ECLI:NL:GHAMS:2026:1921

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
23-000308-23
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep mishandeling (ex)vriendin met toewijzing schadevergoeding

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de politierechter vernietigd en de verdachte veroordeeld voor drie afzonderlijke mishandelingen van zijn (ex)vriendin, gepleegd in 2016, 2018 en 2018. De mishandelingen betroffen onder meer stompen, schoppen, het hoofd tegen de muur slaan en het trekken aan het haar met hoofdstoten tegen een tafel.

Het hof baseerde zijn oordeel op schriftelijke verklaringen van het slachtoffer, getuigenverklaringen, medische rapporten en WhatsApp-berichten. De verklaringen werden als betrouwbaar beoordeeld ondanks het tijdsverloop. De verdachte werd vrijgesproken van overige tenlastegelegde feiten die niet bewezen konden worden.

De strafoplegging bestond uit een taakstraf van 100 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 jaar met een proeftijd, waarbij rekening werd gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en hoger beroep. Daarnaast werd een schadevergoeding toegekend van €99,46 aan materiële schade en €2.000 aan immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente. De overige schadevorderingen werden afgewezen of niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot taakstraf van 100 uur en voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 jaar met schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000308-23
datum uitspraak: 14 juli 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 17 januari 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-219452-19 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 30 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 23 oktober 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland zijn (ex) vriendin, [slachtoffer] , heeft mishandeld door haar meermalen (met kracht) op het gezicht en/of hoofd en/of lichaam met de vuisten te slaan en/of te stoten en/of te stompen en/of door haar meermalen ( met kracht) op haar borsten en/of borststreek en/of bovenlichaam te schoppen en/of te trappen;
2.
hij op of omstreeks 6 januari 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, zijn (ex)vriendin, [slachtoffer] , heeft mishandeld door haar hoofd (met kracht) tegen de muur aan te slaan en/of te duwen en/of (vervolgens) haar meermalen (met kracht) met de vuist(en) op het gezicht en/of hoofd te slaan en/of te stoten en/of te stompen;
3.
hij op of omstreeks 17 november 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, zijn (ex)vriendin, [slachtoffer] , heeft mishandeld door haar met kracht aan de haren te trekken en/of (vervolgens) haar met kracht mee te sleuren en/of (vervolgens) haar hoofd met kracht op/aan/tegen de tafel te slaan.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

