ECLI:NL:GHAMS:2026:2012

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
23-002305-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 33 SrArt. 33a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplichtigheid aan medeplegen witwassen met taakstraf opgelegd

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor medeplegen van witwassen en deelneming aan een criminele organisatie. In hoger beroep vernietigde het hof het vonnis en veroordeelde haar tot 15 maanden gevangenisstraf, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, voor medeplegen witwassen. De Hoge Raad vernietigde het arrest deels en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling van medeplichtigheid aan witwassen van een geldbedrag van €200.000 en de strafoplegging.

Na hernieuwd onderzoek bevestigde het hof de bewezenverklaring van medeplegen witwassen en medeplichtigheid aan witwassen, met name het boeken en betalen van een retourticket voor een geldtransport. Gelet op de ernst van de feiten, de overschrijding van de redelijke termijn en persoonlijke omstandigheden van de verdachte, legde het hof een taakstraf van 240 uur op in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Daarnaast werd beslag gelegd op diverse goederen, waaronder een Fiat Panda die verbeurd werd verklaard. Het hof wees verzoeken tot teruggaaf van een deel van de opbrengst af. De verdachte kreeg aftrek van voorarrest bij de uitvoering van de taakstraf. Hiermee is recht gedaan aan de belangen van verdachte en de ernst van het witwassen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur wegens medeplichtigheid aan medeplegen witwassen na terugwijzing door de Hoge Raad.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002305-25
datum uitspraak: 23 juli 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen - na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 7 oktober 2025 - op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 16 mei 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-860044-17 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,
adres: [adres].

Procesgang

De rechtbank heeft de verdachte – na wijziging van de tenlastelegging – voor het onder 1 tenlastegelegde medeplegen van witwassen van geldbedragen als vermeld bij het tweede, vierde en vijfde gedachtestreepje, en de medeplichtigheid aan het medeplegen van witwassen van één of meer geldbedrag(en) als vermeld bij het eerste gedachtestreepje en voor de onder 2 tenlastegelegde deelneming aan een criminele organisatie, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf voor de duur van 240 uren, met aftrek van voorarrest.
De verdachte en het openbaar ministerie hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep bij arrest van 10 februari 2023 het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan en de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest, voor het onder 1 tenlastegelegde medeplegen van witwassen van geldbedragen als vermeld bij het eerste, tweede en vijfde gedachtestreepje. Bij dat arrest is de verdachte vrijgesproken van de onder 2 tenlastegelegde deelneming aan een criminele organisatie.
De verdachte heeft tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld.
De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 7 oktober 2025 het bestreden arrest van het gerechtshof vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 bij het eerste gedachtestreepje tenlastegelegde – dat is het medeplegen van witwassen van “grote geldbedragen (geldtransporten [naam] naar [land])” – en de strafoplegging, en de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teruggewezen teneinde de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en, na terugwijzing, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 juli 2026, met dien verstande dat het hof in zijn oordeel over de strafoplegging heeft betrokken de door het hof in het arrest van 10 februari 2023 bewezenverklaarde feiten, zoals hierna is vermeld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de verdachte en haar raadsman naar voren hebben gebracht.

