ECLI:NL:GHAMS:2026:1931

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
K25/230326
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 266 SrArt. 137c SrArt. 137d SrArt. 7 GrondwetArt. 10 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beklag tegen sepot wegens belediging en aanzetten tot haat en discriminatie

Klager diende een beklag in tegen het sepot van aangifte wegens groepsbelediging en aanzetten tot haat en discriminatie op basis van geloofsovertuiging en politieke voorkeur. De aangifte betrof een verklaring getiteld 'Evangelie en extreemrechts gaan niet samen', ondertekend door beklaagde en anderen, waarin een oproep werd gedaan aan christelijk Nederland om zich uit te spreken tegen extreemrechts gedachtegoed.

Het hof oordeelde dat klager als conservatief christen die op FVD stemt, ontvankelijk was in het beklag. De verklaring richtte zich niet specifiek tot klager als individu, maar tot een bredere groep christenen, waardoor het niet als persoonlijke belediging kon worden aangemerkt. Het hof paste het driestappenkader van de Hoge Raad toe en concludeerde dat hoewel de verklaring beledigend kan zijn voor de groep, deze binnen de grenzen van de vrijheid van meningsuiting valt en niet onnodig grievend is.

Verder stelde het hof vast dat de verklaring niet oproept tot haat, discriminatie, geweld of uitsluiting, maar juist de dialoog binnen de kerk beoogt. Daarom kon geen sprake zijn van aanzetten tot haat of discriminatie. Het hof concludeerde dat de strafrechter niet tot een veroordeling zou kunnen komen en wees het beklag af.

Uitkomst: Het hof wijst het beklag af en bevestigt het sepot wegens gebrek aan strafbaarheid van de verklaring.

Uitspraak

afdeling strafrecht
beklagkamer
rekestnummer K 25/230326
Beschikking op het beklag van:
[klager],
wonende te [plaats] ,
klager.

1.Het beklag

Het hof heeft op 20 augustus 2025 het klaagschrift ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland om geen strafvervolging in te stellen tegen
[beklaagde](hierna: beklaagde) en andere personen die de op [website 1] gepubliceerde verklaring ‘Evangelie en extreemrechts gaan niet samen’ van 13 september 2024 (hierna: de verklaring) hebben ondertekend, ter zake van belediging, aanzetten tot haat en discrimineren op basis van geloofsovertuiging en politieke voorkeur.

2.Het verslag van de advocaat-generaal

Bij verslag van 20 mei 2026 heeft de advocaat-generaal het hof in overweging gegeven het beklag af te wijzen.

3.De voorhanden stukken

Het hof heeft kennisgenomen van:
- het klaagschrift met bijlagen en de aanvulling daarop van 18 september 2025;
- de heroverweging van de officier van justitie van 25 maart 2026;
- het verslag van de advocaat-generaal van 20 mei 2026;
- de reactie van klager van 31 mei 2026 op het verslag;
- het dossier van de politie.

4.De behandeling in raadkamer

Het hof heeft klager in de gelegenheid gesteld op 3 juni 2026 het beklag toe te lichten. Klager is in raadkamer verschenen en heeft het beklag toegelicht en gehandhaafd.
De advocaat-generaal is bij de behandeling in raadkamer aanwezig geweest. In hetgeen in raadkamer naar voren is gekomen heeft deze geen aanleiding gevonden de conclusie in het verslag te herzien.

