;
- een geldtelmachine;
- geschriften met administratie;
- een zaktelefoon, BlackBerry.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg, mr. J.L. Bruinsma en mr. C. Beuze, in tegenwoordigheid van mr. C. van der Laan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
26 januari 2026.
=========================================================================
[…]