ECLI:NL:GHAMS:2026:1971

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
23-002583-24
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 36f SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor oplichting met depotbetaling kozijnen en toewijzing schadevergoeding

Het gerechtshof Amsterdam heeft op 23 april 2026 in hoger beroep uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van oplichting met betrekking tot de levering en plaatsing van kunststof kozijnen. Verdachte had de benadeelde partij een korting van 40% aangeboden en een depotfactuur overhandigd, waarbij het betaalde bedrag van €14.000 op een speciale rekening zou worden gestort en pas na oplevering beschikbaar zou komen.

De benadeelde partij betaalde het bedrag, maar de kozijnen werden nooit geleverd of geplaatst. Uit banktransacties bleek dat het geld binnen een half uur na ontvangst grotendeels was overgeboekt naar een privérekening van verdachte en voor andere doeleinden was gebruikt. Verdachte gaf wisselende verklaringen over het gebruik van het geld, die het hof ongeloofwaardig achtte.

Het hof oordeelde dat verdachte door listige kunstgrepen de benadeelde partij had bewogen tot betaling en zich schuldig had gemaakt aan oplichting. De rechtbank had verdachte vrijgesproken, maar het hof vernietigde dit vonnis en veroordeelde hem tot een taakstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis. Tevens werd de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding van €14.000 toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 15 augustus 2019.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 120 uur taakstraf, subsidiair 60 dagen hechtenis, en toewijzing van €14.000 schadevergoeding.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002583-24
datum uitspraak: 23 april 2026
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam, gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 23 oktober 2024 in de strafzaak onder parketnummer 08-307699-23 tegen
[verdachte 1],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de raadsman en de vertegenwoordiger van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
primair
hij, op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 6 augustus 2019 tot en met 19 februari 2020 te [plaats] , althans in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel
van verdichtsels, [slachtoffer] en/of [slachtoffer] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een of meerdere geldbedrag(en) (in totaal 14.000 euro) immers heeft hij, verdachte, valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk, althans in strijd met de waarheid
- kortgezegd en/of zakelijk weergegeven:
- zich voorgedaan als ondernemer en/of ZZP’er en/of eigenaar van bedrijf [naam 1] en/of
werknemer van bedrijf [naam 1] , terwijl voornoemd bedrijf niet (meer) ingeschreven stond
in de Kamer van Koophandel en/of
- een reclamefolder van het bedrijf [naam 1] door de brievenbus van de woning van die
[slachtoffer] gedaan en/of
- een of meerdere afspraken gemaakt en/of gesprek(ken) gehad met die [slachtoffer]
omtrent de betaling van de werkzaamheden en/of de plaatsing en/of de meting en/of de levering van
het materiaal en/of de kozijn(en) en/of
- die [slachtoffer] verteld dat er in het verleden problemen geweest waren met klanten die
hun betalingen niet na kwamen en/of dat zij ( [naam 1] ) nu een speciale (depot)rekening
hadden waarop het geld naar overgemaakt moest worden en/of dat niemand aan het geld zou kunnen
komen en/of dat pas als alle kozijnen geplaatst waren en alles uitgevoerd was volgens opdracht en
een opleveringsformulier door die [slachtoffer] was ondertekend [naam 1] aan
het geld zou kunnen komen en/of
- die [slachtoffer] een korting van 40% aangeboden en/of gezegd dat voor in totaal
14.000 euro hij de kozijnen van de boven- en benedenverdiepingen zou doen en/of een
telefoonnummer gegeven van een onafhankelijk financieel adviseur die hen kon helpen met de
financiële afhandelingen betreffende een lening en/of
- die [slachtoffer] een depot factuur (van ‘ [naam 1] ’) overhandigd en/of gegeven
met in ieder geval de inhoud: ‘Wij danken u voor uw vertrouwen. Het geldbedrag wat door u in
