ECLI:NL:GHAMS:2026:2022

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
23-002722-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis medeplegen opzettelijk teweegbrengen ontploffing met strafvermindering

Het gerechtshof Amsterdam heeft het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 11 november 2025 bevestigd met uitzondering van de strafoplegging. De verdachte werd tweemaal schuldig bevonden aan het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing, eenmaal samen met een ander, door het tot ontploffing brengen van een zwaar knalvuurwerk (Cobra) nabij een woning.

Het hof vulde de bewijsoverweging aan en oordeelde dat sprake was van medeplegen, omdat de verdachte het initiatief nam, het plan mede beraamde en de medeverdachte aanstuurde waar het explosief moest worden geplaatst. De ontploffingen veroorzaakten angst en onveiligheid bij omwonenden en vormden een ernstige maatschappelijke verstoring.

Bij de strafoplegging hield het hof rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder een lopende proeftijd van een eerdere straf en zijn positieve gedragsontwikkeling. Daarom werd de gevangenisstraf verlaagd tot 24 maanden waarvan 9 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een taakstraf van 120 uur opgelegd. Tevens werd het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven en de voorarresttijd in mindering gebracht.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf waarvan 9 maanden voorwaardelijk en 120 uur taakstraf met bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002722-25
datum uitspraak: 21 juli 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 11 november 2025 in de strafzaak onder de parketnummers 15-102374-25 en 15-263822-21 (TUL) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,
adres: [adres],
thans gedetineerd in [gevangenis].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 juli 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met uitzondering van de strafoplegging en met dien verstande dat het hof:
- de bewijsoverweging van de rechtbank ten aanzien van feit 2 als volgt aanvult.

Bewijsoverweging

Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.
De medeverdachte heeft over feit 2, de explosie van 22 december 2024, verklaard dat hij degene is geweest die het explosief heeft neergelegd. Met betrekking tot de rol van verdachte heeft hij verklaard: “we hebben het met z’n tweeën besproken” en “het idee kwam wel van die kant af. Om het nog een keer te doen”, “hij had het wel gezien”, en “ik zei gewoon (het hof begrijpt: tegen de verdachte) van: zal ik dat ding eens afsteken, dan gaan we zien wat voor knal dat geeft en dan komen er mooie kleurtjes aan.” Dat de medeverdachte de uitvoeringshandeling heeft verricht hoeft niet aan het bewijs van medeplegen in de weg te staan. Dat kan worden gecompenseerd door andere factoren, zoals de rol van de verdachte in het kader van het beramen en voorbereiden van het feit. Uit de hiervoor deels weergegeven verklaring van de medeverdachte blijkt dat het initiatief tot het plegen van het feit bij de verdachte lag en dat er sprake was van een gezamenlijk plan. De verdachte heeft bovendien een belangrijke rol gespeeld door de medeverdachte aan te wijzen op welk adres het explosief moest worden neergelegd; dat was immers de woning van de persoon met wie de verdachte een conflict had en waar hij eerder zelf een explosief had neergelegd (feit 1).
Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat de rol van de verdachte van voldoende gewicht is geweest om van medeplegen te kunnen spreken en acht feit 2 daarmee bewezen.

Oplegging van straffen

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de strafmaat.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich in een korte tijd tweemaal schuldig gemaakt aan het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing, waarvan één keer samen met een ander, door op korte afstand van de portiekdeur van een woning een stuk zwaar knalvuurwerk (Cobra) tot ontploffing te (doen) brengen, als reactie op een conflict over een geldlening met een bewoner van de betreffende woning. Naar algemene ervaringsregels brengt het afsteken van zwaar knalvuurwerk, zoals een Cobra, gemeen gevaar voor goederen met zich mee. Door zo te handelen hebben de verdachte en de mededader gevoelens van angst, onrust en onveiligheid bij bewoners en direct omwonenden van de woning veroorzaakt. Het teweegbrengen van ontploffingen met zwaar knalvuurwerk, kennelijk om personen te intimideren, neemt schrikbarend toe en zorgt voor grote maatschappelijke onrust. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 23 juni 2026. Hieruit volgt dat de verdachte ten tijde van de onderhavige strafbare feiten in een proeftijd liep van een eerder opgelegde straf.
Het hof houdt verder rekening met het bepaalde in artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Bij de omvang van de op te leggen straffen houdt het hof rekening met de persoonlijke omstandigheden zoals ter terechtzitting is gebleken. De verdachte heeft op de zitting de indruk gemaakt dat hij zijn leven weer op de rit probeert te krijgen. Het hof wil de verdachte de kans geven om zijn leven verder in goede banen te leiden en het nog langer in detentie blijven, zal daar niet aan bijdragen. Teneinde de verdachte een steuntje in de rug te geven zal het hof volstaan met een wat lagere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan door de rechtbank is opgelegd. Desalniettemin brengt de ernst van de feiten mee dat, naast een gevangenisstraf – waarvan het onvoorwaardelijk deel niet meer beloopt dan de periode die door de verdachte reeds in voorarrest is doorgebracht – ook een forse taakstraf moet worden opgelegd. Op die manier wordt naar het oordeel van het hof een evenwichtige balans gevonden tussen de noodzakelijk geachte vergelding en normbevestiging enerzijds en de speciale preventie anderzijds. Gedurende de proeftijd hangt de verdachte een forse gevangenisstraf boven het hoofd, gepaard met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Dat doet recht aan de ernst van de feiten, en kan eraan bijdragen de verdachte ervan te weerhouden af te dwalen van de nu ingezette positieve ontwikkeling.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf en taakstraf van na te melden duur passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 63 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 22 november 2022 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden toegewezen.
De raadsman heeft verzocht de vordering af te wijzen.
Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.
Het hof zal – gelet op hetgeen hiervoor is overwogen – in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf een taakstraf van hierna te melden duur gelasten.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
24 (vierentwintig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
9 (negen) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd:
- dat de verdachte zich op afspraak meldt bij Reclassering Nederland op het adres Drechterwaard 102, 1824 DX te Alkmaar. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
- dat hij zich laat behandelen door GGZ Noord-Holland of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start vanaf het moment dat de verdachte wordt uitgenodigd voor de intakeprocedure. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;
Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
60 (zestig) dagen hechtenis.
Gelast in plaats van het bevelen van de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 22 november 2022 met parketnummer 15-263822-21, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, een
taakstrafvoor de duur van
60 (zestig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door
30 (dertig) dagen hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte. Deze beslissing wordt afzonderlijk geminuteerd.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.A.E. van Noort, mr. N.R.A. Meerbeek en mr. C.A. Boom, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Steur, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 juli 2026.
Mr. N.R.A. Meerbeek is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
proces-verbaal uitspraak
_______________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002722-25
Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 21 juli 2026.
Tegenwoordig zijn:
mr. M.F.J.M. de Werd, raadsheer,
I. Mutlutürk, griffier.
Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. D. Kruimel, advocaat-generaal.
De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.
De verdachte is
wel / nietin de zaal van de terechtzitting aanwezig.
Raadsman/raadsvrouw is
wel / nietaanwezig.
(zo ja:) naam raadsman/raadsvrouw en plaats:
Tolk is
wel / nietaanwezig. (zo ja:) naam tolk en taal:
De raadsheer spreekt het arrest uit.
De raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld.
(indien de VTE is verschenen)
De verdachte heeft
wel / geenafstand gedaan van het recht aanwezig te zijn bij de uitspraak.
(indien VTEin deze zaakis gedetineerd)
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.