5.Feiten en omstandigheden

5.1
De door klager gewraakte verklaring (hierna: de verklaring) heeft als titel: ‘Evangelie en extreemrechts gaan niet samen’ en is onder meer ondertekend door beklaagde, als directeur van de organisatie [bedrijf] . In de aanhef van de verklaring staat: ‘Wij vinden dat de kerk nu stelling moet nemen. Daarom roepen wij christelijk Nederland op om deze verklaring te onderschrijven’. Paragraaf 2 van de verklaring heeft als titel: ‘Een christelijke levensovertuiging kan onmogelijk samengaan met een extreemrechtse ideologie.’ In paragraaf 5 staat, voorzover hier van belang: “Ook in lokale kerken mogen we niet nalaten om extreemrechtse denkbeelden tegen te spreken, zeker nu steeds meer christenen deze ondersteunen”. En verder: “Wij geloven dat het essentieel is om stelling te nemen voor gerechtigheid, ook als dat leidt tot moeilijke gesprekken binnen de kerk.” In slotparagraaf 6 staat: “Daarom kiezen wij ervoor (….) om onze geloofsgemeenschappen te laten fungeren als oefenplaatsen voor de noodzakelijke gesprekken over racisme en discriminatie.”
5.2
De verklaring is gepubliceerd op de website [website 1] . Op deze site staat onder ‘Over [bedrijf] ’ onder meer: “ [bedrijf] is een netwerk van meer dan twintig christelijke non-profitorganisaties, waaronder kerkelijke organisaties, goede doelen en onderwijsinstellingen. Samen met duizenden bevlogen christenen maken we allerlei vormen van onrecht bespreekbaar in de kerk. We hopen dat christenen hierdoor samen in beweging komen voor meer gerechtigheid, zowel in de wereld als in onze eigen leefomgeving.”
5.3
Aan de verklaring is in dagbladen aandacht besteed. Ook de [Media] heeft op 21 september 2024 een nieuwsbericht op [website 2] geplaatst met als titel ‘Ruim 800 vooraanstaande christenen ondertekenen verklaring tegen 'extreemrechts'.’ In dit nieuwsbericht staat onder meer: “Initiatiefnemer van de verklaring is [persoon] . Hij is directeur van [bedrijf] , een netwerk van christelijke non-profitorganisaties. [persoon] heeft met de verklaring een belangrijk doel: "We willen een duidelijke ondergrens stellen, het evangelie en extreemrechts gaan niet samen. In Duitsland heeft de Katholieke Kerk zoiets al eerder gezegd." Toch hoopt de directeur in contact te blijven met christenen die op radicaal-rechtse partijen stemmen: "We willen wel in verbinding blijven, we zien dit echt als de start van een gesprek."”
5.4
Voor de weergave van de feitelijke uitgangspunten die (verder) van belang zijn voor de beoordeling verwijst het hof naar de inhoud van het verslag.

6.De toelichting op het beklag

6.1
In het proces-verbaal van aangifte van 14 oktober 2024 staat: "Hierbij doe ik aangifte van (1) groepsbelediging en (2) het aanzetten tot haat, alsook (3) het discrimineren op basis van geloofsovertuiging en politieke voorkeur.”
In het klaagschrift staat: “Ik heb aangifte gedaan van (1) belediging (noot: in de aangifte staat onterecht groepsbelediging, ik heb geen aangifte gedaan namens een groep) en (2) aanzetten tot haat, op grond van mijn (1) geloofs- en (2) levensovertuiging.”
Klager heeft hierop in raadkamer desgevraagd een toelichting gegeven. Het hof begrijpt daaruit - in samenhang gezien met het in 6.2 weergegeven standpunt van klager - dat hij, hoewel hij niet met naam en toenaam wordt genoemd in de verklaring, zich wel in persoon beledigd voelt omdat hij een conservatief christen is die op Forum voor Democratie (hierna: FVD) stemt, welke twee kenmerken wel expliciet worden genoemd in die verklaring.
Het hof leidt hieruit af dat klager weliswaar niet
namenseen groep klaagt, maar wel beoogt te klagen als persoon die
geschaard kan worden ondereen groep, te weten de in de verklaring genoemde conservatieve christenen die op FVD stemmen. Daarom gaat het hof er, anders dan de advocaat-generaal, vanuit dat het beklag behalve op belediging en aanzetten tot haat
ookgericht is tegen het niet vervolgen wegens groepsbelediging.
6.2
Klager heeft het beklag in de kern toegelicht in met name zijn reactie op het verslag van de advocaat-generaal: hij is een conservatief christen en stemt op FVD. In de verklaring worden conservatieve christenen die sympathiseren met of stemmen op partijen als de PVV en FVD gepresenteerd als personen met overtuigingen die daardoor onverenigbaar zouden zijn met het evangelie en met authentiek christendom. Daarmee wordt niet uitsluitend een politieke ideologie bekritiseerd, maar tevens een concrete groep gelovigen publiekelijk moreel gedelegitimeerd. De verklaring beperkt zich niet tot inhoudelijke politieke discussie, maar verbindt extreemrechts expliciet aan christenen die dergelijke partijen ondersteunen, zich hiermee identificeren en hierop stemmen. Daarbij wordt gesteld dat het evangelie hiermee niet samen kan gaan. Voor gelovigen heeft een dergelijke kwalificatie een bijzonder zwaar normatief karakter. In maatschappelijke context betekent dit dat betrokken christenen worden neergezet als moreel verwerpelijk, anti-evangelisch en maatschappelijk gevaarlijk. Dit gaat verder dan een bijdrage aan het publieke debat, en raakt aan sociale uitsluiting. Steeds aldus klager.