Feit 1 (Mishandeling omstreeks 23 oktober 2016)
De aangeefster [slachtoffer] beschrijft in haar schriftelijke verklaring een incident dat heeft plaatsgevonden aan de [plaats 1] (het hof begrijpt: te Amsterdam) waarbij de verdachte haar herhaaldelijk met zijn vuisten heeft gestompt en, toen zij op de badkamervloer terechtkwam, ten minste twee keer tegen haar borst heeft geschopt waardoor zij niet kon ademen. [slachtoffer] dacht dat zij doodging. Uiteindelijk is het haar gelukt de verdachte de woning uit te krijgen waarna zij een vliegticket naar [land] (via [land 2] ) heeft geboekt. Zij beschrijft dat zij veel pijn aan haar ribben en haar zij had en dat haar moeder haar in [land] naar het ziekenhuis heeft gebracht.
Uit het dossier blijkt dat [slachtoffer] op 22 oktober 2016 om 21.21 uur naar de Eerste Hulp in [plaats 2] ( [land] ) is gegaan, maar dat zij vanwege een te lange wachttijd ervoor gekozen heeft om naar huis te gaan zonder door een arts onderzocht te worden. Op 23 oktober 2016 is zij teruggegaan naar de Eerste Hulp en heeft de arts die haar onderzocht heeft de volgende verwondingen geconstateerd:
- rug: een 3 x 4 cm paarsgekleurde hematoom rond de ribben;
- rechter arm: een paarsgekleurde hematoom van 4 x 3 cm aan de binnenkant van de bovenarmspier;
- rechter en linker pols: vage blauwe plekken zowel aan de linker als aan de rechter pols;
- ogen: op het linker ooglid een hematoom van 2 x 3 cm en een zwelling aan het jukbeen.
In het (vertaalde) medisch verslag van de Eerste Hulp staat dat het incident in Amsterdam heeft plaatsgevonden in de nacht van vrijdag op zaterdag (het hof begrijpt: de nacht van 21 oktober 2016 op 22 oktober 2016).
De moeder van de aangeefster, [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ), beschrijft in haar schriftelijke getuigenverklaring dat haar dochter haar in de ochtend (het hof begrijpt: van 22 oktober 2016) huilend opbelde en vertelde dat de verdachte haar vreselijk had geslagen, dat zij op [plaats 3] was en dat zij onderweg naar haar ouderlijk huis in [plaats 2] was. In [plaats 2] zag [persoon 1] dat haar dochter amper kon lopen en dat de pijn op haar hele gezicht te zien was.
Het hof is van oordeel dat de verklaring van de aangeefster betrouwbaar is en voldoende ondersteuning vindt in het hiervoor aangehaalde steunbewijs. Het feit dat deze verklaring twee jaar na dato is opgesteld, doet, anders dan de raadsman heeft aangevoerd, niet af aan de betrouwbaarheid daarvan. Anders dan de raadsman heeft gesteld, zijn de verklaring van [persoon 1] en de bevindingen van de [land] EHBO arts niet (alleen) van horen zeggen. [persoon 1] beschreef niet alleen wat haar dochter haar verteld had
– namelijk dat de verdachte haar vreselijk geslagen had – maar ook wat zij zelf had waargenomen, te weten dat haar dochter haar huilend opbelde en dat zij bij aankomst in [land] amper kon lopen en dat de pijn op haar hele gezicht te zien was. De [land] EHBO arts beschrijft niet alleen wat de aangeefster hem/haar verteld had, maar ook de verwondingen die hij/zij zelf heeft waargenomen bij het onderzoek. Anders dan door de raadsman is bepleit, is het hof van oordeel dat deze verwondingen passen bij de aangifte.
Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat de mishandeling in de nacht van 21 oktober 2016 op 22 oktober 2016 heeft plaatsgevonden en zal daarom als pleegdatum
omstreeks 23 oktober 2016bewezenverklaren.
Het verweer van de raadsman strekkende tot vrijspraak wordt verworpen.
Feit 2 (Mishandeling op 6 januari 2018)
[persoon 1] beschrijft in haar schriftelijke verklaring een incident waarbij de verdachte haar vastpakte en haar hoofd ‘tegen de muur knalde’. Zij lag op de grond in de gang en hij sloeg haar herhaaldelijk met zijn vuist in haar gezicht. Zij voelde dat een tand loskwam en zij slikte die per ongeluk in. Zij schreeuwde totdat mensen langs kwamen die haar hielpen. Verder beschrijft zij dat de politie plotseling kwam, dat de verdachte in paniek raakte en dat zij het bloed van haar gezicht veegde om hem niet in de problemen te brengen. Zij heeft niets tegen de politie gezegd, alleen dat zij haar spullen terug wilde. De volgende dag is zij naar het ziekenhuis gegaan waar een lichte hersenschudding is geconstateerd. Uit de politiesystemen blijkt dat op 6 januari 2018 een melding van een vermoeden van huiselijk geweld is gedaan door een buurman van [persoon 1] en [verdachte] op de [plaats 1] . Hij hoorde iemand roepen om de politie. Bij aankomst trof de politie [persoon 1] en [verdachte] aan die vertelden ruzie te hebben over spullen die [persoon 1] terug wilde hebben.
Uit het dossier blijkt dat [persoon 1] op 6 januari 2018 contact heeft opgenomen met de Huisartsenpost in Amsterdam. Zij vertelde die ochtend twee tot drie keer in het gezicht te zijn geslagen door haar vriend (het hof begrijpt: de verdachte). Zij beschrijft een grote zwelling boven haar wenkbrauw en vertelt dat een deel van haar tand gebroken is. De zwelling wordt steeds groter en [persoon 1] vertelt duizelig te zijn. De huisartsenpost constateert een zwelling op haar linker voorhoofd en een schuin breukje in haar rechter voortand.
Uit de door de getuige [getuige] aangeleverde Whatsappberichten tussen haar en [persoon 1] blijkt dat zij op 7 januari 2018 spreken over het letsel van [persoon 1] . [getuige] vraagt hoe het met [persoon 1] haar hoofd gaat, waarop [persoon 1] antwoordt dat de zwelling begint te zakken en dat zij niet meer zo’n pijn heeft. [persoon 1] zegt verder dat het opgezwollen is rond de neuswortel en het oog in plaats van boven de wenkbrauwen. De dag ervoor, 6 januari 2018, geeft [persoon 1] aan dat ze naar de dokter gaat en dat zij daarna naar [getuige] gaat. In haar getuigenverklaring vertelt [getuige] dat [slachtoffer] (het hof begrijpt: [persoon 1] ) in januari 2018 bij haar langskwam met een gebroken voortand – zij miste een stukje – en een hersenschudding had.
Op 1 februari 2018 heeft [persoon 1] een tandartsbehandeling ondergaan. De tandarts heeft een meervlaksvulling van composiet aangebracht. Dat is een behandeling waarbij een tand of kies hersteld wordt die geheel of gedeeltelijk is afgebroken.
