ECLI:NL:GHAMS:2026:1937
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuurdersaansprakelijkheid bij faillissement en onrechtmatige daad bij doorstart modeketens
In deze civiele zaak staat de bestuurdersaansprakelijkheid centraal bij het faillissement van diverse modeketens en hun doorstart. Het hof onderzoekt of het bestuur onbehoorlijk heeft gehandeld, mede gelet op de scheiding van activa en passiva en het niet tijdig inzetten van middelen voor crediteurenbetaling.
Het hof bevestigt het wettelijk vermoeden van onbehoorlijk bestuur als oorzaak van het faillissement en stelt vast dat de COVID-19 lockdown niet de enige oorzaak was. Tevens wordt geconcludeerd dat alle indirecte bestuurders, waaronder een Zwitserse bestuurdersvennootschap, medeaansprakelijk zijn voor het boedeltekort, maar niet de natuurlijke persoon achter deze vennootschap. Deze laatste is wel aansprakelijk op grond van onrechtmatige daad vanwege een persoonlijk ernstig verwijt.
Het hof wijst een verzoek tot aanvulling van het arrest toe door de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, ondanks dat dit abusievelijk niet in het dictum was vermeld. De uitspraak bevestigt de aansprakelijkheid van bestuurders en de zorgplicht van moedermaatschappijen binnen concernstructuren.
Uitkomst: Het hof bevestigt bestuurdersaansprakelijkheid en verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.