7.Ontvankelijkheid

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan slechts degene die door het achterwege blijven van vervolging getroffen is in een belang dat hem bepaaldelijk aangaat, worden aangemerkt als belanghebbende (Hoge Raad 7 maart 1972, NJ 1973, 35). Daarbij dient sprake te zijn van een objectief bepaalbaar, persoonlijk of kenmerkend belang. Bovendien brengt het relativiteitsvereiste met zich mee dat beoordeeld dient te worden of de overtreden strafbepalingen beogen dit specifieke belang van klager te beschermen.
In de verklaring is de opvatting te lezen dat de kerk stelling moet nemen tegen extreemrechts gedachtegoed en extreemrechtse politiek, waarbij ook FVD wordt genoemd, omdat een christelijke levensovertuiging onmogelijk samengaat met een extreemrechtse ideologie. Om die reden wordt christelijk Nederland opgeroepen de verklaring te onderschrijven. Klager geeft in zijn aangifte aan dat hij christen is en FVD stemt. Gelet hierop is klager te beschouwen als rechtstreeks belanghebbende en is hij ontvankelijk in het beklag.
Daarmee komt het hof toe aan de inhoudelijke beoordeling van het beklag.

8.De beoordeling van het beklag

Beoordelingskader beklag
8.1
Het hof heeft te beoordelen of de strafrechter die over deze zaak zou moeten oordelen – al dan niet na nader onderzoek – zou kunnen komen tot een veroordeling voor enig strafbaar feit. Daarnaast moet het hof beoordelen of er, gelet op alle omstandigheden, voldoende belang is bij het alsnog instellen van strafrechtelijke vervolging. Indien het antwoord op beide vragen bevestigend luidt, zal een bevel tot vervolging worden gegeven.
Belediging
8.2
Belediging is strafbaar gesteld in artikel 266 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Deze strafbepaling richt zich op de belediging van een individu. De verklaring is gericht tot ‘christelijk Nederland’ en bevat een oproep om zich door ondertekening uit te spreken tegen het extreemrechts gedachtegoed en extreemrechtse politieke partijen. Het gaat dus niet om een uitlating die zich specifiek richt tot de individuele persoon van klager. Dat klager een conservatief christen is en op FVD stemt, is onvoldoende onderscheidend om te kunnen concluderen tot een belediging van klager in persoon. Hieruit volgt dat dit strafbare feit niet bewezen kan worden.
Groepsbelediging
8.3
Groepsbelediging is strafbaar gesteld in artikel 137c Sr. In dit wetsartikel staat:
“1. Hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, wordt gestraft […]”
Artikel 137c Sr maakt deel uit van een reeks delicten (artikelen 137c-137g Sr) waarin een specifieke vorm van belediging, te weten discriminatie, strafbaar is gesteld. Daarbij gaat het vooral om het aantasten van de eigenwaarde van een mens of het openlijk in diskrediet brengen van een groep mensen, dat in de kern neerkomt op aantasting van de eer en goede naam van een mens of die groep. Strafbare (groeps)belediging en discriminatie zijn wettelijke uitzonderingen op het grondwettelijke en verdragsrechtelijke recht op de vrijheid van meningsuiting. De grens daartussen is casuïstisch en leidt dan ook vaak tot een (maatschappelijke) discussie over het strafwaardig karakter van bepaalde uitlatingen, omdat het kwetsende karakter ervan niet altijd (direct) impliceert dat ook in strijd met de strafwet is gehandeld.
8.4
Om te kunnen oordelen over de vraag of uitingen aan te merken zijn als ‘beledigend’ – het kernbestanddeel van artikel 137c Sr – is door de Hoge Raad een zogenoemd driestappenkader geformuleerd:
In stap 1 moet worden beoordeeld of een uiting op zichzelf beledigend is voor een groep mensen. Indien dit het geval is, moet in stap 2 worden beoordeeld of de uiting functioneel is voor een context, waardoor het strafbare karakter in beginsel aan de uiting wordt ontnomen. Wanneer er sprake is van zo een context, moet in stap 3 worden beoordeeld of de uiting desondanks onnodig grievend is. Is dit alles het geval, dan is voldaan aan het bestanddeel ‘beledigend’.