Oordeel hof

Aan het oordeel van het hof is nu alleen nog een beperkt deel van een aanvankelijk omvangrijke zaak onderworpen. Het hof licht hier per onderdeel toe of dat nog ter beoordeling voorligt en zo ja, of het vonnis van de rechtbank op dat onderdeel in stand kan blijven of niet.
Het onder 2 tenlastegelegde
In rechte is komen vast te staan dat de verdachte is vrijgesproken van de onder 2 tenlastegelegde deelneming aan een criminele organisatie. Dit feit ligt dan ook niet meer aan het hof voor.
Het onder 1 tenlastegelegde
In rechte is eveneens komen vast te staan dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 tenlastegelegde medeplegen van witwassen van geldbedragen als vermeld bij het tweede en vijfde gedachtestreepje. Ook deze feiten liggen niet meer aan het hof voor. Wel dient het hof deze misdrijven bij de (eventuele) strafoplegging te betrekken.
Aan het hof ligt nog geheel ter beoordeling voor de vraag of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 tenlastegelegde witwassen van één of meer geldbedragen als vermeld bij het eerste gedachtestreepje, in de vorm van het (mede)plegen dan wel de medeplichtigheid daaraan.
Het hof sluit zich aan bij de bewijsbeslissing en -overwegingen van de rechtbank ten aanzien van het onder 1 bij het eerste gedachtestreepje tenlastegelegde witwassen, inhoudende dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de
medeplichtigheid aanhet medeplegen van het witwassen van een geldbedrag van € 200.000,00, door een vliegticket naar [land] (retour) voor haar vader te boeken en te betalen. Het hof neemt over de overweging in het vonnis op pagina 3 (
Geldtransport 200.000 euro –(…, t/m)
zodat zij in zoverre zal worden vrijgesproken).
Omdat het hof de bewezenverklaring van de rechtbank ten aanzien van het onder 1, eerste gedachtestreepje, overneemt en ook ten aanzien van dit feit met betrekking tot de kwalificatie en strafbaarheid van het feit en de strafbaarheid van de verdachte tot dezelfde beslissingen komt als de rechtbank, leent het vonnis zich voor bevestiging. Weliswaar is bij het arrest van het hof van 10 februari 2023 het vonnis vernietigd, maar het hof begrijpt de terugwijzingsbeslissing van de Hoge Raad zo dat ook die beslissing van het hof is vernietigd. Met de terugwijzingsopdracht om in zoverre opnieuw de zaak te berechten en af te doen is de zaak in zoverre teruggekeerd naar de stand waarin deze zich bevond voordat de zaak met de eerste ronde in hoger beroep aanving.
Het hof zal het vonnis van de rechtbank – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – dan ook bevestigen, met uitzondering van de strafoplegging. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd, en met dien verstande dat de bewijsmiddelen in het geval dat beroep in cassatie tegen dit arrest wordt ingesteld, zullen worden opgenomen in een aanvulling op dit arrest. In zoverre worden de gronden aangevuld.
Integraal overzicht van de bewezenverklaring en de kwalificatie
Voor de leesbaarheid van dit arrest vermeldt het hof hierna de volledige bewezenverklaring – daaronder ook begrepen de feiten waarover het hof bij arrest van 10 februari 2023 onherroepelijk heeft geoordeeld – en van de kwalificatie ervan.
Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij in de periode van 1 januari 2014 tot 17 februari 2017 in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, voorwerpen, te weten
- geldbedragen aan contante stortingen van in totaal 26.920 euro
(dit is het tweede gedachtestreepje in de tenlastelegging)en
- een geldbedrag van 4.500 euro, dat voor een Fiat Panda met kenteken [kenteken] in contanten is bijbetaald
(dit is het vijfde gedachtestreepje in de tenlastelegging),
heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van (één van) voornoemd(e) voorwerp(en)) gebruik heeft gemaakt en/of de herkomst heeft verhuld en/of verhuld wie de rechthebbende(n) was/waren en/of wie dit/deze voorwerp(en) voorhanden had(den), terwijl zij, verdachte en/of haar mededaders, wist(en), dat deze voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - geheel dan wel gedeeltelijk afkomstig waren uit enig misdrijf,
en
[naam] omstreeks 13 februari 2017, te Schiphol (gemeente Haarlemmermeer)
tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
een voorwerp, te weten
- een geldbedrag ter hoogte van 200.000 euro
(dit is het eerste gedachtestreepje in de tenlastelegging)
heeft voorhanden gehad, en/of de herkomst en/of de vindplaats heeft verborgen,
terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), dat dit voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf,
bij het plegen van welk misdrijf verdachte omstreeks 13 februari 2017, te Uitgeest opzettelijk behulpzaam is geweest en hiertoe opzettelijk middelen heeft verschaft, door
- één retourticket te boeken en te betalen voor één vliegreis naar [stad] voor voornoemde [naam].
Het bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd
en
medeplichtigheid aan het medeplegen van witwassen.

