ECLI:NL:GHAMS:2026:2020

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
23-000791-23
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 41 lid 2 SrArt. 9a SrArt. 14a SrArt. 14b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling mishandeling door duwen invalidekarretje op de Dam

Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep het vonnis van de politierechter vernietigd en de verdachte veroordeeld voor mishandeling. Op 10 september 2022 duwde de verdachte de aangever, die in een invalidekarretje reed, tweemaal waardoor deze ten val kwam en pijn en letsel opliep. Het hof baseerde zich op verklaringen van de aangever, getuigen en beeldmateriaal, en verwierp het verweer van de verdachte dat sprake was van noodweer of noodweerexces.

De verdachte stelde dat de verklaringen van de aangever en getuige niet betrouwbaar waren en dat hij direct na het incident excuses had aangeboden, maar het hof vond de verklaringen consistent en overtuigend. Het hof oordeelde dat de gedraging van de verdachte niet in verhouding stond tot de vermeende aanval op zijn stellage en dat geen strafuitsluitingsgrond aanwezig was.

De verdachte werd veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van €350 met een proeftijd van twee jaar. Het hof stelde vast dat de redelijke termijn was overschreden, maar volstond met een constatering hiervan. De vordering van de benadeelde partij tot immateriële schadevergoeding werd toegewezen tot €250 met wettelijke rente en een schadevergoedingsmaatregel.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van €350 en toewijzing van immateriële schadevergoeding van €250 aan de benadeelde partij.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000791-23
datum uitspraak: 21 juli 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 1 maart 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-337345-22 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1946,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 juli 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 10 september 2022 te Amsterdam [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] (met kracht) tegen het lichaam en/of zijn invalidenwagen te duwen, waardoor die [slachtoffer] is omgevallen en/of ten val is gekomen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof op grond van een andere bewijsoverweging tot een bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat de verklaringen van de aangever en getuige [naam 2] moeten worden uitgesloten van het bewijs. Deze verklaringen kunnen niet worden gebruikt nu deze niet gedetailleerdheid zijn, onvolledig en ongeloofwaardig zijn en inconsistenties bevatten. Ook zijn deze verklaringen tegenstrijdig met objectieve factoren en de verklaring van de (min of meer) onafhankelijke getuige [naam 1]. Voorts heeft de raadsman bepleit dat verbalisant [naam 3] niet neutraal tegenover de verdachte stond en ten onrechte een negatief beeld van hem heeft geschetst in het dossier. Daarnaast is niet vast komen te staan dat de verdachte de aangever opzettelijk ten val heeft gebracht, ook niet in voorwaardelijke zin. De verdachte heeft onmiddellijk na het incident zijn excuses aangeboden, hetgeen een contra-indicatie is voor het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans op het toebrengen van pijn of letsel.
Oordeel van het hof
Op de Dam in Amsterdam bevinden zich direct naast elkaar een geleidestrook voor slechtzienden en een geleidestrook voor invaliden. De verdachte staat zeer regelmatig op de Dam om aandacht te vragen voor de situatie in Gaza en is daar inmiddels een vaste verschijning. Om zijn, door hem zo genoemde, “missie” kracht bij te zetten, zet hij daar dan een met posters behangen karretje neer, alsmede een kleine, naar eigen zeggen eenvoudig op te bouwen stellage in de vorm van een ouderwets, laag driehoekig tentje, aangekleed met Palestijnse vlaggen en foto’s/pamfletten. Voorts legt hij op de grond verspreide, door hem zelf gemaakte, geplastificeerde pamfletten neer. Het hof stelt op basis van beelden en stills in het dossier vast dat de stellage op 10 september 2022 op de geleidestrook voor invaliden stond en dat de verdachte zijn pamfletten had uitgespreid over de daar direct naastgelegen geleidestrook voor slechtzienden. De aangever reed die dag in zijn invalidekarretje over de geleidestrook voor invaliden in de richting van de stellage van verdachte. Op enig moment is de aangever – geconfronteerd met deze door de verdachte gecreëerde situatie – deels over de op de grond neergelegde pamfletten heen gereden. De verdachte heeft verklaard dat de aangever vervolgens tegen zijn stellage is aangereden, waarop hij hem één duw heeft gegeven. De aangever en getuige [naam 2] hebben verklaard dat de aangever over de pamfletten heen is gereden, waarop de verdachte boos werd en de aangever tot twee keer toe geduwd heeft, waarbij de tweede duw zo hard was dat de aangever met zijn invalidekarretje omviel en daardoor pijn ondervond.
Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de verklaringen van de aangever en getuige [naam 2] in de kern met elkaar overeenkomen – ook nadat zij bijna vier jaar na dato nog eens door de raadsheer-commissaris zijn gehoord – en bovendien op onderdelen juist steun vinden in de verklaring van getuige [naam 1]. Het hof acht de verklaringen consistent en van tegenstrijdigheden tussen de verklaringen die maken dat aan de betrouwbaarheid moet worden getwijfeld, is niet gebleken. Dat de verklaringen van de getuigen op detailniveau niet overeenkomen maakt niet dat deze onbetrouwbaar zijn en kan juist worden gezien als een aanwijzing dat deze niet minutieus op elkaar zijn afgestemd. Voor uitsluiting van het bewijs van de door hen afgelegde verklaringen, zoals de verdediging heeft verzocht, is dan ook geen aanleiding.
