ECLI:NL:GHAMS:2026:1949

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
23-001731-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38v SrArt. 55 SrArt. 6:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis belaging en smaadschrift met immateriële schadevergoeding

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 3 juli 2025 bevestigd in een zaak over belaging en het verspreiden van een smaadschrift. De verdachte werd veroordeeld tot een maatregel die hem verbiedt contact te zoeken met de benadeelde partij gedurende drie jaar, met een vervangende hechtenis bij overtreding.

Het hof voegde aanvullende bewijsoverwegingen toe, waarbij het NFI-onderzoek naar een poststuk met DNA- en vingerafdruksporen van de verdachte centraal stond. Dit poststuk was ongeopend en ongerept aan de politie overhandigd, wat de authenticiteit van het bewijs versterkte. De verdachte werd geacht dit poststuk aan de buren van de benadeelde partij te hebben gestuurd.

Daarnaast oordeelde het hof dat de benadeelde partij immateriële schade had geleden als rechtstreeks gevolg van de bewezen feiten. De psychische klachten, waaronder stress, angst, suïcidale gedachten en verlies van werk, werden erkend als een aantasting van de persoon ‘op andere wijze’ conform artikel 6:106 BW Pro. De schadevergoeding werd vastgesteld op €3.500, vermeerderd met wettelijke rente.

Het hof bepaalde ook dat de tijd die de verdachte reeds onder de vrijheidsbeperkende maatregel had doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de uitvoering van de opgelegde maatregel. De maximale duur van gijzeling bij niet-naleving van de schadevergoedingsmaatregel werd vastgesteld op 35 dagen.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 16 juli 2026, waarbij de oudste en jongste raadsheer niet konden ondertekenen.

Uitkomst: Het hof bevestigt het vonnis, legt een contactverbod op en wijst een immateriële schadevergoeding van €3.500 toe aan de benadeelde partij.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001731-25
datum uitspraak: 16 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 3 juli 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-343041-21 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1970,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 juli 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof:
- de bewijsoverweging in het vonnis waarvan beroep aanvult zoals in het navolgende weergegeven;
- zal bevelen dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) – welke beslissing het hof bevestigt – bij de uitvoering van de opgelegde maatregel in mindering zal worden gebracht;
- de overweging met betrekking tot de vordering benadeelde partij van [benadeelde partij] in het vonnis waarvan beroep aanvult zoals in het navolgende weergegeven;
- het maximaal aantal dagen gijzeling bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregel stelt op 35 (vijfendertig) dagen, en
- aan de toepasselijke wettelijke voorschriften op blad 8 van het vonnis artikel 55 Sr Pro toevoegt en artikel 57 Sr Pro schrapt.

Aanvullende bewijsoverweging

De in hoger beroep (opnieuw) gevoerde verweren worden weerlegd in het vonnis waarvan beroep. In aanvulling daarop overweegt het hof dat uit het dossier kan worden opgemaakt dat het door de deskundigen van het NFI op dactyloscopische – en DNA-sporen onderzochte poststuk, ongeopend bij de politie terecht is gekomen. Uit de door verbalisant [verbalisant] opgestelde “Aanvraag forensisch onderzoek overige SVO’s” van 10 april 2020 [1] blijkt immers dat de sluitstrip van de envelop met het goednummer eindigend op - [nummer 2] (‘enveloppe met brief en screenshots van whats-app gesprek’) dichtgeplakt zat en dat niemand de inhoud had aangeraakt. De verbalisant heeft de envelop vervolgens met handschoenen geopend en daarin een brief en bijgevoegde papieren aangetroffen. Uit het “proces-verbaal aanvraag benoeming deskundige” van 11 augustus 2020 blijkt dat dit de envelop met brief en screenshots van whats-app gesprekken is, die ter onderzoek is verstrekt aan de deskundigen van het NFI. In deze aanvraag staat immers hetzelfde goednummer, eindigend op - [nummer 2] . Als Sporen Identificatie Nummer (SIN-nummer) wordt hier vermeld [nummer] . Uit het rapport van het NFI van 8 oktober 2020 (“onderzoek naar de aanwezigheid van dactyloscopische sporen) en uit de twee NFI-rapporten van 30 oktober 2020 (“rapport Dactyloscopisch onderzoek” en “rapport DNA-onderzoek naar aanleiding van stalking in Hoofddorp op 1 februari 2019”) blijkt dat het uitgevoerde onderzoek is gedaan aan het betreffende poststuk. Hierin wordt immers verwezen naar het hiervoor genoemde unieke SIN-nummer [nummer] . Op dit poststuk zijn – zo volgt uit genoemde NFI rapporten – het DNA en een vingerafdruk van de verdachte aangetroffen. Anders dan de verdediging in hoger beroep heeft aangevoerd, staat dan ook vast dat het poststuk dat ongeopend aan de politie is overhandigd, door de deskundigen van het NFI is onderzocht en dat daarop de sporen van de verdachte zijn aangetroffen. Met de rechtbank is het hof daarom van oordeel dat de verdachte het betreffende poststuk aan de buren van aangeefster heeft gestuurd.

Aanvullende overweging vordering benadeelde partij [benadeelde partij]

Het hof verenigt zich met de beslissing op de vordering van de benadeelde partij in het vonnis waarvan beroep. In aanvulling daarop overweegt het hof als volgt.
De benadeelde partij heeft genoegzaam onderbouwd dat zij als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde immateriële schade heeft geleden. Er is sprake van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Hoewel naar objectieve maatstaven geen geestelijk letsel kan worden aangenomen, brengen naar het oordeel van het hof de aard en de ernst van de normschending en de nadelige gevolgen daarvan mee dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’.
Uit het schade-onderbouwingsformulier volgt namelijk dat de benadeelde als gevolg van het bewezen verklaarde te kampen heeft met psychische klachten. Zij heeft stress- en angstgevoelens ontwikkeld, mede omdat haar omgeving door toedoen van de verdachte op de hoogte is geraakt van haar webcamwerk. De benadeelde is haar levenslust en vertrouwen in de mensen verloren en ervaart suïcidale gedachten. Zij is daarnaast haar baan kwijtgeraakt vanwege een arbeidsconflict, dat is ontstaan nadat de verdachte haar werkgever over haar webcamwerk had verteld. Eerder in haar leven heeft de benadeelde PTSS opgelopen. Het bewezen verklaarde heeft haar eerdere psychische klachten verergerd. De benadeelde is hiervoor meermalen bij de huisarts geweest en krijgt hulp van de POH-GGZ voor haar klachten.
Het hof is dan ook van oordeel dat benadeelde als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde immateriële schade heeft geleden.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Maatregel ex artikel 38v Sr
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 3 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde partij] , geboren op [geboortedag 2] 1980.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 7 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Beveelt dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.
Beveelt daarnaast dat de vervangende hechtenis die eventueel al is tenuitvoergelegd, eveneens bij een eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in mindering wordt gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 35 (vijfendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 22 april 2020.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.A. Boom, mr. D.A.C. Koster en mr. E.C.M. Bouman, in tegenwoordigheid van mr. I.A. de Bruijne, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 juli 2026.
De oudste en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]

Voetnoten

1.’.