Oplegging van straffen

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf voor de duur van 240 uren, met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het eerder (en rechtens al vaststaande) bewezenverklaarde en met – nu ook – de medeplichtigheid aan het medeplegen van witwassen zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest.
De verdediging heeft het hof verzocht de verdachte geen langere vrijheidsbenemende straf op te leggen dan zij in voorarrest heeft doorgebracht en hierbij gewezen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn. Door de verdediging is mede aan de hand van toegestuurde stukken toegelicht dat het door de reclassering in 2023 geuite vermoeden van een persoonlijkheidsproblematiek met vermijdende en afhankelijke trekken een vervolg heeft gekregen in een behandeltraject. Dat biedt enig inzicht in de context van verdachtes leven in haar relatie van destijds, die is uitgemond in deze strafzaak. De verdachte wil een situatie als destijds nooit meer meemaken en lijdt onder de druk van deze strafzaak, die al ruim 9 jaar loopt. Daarnaast heeft zij chronische fysieke klachten, die verergeren onder stress en waarvoor zij een intensief en multidisciplinair behandeltraject volgt. Verder heeft de verdachte de primaire zorg over voor haar zoontje, die vanwege een taalontwikkelingsachterstand extra zorg en begeleiding nodig heeft.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich samen met anderen, te weten haar vader en haar ex-partner, meermalen schuldig gemaakt aan het witwassen van uit misdrijf afkomstige gelden. Hiermee waren omvangrijke bedragen gemoeid. Daarnaast is ze, zoals hiervoor is overwogen, medeplichtig geweest aan het medeplegen van witwassen van een geldbedrag van 200.000 euro, door een retourticket naar [land] voor haar vader te boeken en te betalen, terwijl zij wist dat hij crimineel geld zou vervoeren. De verdachte heeft door zo te handelen de onderliggende criminaliteit waarvan de bedragen afkomstig waren indirect bevorderd. Door het wegsluizen van crimineel geld wordt de opsporing van onderliggende misdrijven bemoeilijkt. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan.
Gelet op de ernst van de feiten en de straffen die in dergelijke witwaszaken worden opgelegd acht het hof in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden aangewezen.
De redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, is – per procesfase – in eerste aanleg, in de eerste ronde in hoger beroep en in de cassatieprocedure overschreden. De redelijke termijn is in eerste aanleg met drie maanden overschreden. Daaropvolgend is in hoger beroep destijds de redelijke termijn met 21 maanden overschreden. Vervolgens is in de cassatiefase de redelijke termijn met acht maanden overschreden. Het hof verdisconteert deze overschrijding in de te kiezen strafsoort in die zin dat aan de verdachte in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden een onvoorwaardelijke taakstraf zal worden opgelegd. Met deze uitkomst is het hof van oordeel dat voldoende recht is gedaan aan de mate van inbreuk op verdachtes recht op berechting binnen een redelijke termijn. De door de verdediging naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden staan bovendien niet in de weg aan oplegging van de taakstraf.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van voor de duur van 240 uren passend en geboden.
Beslag
Onder de verdachte zijn de volgende goederen in beslag genomen:
€ 5.000,00;
€ 5,00;
€ 1.600,00 en
een Fiat Panda.
Gelet op de terugwijzingsbeslissing van de Hoge Raad liggen alle beslagbeslissingen (opnieuw) voor aan het hof.
De advocaat-generaal heeft op de zitting aangegeven dat het beslag op de bankrekening van de verdachte (met daarop € 5.000,00) in december 2025 is opgeheven, zodat het hof hierover geen beslissing meer hoeft te nemen. De € 5,00 kan worden teruggegeven aan de verdachte. Nu de verdachte heeft verklaard dat de € 1.600,00 niet van haar is, moet dit worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende. De Fiat Panda is inmiddels vervreemd voor een bedrag van € 8.311,00. Daarvan zou € 4.500,00 verbeurd moeten worden verklaard. Het resterende bedrag kan terug naar de verdachte, aldus nog steeds de advocaat-generaal.
De raadsman heeft zich voor wat betreft het beslag aangesloten bij de vordering van de advocaat-generaal, met dien verstande dat hij het, met betrekking tot de Fiat Panda, aan het hof laat of aan de verdachte € 5.000,00 wordt geretourneerd (wat de verdachte aan legaal verdiend spaargeld heeft ingelegd voor de aanschaf van de Fiat Panda), dan wel het door de advocaat-generaal genoemde lagere bedrag.
Het hof overweegt als volgt.
Nu het beslag op de bankrekening van de verdachte met daarop het bedrag van € 5.000,00 is opgeheven, zal het hof hierover geen beslissing meer nemen. Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat het bedrag van € 5,00 kan worden teruggegeven aan de verdachte en dat het bedrag van € 1.600,00 moet worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.
Met betrekking tot de Fiat Panda is het hof van oordeel dat het onder 1 bewezenverklaarde – het vijfde gedachtestreepje in de tenlastelegging – is begaan met betrekking tot deze aan de verdachte toebehorende auto. Het hof zal de Fiat Panda verbeurd verklaren. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte, zoals gebleken tijdens het onderzoek ter terechtzitting. Het hof ziet geen grond voor een vergoeding of geldelijke tegemoetkoming aan de verdachte als bedoeld in artikel 33c, eerste lid en/of tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het hof wijst het verzoek om te gelasten dat een deel van de opbrengst van de vervreemding van de Fiat Panda aan de verdachte wordt geretourneerd daarom af.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 33, 33a, 47, 48, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover in hoger beroep aan de orde na terugwijzing door de Hoge Raad, ten aanzien van de strafoplegging.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurdhet in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1. STK Personenauto [kenteken] Fiat Panda KL:wit.
Gelast de teruggave aan de verdachtevan het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
3. Geld 5.00 Euro.
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbendevan het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
2. Geld 1.600 Euro.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, voor zover in hoger beroep aan de orde na terugwijzing door de Hoge Raad, voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.A.A. Postma, mr. M.L.M. van der Voet en mr. R. van der Heijden, in tegenwoordigheid van mr. R.M. ter Horst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 juli 2026.
Mr. Van der Voet is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
proces-verbaal uitspraak
_______________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002305-25
Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 23 juli 2026.
Tegenwoordig zijn:
mr. B.A.A. Postma, raadsheer,
O. Arrihani, griffier.
Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. B.C.C. van Roessel, advocaat-generaal.
De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.
De verdachte is
nietin de zaal van de terechtzitting aanwezig.
Raadsman is
nietaanwezig.
De raadsheer spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.