Voor zover de raadsman heeft bedoeld aan te voeren dat het gegeven dat verbalisant [naam 3] niet neutraal tegenover de verdachte stond tot vrijspraak zou moeten leiden overweegt het hof dat in het dossier geen aanwijzingen zijn gevonden die wijzen op vooringenomenheid van verbalisant [naam 3]. Anders dan de verdediging, leest het hof in de door de verdediging genoemde passages die door verbalisant [naam 3] in processen-verbaal zijn neergelegd, geen “zeer negatief beeld” van de verdachte.
Op basis van de verklaringen van aangever en getuige [naam 2], stelt het hof vast dat de verdachte de aangever tweemaal een duw heeft gegeven en dat door de tweede, krachtige, duw de aangever met zijn invalidekarretje om is gevallen. Het hof is van oordeel dat de verdachte door deze gedraging niet alleen de aanmerkelijke kans op pijn en/of letsel bij de aangever in het leven heeft geroepen, maar dat de verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm deze kans ook bewust heeft aanvaard. De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte direct na de val zijn hand naar de aangever zou hebben gereikt en excuses zou hebben gemaakt, zodat van opzet geen sprake kan zijn. Nog daargelaten dat uit het dossier niet kan worden opgemaakt dat de verdachte zijn hand naar de aangever heeft uitgestoken en/of direct excuses heeft gemaakt, merkt het hof op dat het bieden van hulp of het aanbieden van excuses opzet op de mishandeling niet wegneemt. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de aangever heeft mishandeld door hem te duwen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 10 september 2022 te Amsterdam [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] met kracht tegen het lichaam te duwen, waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Bespreking van het beroep op noodweer(exces)
De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu hem een beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep op noodweer(exces). Primair omdat de feitelijke toedracht die aan het beroep op noodweer ten grondslag wordt gelegd niet aannemelijk is geworden. Subsidiair omdat de verdediging niet noodzakelijk is geweest en de reactie van de verdachte om de aangever uit een invalidekarretje te duwen in geen enkele verhouding staat tot het rijden over de geplastificeerde pamfletten door de aangever.
Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Op basis van de inhoud van het dossier kan het hof niet met zekerheid vaststellen dat de aangever de stellage van de verdachte niet heeft geraakt met zijn invalidenkar en daardoor mogelijk heeft ontzet. Op camerabeelden is weliswaar te zien dat de verdachte zijn stellage na het incident aan het rechtzetten is, maar de oorzaak van het kennelijke omvallen daarvan, is niet op de in het dossier beschikbare beelden te zien. De stelling van de verdachte dat de aangever dit opzettelijk zou hebben gedaan, acht het hof in ieder geval niet aannemelijk, gelet op de verklaringen van de aangever en getuige [naam 2] hierover, terwijl de verdachte tijdens de zitting bij het hof desgevraagd heeft aangegeven dat destijds op geen enkele wijze door de aangever of zijn partner signalen zijn geuit, waaruit kan worden opgemaakt dat zij het niet eens waren met zijn missie. Maar ook als het hof uitgaat van de lezing van de verdachte dat hij het als een aanval op zijn eigendom kon beschouwen, is het hof van oordeel dat de in dat geval gekozen gedraging van de verdachte als verdedigingsmiddel – te weten het tot twee keer toe duwen van een persoon in een invalidekarretje waardoor hij met kar en al ten val is gekomen – in geen verhouding staat tot de ernst van de aanranding, namelijk de ontzetting van een eenvoudig op te bouwen, zelf gemaakte stellage. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.
Het hof verwerpt ook het beroep op noodweerexces, omdat uit het dossier en wat de verdachte hier zelf over heeft verklaard niet aannemelijk is geworden dat bij hem sprake is geweest van een zodanige hevige gemoedsbeweging, als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht dat hij niet anders kon handelen dan dat hij heeft gedaan.
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van 350 euro te vervangen door 7 dagen hechtenis met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
De raadsman heeft primair verzocht geen straf of maatregel op te leggen en subsidiair verzocht om geen onvoorwaardelijke straf op te leggen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling door de aangever in een invalidekarretje tweemaal te duwen waardoor hij ten val is gekomen. De aangever heeft hierdoor pijn en letsel bekomen. Gelet op de aard en de ernst van het feit is het hof daarom van oordeel dat niet kan worden volstaan met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, zoals door de raadsman verzocht.
Het hof houdt rekening met het strafblad van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder strafrechtelijk is veroordeeld, zij het langer geleden. Daarnaast heeft het hof acht geslagen op straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd en de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).
Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.