Het hof is ook hier van oordeel dat verklaring van de aangeefster betrouwbaar is en voldoende ondersteuning vindt in het hiervoor aangehaalde steunbewijs. Het feit dat de aangeefster haar verklaring schriftelijk thuis heeft kunnen opstellen en dat dit (bijna) een jaar na het tenlastegelegde is gebeurd, doet – anders dan door de raadsman is gesteld – niet af aan de betrouwbaarheid daarvan. Voorts is het hof, anders dan de raadsman heeft gesteld, van oordeel dat de verklaring van [getuige] niet (alleen) van horen zeggen is. [getuige] verklaart over wat [persoon 1] haar heeft verteld, en over wat zij zelf heeft geconstateerd. Het verweer van de raadsman strekkende tot vrijspraak wordt verworpen.
Feit 3 (Mishandeling op 17 november 2018)
De aangeefster heeft verklaard dat de verdachte en een vriend van hem (het hof begrijpt: [persoon 2] ) op 17 november 2018 bij haar thuis zijn geweest en dat de verdachte hard aan haar haar trok en haar hoofd hard op een tafel sloeg. Zij voelde meteen veel pijn aan haar hoofd en viel op de grond. [persoon 2] heeft op 17 november 2018 bij de politie verklaard dat hij zag dat de verdachte met zijn rechterhand het hoofd van zijn vriendin (het hof begrijpt: [persoon 1] ) vastpakte en dat hij haar hoofd hard op de glazen tafel sloeg. Hij zag dat zij viel. Bij de raadsheer-commissaris heeft [persoon 2] op 2 september 2025 verklaard dat de verdachte de vrouw bij het hoofd pakte, ter hoogte van het oor. Het was een grijpende beweging met de vlakke hand. Hij drukte haar hoofd naar beneden en bleef dat
doen, totdat zij haar balans verloor. Vervolgens viel zij, maar de snelheid waarmee zij viel,
werd vergroot door de duwende beweging van de verdachte; er zat nog kracht achter. Hierop is de
vrouw met de andere kant van haar hoofd tegen de hoek van een glazen tafel aangekomen.
Het hof is van oordeel dat de verklaring van de aangeefster voldoende betrouwbaar is en ondersteuning vindt in het hiervoor aangehaalde steunbewijs. Het verweer van de raadsman strekkende tot vrijspraak wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij omstreeks 23 oktober 2016 te Amsterdam, zijn (ex) vriendin, [slachtoffer] , heeft mishandeld door haar meermalen te stompen en door haar meermalen op haar borst te schoppen;
2.
hij op 6 januari 2018 te Amsterdam, zijn (ex)vriendin, [slachtoffer] , heeft mishandeld door haar hoofd (met kracht) tegen de muur aan te slaan en haar meermalen met de vuist op het gezicht te slaan;
3.
hij op 17 november 2018 te Amsterdam, zijn (ex)vriendin, [slachtoffer] , heeft mishandeld door haar met kracht aan de haren te trekken en haar hoofd met kracht op de tafel te slaan.
Hetgeen onder 1, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde levert op:
telkens mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest en een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
De raadsman heeft het hof verzocht rekening te houden met de rol van aangeefster [slachtoffer] binnen de relatie. Zij en de verdachte hebben vier jaar een relatie gehad en het gedrag van [slachtoffer] tijdens die relatie was opvallend te noemen en uitte zich door, onder meer, hysterie, slaan met voorwerpen, fysieke agressie. Zij had psychische problemen (een diagnose borderline) en was in therapie bij een psycholoog. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte nu al een paar jaar een vriendin heeft en dat er geen mishandelingen zijn gemeld. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten oud zijn en geen taakstraf van 100 uren rechtvaardigen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn (ex)vriendin. Hij heeft daardoor inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit en bij haar pijn en letsel veroorzaakt, terwijl de verdachte, als (ex)partner van het slachtoffer, de persoon had moeten zijn bij wie zij zich bij uitstek geborgen kon voelen.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 16 juni 2026 is hij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld voor geweldsfeiten.
Het hof acht, alles afwegende, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden passend. Het hof heeft echter geconstateerd dat de redelijke termijn in eerste aanleg met 19 maanden en in hoger beroep met 17,5 maanden is overschreden. Gelet op deze overschrijdingen zal het hof de op te leggen straf in die zin matigen dat in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.831,87 te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.099,46 te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige is de vordering van de benadeelde partij – wat betreft de materiële schade – afgewezen. De benadeelde partij is wat betreft de immateriële schade, voor het overige, niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd. De advocaat van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting in hoger beroep te kennen gegeven dat de vordering in hoger beroep
€ 99,46 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade bedraagt (het hof begrijpt: te vermeerderen met de wettelijke rente).
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat een bedrag van € 99,46 aan materiële schade kan worden toegewezen. Ten aanzien van de hoogte van de toe te wijzen immateriële schade heeft de advocaat-generaal zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voorts heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de schadevergoedingsmaatregel kan worden opgelegd.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat een schadevergoeding, gelet op de bepleite vrijspraak, niet op haar plaats is.
Het hof overweegt en beslist als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden in de vorm van lichamelijk letsel. Het hof schat de omvang van de immateriële schade op de voet van artikel 6:106 BW Pro naar billijkheid op € 2.000,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
1 (één) maand.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
50 (vijftig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 99,46 (negenennegentig euro en zesenveertig cent) materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 99,46 (negenennegentig euro en zesenveertig cent) materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 20 (twintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 6 januari 2018 en van de immateriële schade op 17 november 2018.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.F.J.M. de Werd, mr. J.J. Roos en mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg, in tegenwoordigheid van mr. S. Egidi, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 juli 2026.
Mr. A.M. Koolen – Zwijnenburg is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.