ECLI:NL:GHAMS:2026:2001

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
23-002372-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 231 SrArt. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 57 SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep identiteitsfraude en bezit cocaïne en heroïne met gevangenisstraf

Op 5 november 2024 maakte de verdachte in Haarlem opzettelijk en wederrechtelijk gebruik van een identiteitsbewijs dat niet op zijn naam stond en had hij een hoeveelheid cocaïne en heroïne bij zich. De politierechter veroordeelde hem tot tien weken gevangenisstraf. De verdachte ging in hoger beroep tegen dit vonnis.

Tijdens de terechtzitting op 2 juli 2026 heeft het hof het bewijs beoordeeld, waaronder verklaringen, proces-verbalen en forensische rapporten. Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, maar sprak hem vrij van overige tenlasteleggingen.

Het hof overwoog dat identiteitsfraude het vertrouwen schaadt en de rechtsstaat belemmert, terwijl het bezit van verdovende middelen ernstige gezondheids- en maatschappelijke gevolgen heeft. Gezien de eerdere veroordeling van de verdachte en zijn huidige detentie in het buitenland, achtte het hof een gevangenisstraf van vijf weken passend. Tevens werd het in beslag genomen mes aan de verdachte teruggegeven.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot vijf weken gevangenisstraf voor identiteitsfraude en bezit van cocaïne en heroïne met teruggave van een in beslag genomen mes.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002372-25
datum uitspraak: 16 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 21 augustus 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-000410-25 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
thans gedetineerd in [gevangenis].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 juli 2026.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 5 november 2024 te Haarlem opzettelijk en wederrechtelijk gebruik heeft gemaakt van een niet op zijn naam gesteld reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van Pro het Wetboek van Strafrecht, te weten een Nederlandse identiteitskaart (op naam gesteld van [naam 1], geboren op [geboortedatum] te Zaanstad, voorzien van documentnummer [nummer 1]), door voornoemd document ter identificatie te tonen aan hoofdagent [naam 2] en/of hoofdagent [naam 3] van de politie Eenheid Noord-Holland;
2.
hij op of omstreeks 5 november 2024 te Haarlem opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op 5 november 2024 te Haarlem opzettelijk en wederrechtelijk gebruik heeft gemaakt van een niet op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van Pro het Wetboek van Strafrecht, te weten een Nederlandse identiteitskaart op naam gesteld van [naam 1], geboren op [geboortedatum] te Zaanstad, voorzien van documentnummer [nummer 1], door voornoemd document ter identificatie te tonen aan hoofdagent [naam 2] van de politie Eenheid Noord-Holland;
2.
hij op 5 november 2024 te Haarlem opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid cocaïne en heroïne.
Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Omdat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaat het hof met de navolgende opsomming van de bewijsmiddelen.
Ten aanzien van feiten 1 en 2
1.
Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 5 november 2024, inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte [doorgenummerde pagina’s 23 tot en met 31].
2.
Een proces-verbaal van bevindingen van 5 november 2024, inclusief fotobijlagen [doorgenummerde pagina’s 5 tot en met 13].
Ten aanzien van feit 2
3.
Een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van [doorgenummerde pagina’s 33 tot en met 37].
4.
Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (aanvraag 003) van 12 november 2024 [doorgenummerde pagina 38].
5.
Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (aanvraag 002) van 12 november 2024 [doorgenummerde pagina 39].
6.
Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (aanvraag 001) van 12 november 2024 [doorgenummerde pagina 40].

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk en wederrechtelijk gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien weken.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf weken.
De raadsman heeft verzocht een voorwaardelijke straf op te leggen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan identiteitsfraude door opzettelijk gebruik te maken van een identiteitsbewijs van iemand anders. Daarnaast had hij een hoeveelheid cocaïne en heroïne bij zich. Identiteitsfraude veroorzaakt overlast en ergernis alsook verlies van vertrouwen bij degene van wiens identiteit misbruik is gemaakt. Daarnaast wordt het goed functioneren van de rechtsstaat belemmerd, doordat ambtenaren ten overstaan van wie die valse gegevens zijn gebruikt, worden gefrustreerd in de uitvoering van de werkzaamheden.
Het is algemeen bekend dat verdovende middelen zoals cocaïne en heroïne schade toebrengen aan de gezondheid van gebruikers daarvan. De handel in verdovende middelen gaat bovendien gepaard met diverse andere vormen van (niet zelden gewelddadige) criminaliteit en levert overlast en gevoelens van onveiligheid in de samenleving op.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 18 juni 2026 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel weegt.
Uit dit uittreksel volgt daarnaast dat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Gelet daarop, in combinatie met de omstandigheid dat de verdachte momenteel een langdurige gevangenisstraf in het buitenland (België) uitzit, vindt het hof de door de politierechter opgelegde gevangenisstraf voor de duur van tien weken niet meer passend. De bij dit arrest op te leggen gevangenisstraf kan wegens de huidige detentie pas over meerdere jaren ten uitvoer worden gelegd. Anderzijds is het hof van oordeel dat oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf (zoals door de raadsman bepleit), geen recht doet aan de ernst van de feiten waarbij het beperkte effect daarvan meeweegt ten gevolge van de omstandigheid dat de verdachte gedurende de (gehele) daaraan hangende proeftijd in (buitenlandse) detentie zal verblijven.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Beslag

Onder de verdachte is een mes in beslag genomen. Dit voorwerp behoort de verdachte toe en dient aan hem te worden teruggegeven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 57, 63 en 231 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
5 (vijf) weken.
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1 STK Mes (Omschrijving: [nummer 2]).
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.E. Dijkers, mr. M.J.A. Plaisier en mr. H. Sytema, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Pattinama, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 juli 2026.
Mr. H. Sytema is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.