Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:204

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
23-00060-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 378a SvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontnemingsmaatregel wegens medeplegen hennepteelt met verdeling wederrechtelijk voordeel

De betrokkene is veroordeeld voor het medeplegen van het telen van 211 hennepplanten in zijn woning samen met twee anderen. Het openbaar ministerie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, aanvankelijk geschat op €66.883,86, later verlaagd tot €44.589,44. Het hof heeft in hoger beroep het vonnis van de politierechter vernietigd en een nieuwe beslissing genomen.

Het hof baseert zich op een ontnemingsrapportage waarin de opbrengst van twee kweekruimtes wordt berekend, met een gemiddelde opbrengst van 28,2 gram hennep per plant en een prijs van €4,07 per gram. Na aftrek van kosten wordt het voordeel per oogst berekend en vermenigvuldigd met twee oogsten. Het totaal wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op €44.587,82, dat pondspondsgewijs over drie daders wordt verdeeld, resulterend in een bedrag van €14.862,61 voor de betrokkene.

De verdediging stelde dat de betrokkene slechts een voordeel van €3.500 had genoten, maar het hof acht dit onaannemelijk. De redelijke termijn is in eerste aanleg overschreden, maar dit is reeds in de strafzaak meegenomen. Het hof legt de betrokkene de verplichting op tot betaling van €14.862,61 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel en bepaalt de maximale duur van gijzeling op 148 dagen.

Uitkomst: Betrokkene is veroordeeld tot betaling van €14.862,61 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wegens medeplegen van hennepteelt.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000060-25
datum uitspraak: 27 januari 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 17 januari 2023 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-263770-20 tegen de betrokkene
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,
adres: zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 66.883,86 hetgeen de officier van justitie ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verlaagd tot een bedrag van € 44.589,44.
De betrokkene is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 17 januari 2023 – kort gezegd – veroordeeld ter zake van het medeplegen van het telen van hennep.
Voorts heeft de politierechter in de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 17 januari 2023 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 44.589,44 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 13 januari 2026 veroordeeld ter zake van – kort gezegd – het medeplegen van het telen van hennep.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 januari 2026.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering en omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Grondslag van de vordering

De betrokkene is bij arrest van 13 januari 2026 veroordeeld voor het op 24 juni 2020 telen van 211 hennepplanten in zijn woning, welk feit hij tezamen met twee anderen heeft gepleegd. Op grond van artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) kan op vordering van het openbaar ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan de verplichting worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde feit of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.
Het rapport met onderwerp ‘berekening wederrechtelijk verkregen voordeel’ (de ontnemingsrapportage) van 1 oktober 2021 [1] biedt, in combinatie met de inhoud van het strafdossier, voldoende aanwijzingen op grond waarvan het hof concludeert dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit eerdere oogsten van de hennepkwekerij.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 25.000,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De raadsvrouw heeft gesteld dat de betrokkene niet heeft meegedeeld in de opbrengst van de hennepkwekerij. De betrokkene zou slechts een voordeel van € 3.500,00 voor één oogst hebben genoten.
Het hof neemt de ontnemingsrapportage als uitgangspunt. Daarin wordt uitgegaan van twee kweekruimtes, te verdelen over kweekruimte A en kweekruimte B.
Opbrengsten
In kweekruimte A zijn 100 hennepplanten aangetroffen. De gemiddelde opbrengst hennep per plant is vastgesteld op 28,2 gram. Dat betekent dat de hennepopbrengst van 100 planten 2.820 gram per oogst bedraagt.
In kweekruimte B zijn 111 hennepplanten aangetroffen. Met een gemiddelde opbrengst hennep per plant van 28,2 gram bedraagt de hennepopbrengst in kweekruimte B per oogst 3.130 gram.
De opbrengst per gram is gemiddeld € 4,07.
Ruimte A 2.820 gram hennep * € 4,07 per gram = € 11.477,40 per oogst
Ruimte B 3.130 gram hennep * € 4,07 per gram = € 12.739,10 per oogst
Kosten
Blijkens het ontnemingsrapport bedragen de afschrijvingskosten per oogst € 150,00 voor ruimte A en € 150,00 voor ruimte B. De variabele kosten vormen een totaalbedrag van € 7,69 per plant en bestaan uit:
  • Aankoopkosten stekken € 3,81 per stek
  • Kosten kweekmedium € 1,63 per plant
  • Kosten waterverbruik € 0,03 per plant per kweek
  • Kosten voedingsstoffen € 2,22 per plant per kweek
Ruimte A 100 planten * € 7,69 per plant = € 769,00 per oogst
Ruimte B 111 planten * € 7,69 per plant = € 853,59 per oogst
De totale kosten (afschrijvingskosten plus variabele kosten) bedragen voor ruimte A € 919,00 en voor ruimte B € 1.003,59.
Wederrechtelijk verkregen voordeel
Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt als volgt berekend.
Ruimte A € 11.477,40 minus € 919,00 = € 10.558,40 voordeel per oogst
Ruimte B € 12.739,10 minus € 1.003,59 = € 11.735,51 voordeel per oogst
Het hof gaat er – in tegenstelling tot de ontnemingsrapportage, en in lijn met de verklaring van de betrokkene – van uit dat er twee eerdere oogsten zijn geweest. [2] Anders dan door de betrokkene is gesteld, acht het hof het niet aannemelijk dat de tweede oogst is mislukt.
Ruimte A € 10.558,40 * 2 oogsten = € 21.116,80
Ruimte B € 11.735,51 * 2 oogsten = € 23.471,02
Totaal € 44.587,82
De betrokkene is veroordeeld voor het medeplegen van hennepteelt met twee anderen. Het wederrechtelijk verkregen voordeel van € 44.587,82 dient daarom over drie daders te worden verdeeld. De enkele stelling van de verdediging dat slechts € 3.500,- van een schuld van de betrokkene zou zijn ingelost, acht het hof onaannemelijk. Het hof zal het voordeel pondspondsgewijs verdelen, nu geen aanknopingspunten bestaan voor een andere verdeling. De betrokkene heeft gelet daarop een voordeel genoten van
€ 14.862,61.

Verplichting tot betaling aan de Staat

De advocaat-generaal heeft gevorderd aan de betrokkene een betalingsverplichting ter hoogte van € 25.000,00 op te leggen.
De raadsvrouw heeft verzocht een betalingsverplichting van € 3.500,00 op te leggen.
Artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens waarborgt onder meer het recht van de betrokkene dat binnen een redelijke termijn op de ontnemingsvordering wordt beslist. Als uitgangspunt in deze zaak heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn, en met een eindarrest binnen twee jaar na het instellen van het hoger beroep. Het hof constateert dat de redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden. Nu reeds rekening is gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn in de samenhangende strafzaak, zal het hof de overschrijding in de ontnemingszaak enkel constateren.
Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 14.862,61.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van €
14.862,61 (veertienduizend achthonderdtweeënzestig euro en eenenzestig cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 14.862,61 (veertienduizend achthonderdtweeënzestig euro en eenenzestig cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 148 dagen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.E. Dijkers, mr. M.J.A. Plaisier en mr. T.J. Kelder, in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 januari 2026.
Mr. T.J. Kelder en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Een Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel contra de verdachte [verdachte] van 1 oktober 2021 [ongenummerd].
2.Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 24 juni 2020, proces-verbaalnummer PL1300-2020131079-6, p. 6 (digitaal dossier, p. 066).