Redelijke termijn

Het hof stelt vast dat er in hoger beroep sprake is geweest van een overschrijding als bedoeld in artikel 6
van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De verdachte heeft op 10 maart 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 21 juli 2026 arrest en de redelijke termijn is daarom
met 1 jaar en ruim 4 maanden overschreden. Nu het hof aan de verdachte een geheel voorwaardelijke geldboete oplegt, zal het hof volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 500,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 250,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van € 250,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, dan wel de vordering af te wijzen omdat de vordering niet voldoende is onderbouwd.
Oordeel van het hof
Uit het procesdossier is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De benadeelde partij heeft aangegeven dat hij rugpijn heeft gehad als gevolg van de mishandeling. Voorts volgt uit een medisch verslag van [naam 4] dat de aangever op 12 september 2022 een huisarts heeft bezocht met de klacht dat hij doordat hij van zijn scootmobiel was afgeduwd, moeite met hoesten had en veel pijn had aan de ribben en knie. De huisarts heeft toen een kleine schaafwond bij de aangever geconstateerd en de aangever doorverwezen voor een röntgenfoto. Het hof stelt de totale omvang van de vergoedbare immateriële schade van de benadeelde partij naar billijkheid vast op € 250,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
De vordering zal voor het overige worden afgewezen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen datum.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
3 (drie) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 250,00 (tweehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 10 september 2022.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.A. Boom, mr. R.A.E. van Noort en mr. N.R.A. Meerbeek, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Steur, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 juli 2026.
Mr. N.R.A. Meerbeek is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
proces-verbaal uitspraak
_______________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000791-23
Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 21 juli 2026.
Tegenwoordig zijn:
mr. M.F.J.M. de Werd, raadsheer,
I. Mutlutürk, griffier.
Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. D. Kruimel, advocaat-generaal.
De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.
De verdachte is
wel / nietin de zaal van de terechtzitting aanwezig.
Raadsman/raadsvrouw is
wel / nietaanwezig.
(zo ja:) naam raadsman/raadsvrouw en plaats:
Tolk is
wel / nietaanwezig. (zo ja:) naam tolk en taal:
De raadsheer spreekt het arrest uit.
De raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld.
(indien de VTE is verschenen)
De verdachte heeft
wel / geenafstand gedaan van het recht aanwezig te zijn bij de uitspraak.
(indien VTEin deze zaakis gedetineerd)
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.