8.5
Toegepast op deze zaak overweegt het hof als volgt.
Voorop staat dat deelnemers aan een publiek debat het aan artikel 7 van Pro de Grondwet en artikel 10 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) ontleende recht van vrijheid van meningsuiting niet kan worden ontzegd om over zaken van algemeen belang hun mening te uiten, ook wanneer die mening door anderen als kwetsend, choquerend of verontrustend kan worden ervaren.
Naar het oordeel van het hof is de verklaring ‘Evangelie en extreemrechts gaan niet samen’ op te vatten als een in het openbaar geuite oproep tot
dialoogbinnen de kerk over een actuele maatschappelijke en politieke ontwikkeling, namelijk de groeiende steun voor extreemrechts gedachtegoed en de vraag hoe christelijk Nederland zich daartoe zou moeten verhouden. Het hof stelt vast dat de oproep is voorzien van een duidelijke mening, namelijk dat christen zijn niet samengaat met het ondersteunen van extreemrechtse denkbeelden, zoals die van FVD. De verklaring benoemt echter tegelijkertijd dat het essentieel is om stelling te nemen voor gerechtigheid, ook als dat leidt tot moeilijke gesprekken binnen de kerk, en in de verklaring wordt de wil uitgesproken om geloofsgemeenschappen te laten fungeren als oefenplaatsen voor de noodzakelijke gesprekken over racisme en discriminatie.
Het hof stelt vast dat de verklaring niet oproept tot haat, discriminatie, geweld of uitsluiting maar veeleer de dialoog beoogt met de binnen de christelijke gemeenschap bestaande groep van conservatieve christenen die op onder andere de FVD stemmen en waaronder ook klager zich schaart.
Gelet daarop is het hof van oordeel dat de verklaring binnen de grenzen van de Grondwet en van artikel 10 EVRM Pro valt, ook wanneer deze als kwetsend, choquerend of verontrustend is ervaren door of binnen voornoemde groep, zoals door klager wordt gesteld.
Dit betekent dat stap 1 van het driestappenkader van de Hoge Raad leidt tot de conclusie dat de verklaring op zichzelf
nietbeledigend is voor de groep waartoe klager behoort. Reeds daaruit volgt dat de verklaring niet is aan te merken als en dus niet te kwalificeren valt als groepsbelediging in de zin van artikel 137c Sr.
Aanzetten tot haat en discriminatie
8.6
Aanzetten tot haat is strafbaar gesteld in artikel 137d Sr. Het moet volgens dat artikel gaan om aanzetten tot haat tegen of discriminatie van mensen wegens hun ras, godsdienst of levensovertuiging, geslacht, hetero-of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap.
Kritiek op opvattingen die in de groep leven of op het gedrag van hen die tot de groep behoren is niet strafbaar. Ook kritiek op politiek beleid is niet strafbaar.
Het hiervoor overwogene brengt mee dat evenmin aan de voorwaarden voor bewezenverklaring van dit strafbare feit wordt voldaan. Overige concrete feiten of omstandigheden die zouden kunnen leiden tot een ander oordeel zijn niet gesteld noch gebleken.
Conclusie
Concluderend is het hof van oordeel dat de strafrechter die over deze zaak zou moeten oordelen – al dan niet na nader onderzoek – niet zou kunnen komen tot een veroordeling voor enig strafbaar feit. Dat betekent dat er geen gronden zijn om in deze zaak vervolging te gelasten. Het beklag is ongegrond.
Het hof zal daarom als volgt beslissen.

9.De beslissing

Het hof wijst het beklag af.
Deze beschikking, waartegen voor betrokkenen geen rechtsmiddel openstaat, is gegeven op
8 juli 2026 door mrs. A.E. Kleene-Krom, voorzitter, P.J. van Eekeren en A.W.T. Klappe, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. B. Berberoğlu, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.
.