depot wordt gestort bedraagt €14.000,-. Dit geld kan door u nog ons niet worden gebruikt. Zodra er
naar tevredenheid bij u is gemonteerd tekent u de oplevering bon en is het bedrag voor [naam 1]
opeisbaar.” en/of
- een of meerdere geldbedrag(en) (in totaal 14.000 euro) ontvangen op een (depot) rekening (van
‘ [naam 1] ’) en/of
- voornoemd(e) geldbedrag(en) zonder toestemming van die [slachtoffer] van
voornoemde (depot) rekening gehaald en/of laten halen en/of gebruikt voor andere doeleinden dan
waarvoor dit/deze geldbedrag(en) bestemd was/waren en/of
- ( vervolgens) voornoemde afspraken omtrent de plaatsing en/of het monteren van de kozijnen een of
meerdere keren verzet en/of verplaatst en/of
- ( vervolgens) geen kozijnen geplaatst en/of geleverd en/of gemonteerd en/of laten plaatsen en/of
- ( vervolgens) die [slachtoffer] voornoemd geldbedrag niet terugbetaald bij niet en/of
onvolledige levering en/of plaatsing en/of montering van de kozijnen;
subsidiairhij, op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 7 augustus 2019 tot en met 19 februari 2020 te [plaats] , althans in Nederland opzettelijk een of meerdere geldbedrag(en) (in totaal 14.000 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan
verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als dienstverlener en/of ZZP’er en/of ondernemer en/of eigenaar van een bedrijf, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde, omdat geen sprake is van oplichting noch van verduistering, maar van een civiel geschil. Dat een en ander niet goed is gegaan is mede veroorzaakt doordat het bedrijf van de verdachte door de coronapandemie in de problemen kwam. Verder heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte meerdere rekeningen gebruikte en dat hij het bedrag ten behoeve van de inkoop van de kozijnen naar een andere rekening heeft overgeboekt om vervolgens de kozijnen in te kopen. Geen van de verweten gedragingen kan in de context van strafrechtelijk verwijtbaar handelen worden geplaatst.
Het hof stelt op grond van de gebruikte bewijsmiddelen, zoals die zullen worden opgenomen in de aanvulling op dit arrest in geval er cassatie wordt ingesteld, de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 6 augustus 2019 ontvingen de aangevers een reclamefolder van het bedrijf [naam 1] dat – volgens die folder – gespecialiseerd was in het leveren en plaatsen van kunststof kozijnen. In de folder werd reclame gemaakt voor (het monteren van) nieuwe kozijnen en werd 40% korting aangeboden.
Diezelfde avond belde een man bij de aangevers aan en vroeg of zij interesse hadden in kunststof kozijnen. Omdat de echtgenote van de aangever niet thuis was werd afgesproken dat de man de dag erna terug zou komen. De volgende dag kwam de verdachte bij de aangevers thuis. Tijdens het gesprek tussen de verdachte en de aangevers op 7 augustus 2019 heeft de verdachte hen geïnformeerd over de kunststof kozijnen en een proefstukje getoond. De verdachte vertelde dat 40% korting werd gegeven, dat de mogelijkheid bestond de plaatsing van de kozijnen te financieren, en dat gewerkt werd met een depotrekening waarop het geld gestort moest worden, omdat er in het verleden problemen waren geweest met betalingen door klanten en op deze manier niemand aan het geld zou kunnen komen zolang de opdracht niet uitgevoerd was. Pas na een door de aangevers ondertekend opleveringsformulier zou het geldbedrag beschikbaar komen voor de verdachte.
Op 7 augustus 2019 tekenden aangevers en de verdachte de koopovereenkomst. Kort daarna werd de overeenkomst, na consultatie van een door de verdachte aangedragen onafhankelijk financieel adviseur die een financiering kon regelen en wiens telefoonnummer hij aan de aangevers had gegeven, aangepast in die zin dat ook de kozijnen op de begane grond zouden worden vervangen. De totale koopsom bedroeg € 14.000,00.
De door de verdachte opgemaakte en aan de aangevers verstrekte depotfactuur vermeldt: ‘
Wij danken u voor uw vertrouwen. Het geldbedrag wat door u in depot wordt gestort bedraagt €14000-. Dit geld kan door u nog(opmerking hof: sic)
ons niet worden gebruikt. Zodra er naar tevredenheid bij u is gemonteerd tekent u de oplevering bon en is het bedrag voor [naam 1] opeisbaar.’
