ECLI:NL:GHAMS:2026:1946

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
23-002603-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis openlijke geweldpleging met aangepaste taakstraf en schadevergoeding

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de politierechter van 24 oktober 2025 bevestigd voor openlijke geweldpleging waarbij de verdachte met een tas het hoofd van een slachtoffer heeft geslagen, wat heeft geleid tot een hersenschudding.

Het hof vernietigde de opgelegde taakstraf en legde een nieuwe straf op: een taakstraf van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis, waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het hof hield rekening met het wederzijds karakter van het incident en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, maar vond de ernst van het feit zodanig dat een straf zonder oplegging niet passend was.

Daarnaast kende het hof immateriële schadevergoedingen toe aan de benadeelde partijen van respectievelijk €750 en €250, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 14 juli 2024. De gijzelingstermijnen bij niet-betaling zijn vastgesteld op maximaal zeven dagen voor de eerste benadeelde en twee dagen voor de tweede. Het hof bevestigde het vonnis voor het overige en verduidelijkte de hoofdelijkheid van de schadevergoedingsmaatregelen.

Uitkomst: Het hof bevestigt de veroordeling voor openlijke geweldpleging, vernietigt de taakstraf en legt een aangepaste taakstraf met gedeeltelijke voorwaardelijkheid op, inclusief schadevergoedingen aan de benadeelden.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002603-25
datum uitspraak: 16 juli 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 24 oktober 2025 in de strafzaak onder parketnummer 13-394410-24 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 juli 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw en de gemachtigde van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde taakstraf -in zoverre zal het vonnis worden vernietigd- en met dien verstande dat het hof:
- op basis van de door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen ervan uitgaat dat de verdachte met een tas heeft geslagen tegen het hoofd van [benadeelde partij 1] , en daarom uit de bewezenverklaring ‘althans zijn lichaam’ in het vijfde gedachtestreepje schrapt;
- de door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen zal uitwerken indien beroep in cassatie wordt ingesteld;
- de kwalificatie van het bewezen verklaarde aanpast, zodat deze komt te luiden:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft, en
- het hof de beslissingen van de politierechter op de vorderingen van de benadeelde partijen zo begrijpt dat deze vorderingen hoofdelijk zijn toegewezen en dat de schadevergoedingsmaatregel telkens hoofdelijk is opgelegd.
Het hof overweegt daarbij aanvullend dat de benadeelde partijen genoegzaam hebben onderbouwd dat zij als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde immateriële schade hebben geleden. Beide benadeelde partijen hebben immers als gevolg van het bewezen verklaarde lichamelijk letsel opgelopen als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Voorts stelt het hof het maximaal aantal dagen gijzeling bij de schadevergoedingsmaatregel ten aanzien van [benadeelde partij 1] op 7 (zeven) dagen en ten aanzien van [benadeelde partij 2] op 2 (twee) dagen.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De raadsvrouw heeft bij het bepalen van de strafmaat verzocht rekening te houden met het wederzijds karakter van het incident, het feit dat geen sprake was van opzet op letsel of van een bewuste daad van agressie, de verklaringen van de aangevers die wijzen op een misverstand en een chaotisch verloop, en het feit dat de politie aanvankelijk geen vervolging nodig achtte. Gelet op deze omstandigheden heeft de raadsvrouw verzocht de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Naar aanleiding van een ruzie over een parkeerplaats heeft zij de slachtoffers belaagd en geduwd en een van hen ook met een tas tegen zijn hoofd geslagen. Hier heeft het slachtoffer een hersenschudding aan overgehouden. De verdachte heeft met dit geweld bijgedragen aan in de maatschappij heersende gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving, temeer omdat dit geweld op klaarlichte dag en midden op straat plaatsvond.
Vanwege de ernst van het feit kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf. In de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerde persoonlijke omstandigheden, ziet het hof evenmin reden tot strafvermindering. Wel zal het hof een deel van de op te leggen straf in voorwaardelijke vorm opleggen.
Het hof acht, alles afwegende en gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, een taakstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis, waarvan 40 uren voorwaardelijk, te vervangen door 20 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde taakstraf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
60 (zestig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot
40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
20 (twintig) dagenhechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 7 (zeven) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of haar mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 14 juli 2024.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 250,00 (tweehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of haar mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 14 juli 2024.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.A.C. Koster, mr. C.A. Boom en mr. E.C.M. Bouman, in tegenwoordigheid van mr. I.A. de Bruijne, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 juli 2026.
De voorzitter en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]
.