Uit het mutatieoverzicht van bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] (op naam van [naam 1] ) volgt dat op 15 augustus 2019 om 11:06 uur een bedrag van € 14.000,00 is overgemaakt op die rekening vanaf rekeningnummer [rekeningnummer 2] (op naam van aangevers) met als omschrijving: ‘Depot familie [slachtoffer] ’.
Vervolgens is diezelfde dag om 11:36 uur een bedrag van € 10.000,00 overgeboekt van [rekeningnummer 1] naar [rekeningnummer 3] ; een rekening op naam van [verdachte 1] (verdachte). Daarnaast zijn er, luttele minuten na de overboeking door de aangevers, bedragen naar derden overgeboekt met de omschrijving “verjaardag zoals belooft”, “haal maar verjaardag kado voor [naam 2] ” en “huur hal”. Direct voorafgaand aan de storting door de aangevers was het saldo op de rekening negatief (€ - 262,09).
Vanaf dat moment hebben de aangevers herhaaldelijk contact gezocht met de verdachte om te achterhalen wanneer de levering zou plaatsvinden. De verdachte heeft meerdere toezeggingen gedaan. Namens de verdachte is tot twee keer toe iemand langs geweest om de kozijnen in te meten. Concrete afspraken werden echter nimmer nagekomen of werden afgezegd. De kozijnen zijn nooit geleverd of geplaatst. De verdachte heeft de aangevers hebben ook nooit de door hen betaalde koopsom terugbetaald.
De verdachte heeft steeds wisselende verklaringen afgelegd over de gang van zaken en met name over de vraag of en, zo ja, waarvoor hij het van de aangevers ontvangen bedrag heeft aangewend. In het kader van een zogenoemde artikel 12 procedure Pro heeft hij ten overstaan van het hof te Arnhem verklaard dat het geld na de slechte berichtgeving in Tros opgelicht van de rekening is gehaald om een andere klant te betalen. Bij zijn verhoor bij de politie op 12 november 2023 verklaarde de verdachte dat van dit geld de inkoop is voldaan en btw is afgedragen en dat een deel door zijn ex is doorgesluisd naar Suriname. Een bewijs van inkoop is nimmer overgelegd.
Het hof overweegt, in reactie hierop en op het in hoger beroep door de raadsman gevoerde verweer met betrekking tot – kort gezegd – de gevolgen van corona, als volgt. De eerste tekenen van corona in Nederland openbaarden zich in januari van het jaar 2020 en de maatregelen tegen verspreiding werden pas in maart van het jaar 2020 genomen. Dit is ruim een half jaar na de betaling van het geldbedrag door de aangevers. Voorts is het hof van oordeel dat ook het overboeken van het geldbedrag naar een andere, aan de verdachte toebehorende, rekening voor de (gestelde) inkoop van de kozijnen strijdig is met hetgeen met aangevers was afgesproken, namelijk dat het geld pas zou worden aangewend na de afronding van het project. Hierbij ligt het overigens ook niet voor de hand dat de inkoop van kozijnen geschiedt vanaf een privérekening van de verdachte, terwijl het bedrag daarop is gestort vanaf een zakelijke rekening van het bedrijf [naam 1] . Bovendien is op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat er daadwerkelijk ten behoeve van de aangevers kozijnen zijn ingekocht. Hier komt verder bij dat de verdachte (dan wel ter terechtzitting: diens raadsman) steeds wisselende en elkaar tegensprekende verklaringen heeft gegeven voor het verdwijnen van het geld van de depotrekening, zodat het hof die verklaringen en voornoemde stelling van de raadsman gelet op dit alles als ongeloofwaardig dan wel onaannemelijk terzijde schuift.
Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat de verdachte de aangevers heeft bewogen tot de afgifte van een bedrag van € 14.000,00 door middel van listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels. De verdachte heeft een folder in de brievenbus van de aangevers achtergelaten, hen vervolgens persoonlijk bezocht en hen – kennelijk met het doel om het vertrouwen te winnen – verteld dat het bedrijf werkt met een zogenoemde depotrekening. Op de depotfactuur stond vermeld dat het geld pas door de verdachte kon worden aangewend als het werk naar tevredenheid zou zijn afgerond. Deze waarborg heeft de aangevers doen besluiten om (bewogen tot) het geld over te boeken. Uit het feit dat uit de transacties van de betreffende rekening blijkt dat een groot deel van het geld op de dag van ontvangst binnen een half uur na storting naar een privérekening van de verdachte is overgeboekt, de aangevers sindsdien aan het lijntje zijn gehouden en de kozijnen nooit zijn geïnstalleerd, leidt het hof – mede in aanmerking genomen hetgeen hiervoor verder is overwogen – af dat sprake is geweest van opzet aan de zijde van de verdachte.
Gelet op het bovenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de aangevers door oplichtingsmiddelen bewogen heeft tot de afgifte van het geldbedrag en hij zich dus schuldig heeft gemaakt aan oplichting.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij, op tijdstippen in de periode van 6 augustus 2019 tot en met 19 februari 2020 in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag (in totaal 14.000 euro) immers heeft hij, verdachte, listiglijk en/of bedrieglijk, kortgezegd en/of zakelijk weergegeven:
- een reclamefolder van het bedrijf [naam 1] door de brievenbus van de woning van die
[slachtoffer] gedaan en
- afspraken gemaakt en gesprekken gehad met die [slachtoffer] omtrent de betaling van
de werkzaamheden en de plaatsing en de meting en de levering van de kozijnen en
- die [slachtoffer] verteld dat er in het verleden problemen geweest waren met klanten die
hun betalingen niet na kwamen en dat zij ( [naam 1] ) nu een speciale (depot)rekening hadden
waar het geld naar overgemaakt moest worden en dat niemand aan het geld zou kunnen komen en dat pas als alle kozijnen geplaatst waren en alles uitgevoerd was volgens opdracht en een
opleveringsformulier door die [slachtoffer] was ondertekend [naam 1] aan het
geld zou kunnen komen en
- die [slachtoffer] een korting van 40% aangeboden en gezegd dat voor in totaal 14.000 euro
hij de kozijnen van de boven- en benedenverdiepingen zou doen en een telefoonnummer gegeven
van een onafhankelijk financieel adviseur die hen kon helpen met de financiële afhandelingen
betreffende een lening en
- die [slachtoffer] een depot factuur (van ‘ [naam 1] ’) overhandigd met in ieder
geval de inhoud: ‘Wij danken u voor uw vertrouwen. Het geldbedrag wat door u in depot wordt
gestort bedraagt €14.000,-. Dit geld kan door u nog ons niet worden gebruikt. Zodra er naar
tevredenheid bij u is gemonteerd tekent u de oplevering bon en is het bedrag voor [naam 1]
opeisbaar.’ en
- een geldbedrag (in totaal 14.000 euro) ontvangen op die (depot) rekening (van ‘ [naam 1] ’)
en
- voornoemd geldbedrag zonder toestemming van die [slachtoffer] van voornoemde
(depot) rekening gehaald en gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor dit geldbedrag bestemd
was en
- vervolgens voornoemde afspraken omtrent de plaatsing en/of het monteren van de kozijnen een of
meerdere keren verzet en
- vervolgens geen kozijnen geplaatst en geleverd en gemonteerd en laten plaatsen en
- vervolgens die [slachtoffer] voornoemd geldbedrag niet terugbetaald.
Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het primair bewezenverklaarde levert op:
oplichting.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het primair bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte ten aanzien van het in eerste aanleg tenlastegelegde vrijgesproken.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis. Daarbij heeft zij er rekening mee gehouden dat het strafbare feit al meer dan zes jaar geleden is gepleegd.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat als de verdachte wordt veroordeeld, aan hem een taakstraf kan worden opgelegd, maar voor een duur van minder dan 120 uren wat betreft het onvoorwaardelijk deel, bijvoorbeeld 120 uur, waarvan 60 uur voorwaardelijk met een proeftijd van maximaal 1 jaar. Hiertoe voert hij aan dat het een oude zaak betreft en de verdachte zijn leven inmiddels weer op de rit heeft.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft de slachtoffers voor veel geld opgelicht door hen voor te houden dat zijn bedrijf voor een gereduceerd tarief kozijnen kon leveren en plaatsen, en het door hen te betalen geldbedrag pas door hem kon worden aangewend na afronding van de klus. Na het sluiten van de overeenkomst en de betaling van het geldbedrag door de slachtoffers heeft de verdachte hen enkele maanden aan het lijntje gehouden, door telkens een termijn van levering te noemen waar hij vervolgens niet aan voldeed. Terwijl de slachtoffers in de veronderstelling verkeerden dat het geldbedrag veilig op een depotrekening stond, was dit in werkelijkheid door de verdachte binnen een half uur na betaling al (goeddeels) van de rekening afgehaald en in eigen zak gestoken.
Met zijn handelen lijkt de verdachte enkel oog te hebben gehad voor zijn eigen financiële gewin. De zeer grote impact van zijn gedrag op de financiële situatie en de psychische gesteldheid van de slachtoffers, waarover zij ook ter terechtzitting via hun vertegenwoordiger op indringende wijze hebben verteld, lijkt weinig indruk op hem te hebben gemaakt. Dit rekent het hof hem aan.
Bij de oplegging van de straf houdt het hof in strafmatigende zin rekening met het behoorlijke tijdverloop in deze zaak. Dat verloop is (mede) veroorzaakt doordat de zaak in eerste instantie door de politie is ‘opgelegd’ waarna het hof in een zogenoemde artikel 12 Sv Pro procedure bij beslissing van 10 februari 2023 de vervolging van de verdachte heeft bevolen. Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis, passend en geboden. Voor een voorwaardelijk deel ziet het hof geen aanleiding, gelet op het tijdverloop en omdat het strafblad van de verdachte, ondanks het veelvuldig van toepassing zijn van artikel 63 Sr Pro vanwege met name verkeersdelicten, geen indicatie geeft dat de verdachte de afgelopen jaren in herhaling is gevallen van het plegen van soortgelijke delicten.

Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 14.000,00 aan materiële schade. Gelet op de in eerste aanleg gegeven vrijspraak is de benadeelde partij door de politierechter niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het bedrag van € 14.000,00 aan materiële schade wordt toegewezen.
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij wederom niet-ontvankelijk is in geval van vrijspraak, en subsidiair, bij veroordeling, dat de vordering kan worden toegewezen.
De vordering tot vergoeding van materiële schade is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden; de benadeelde partij heeft € 14.000,00 betaald voor kozijnen die nooit zijn geleverd. Omdat die vordering het hof ook verder niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt is de verdachte tot vergoeding van die schade gehouden, zodat het hof de vordering in zijn geheel zal toewijzen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 63 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
60 (zestig) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] voor het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 14.000,00 (veertienduizend euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , voor het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 14.000,00 (veertienduizend euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 95 (vijfennegentig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 15 augustus 2019.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.F. van Halderen, mr. T. de Bont en mr. D.A.C. Koster, in tegenwoordigheid van mr. S.K. van Eck, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 april 2026.
mr. Van Halderen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
proces-verbaal uitspraak
_______________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002583-24
Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 23 april 2026.
Tegenwoordig zijn:
mr. C.J. van der Wilt, raadsheer,
B.F.A. van Drie, griffier.
Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. J. Weening, advocaat-generaal.
De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte 1] uitroepen.
De verdachte is
wel / nietin de zaal van de terechtzitting aanwezig.
Raadsman is
wel / nietaanwezig.
(zo ja:) naam raadsman/raadsvrouw en plaats:
De raadsheer spreekt het arrest uit.
De raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld.
(indien de VTE is verschenen)
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.