Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:206

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
23-000107-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 23 SrArt. 24 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling voor illegaal taxivervoer zonder vergunning

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het verrichten van taxivervoer zonder de vereiste vergunning op Schiphol op 19 juli 2023. Hij voerde hoger beroep aan tegen deze veroordeling, stellende dat het vervoer een vriendendienst betrof en geen betaling boven een onkostenvergoeding had plaatsgevonden.

Het hof oordeelde dat het niet relevant is of de verdachte het vervoer initieerde of dat dit op verzoek van passagiers was. Belangrijk is dat de verdachte geen vergunning had en een betaling ontving die een onkostenvergoeding te boven ging, waardoor geen sprake was van een vriendendienst. Dit werd bewezen door een ANPR-melding, verklaring van een passagier en het ontbreken van een vergunning.

Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en verklaarde de verdachte schuldig aan overtreding van artikel 76, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000. De opgelegde straf werd aangepast: een geldboete van € 1.200, waarvan een deel voorwaardelijk, en een vervangende hechtenis bij niet-betaling. Het hof hield rekening met de ernst van het feit, het toezicht op taxivervoer, de benadeling van vergunninghouders en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De verdachte werd vrijgesproken van overige tenlastegelegde feiten die niet bewezen konden worden. Het hof zag geen aanleiding voor toepassing van rechterlijk pardon. De strafbeschikking van januari 2024 werd vernietigd en het arrest werd gewezen door de meervoudige economische strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 27 januari 2026.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld voor illegaal taxivervoer zonder vergunning met deels voorwaardelijke geldboete en vervangende hechtenis.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000107-25
datum uitspraak: 27 januari 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige economische strafkamer van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 17 januari 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-329801-23 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1956,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 19 juli 2023 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer op de weg, Vertrekpassage 1, taxivervoer heeft (laten) verricht(en) met een Hyundai Tucson, gekentekend [kenteken], zonder te beschikken over een daartoe door de Minister van Infrastructuur en Milieu verleende vergunning.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een (enigszins) andere bewezenverklaring komt.

Bewijsoverwegingen

De raadsman heeft gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat hij het taxivervoer niet heeft geïnitieerd en dit als vriendendienst heeft verricht.
Het hof overweegt als volgt.
Op 19 juli 2023 kwam een ANPR-melding binnen van de snorderslijst (illegale taxi) voor het Nederlandse kenteken [kenteken], behorende bij een Hyundai Tucson, welk voertuig vaker op Schiphol komt. Het voertuig kwam op de vertrekpassage op Schiphol tot stilstand en twee personen stapten de auto uit. Eén daarvan verklaarde ten overstaan van de Koninklijke Marechaussee, op de vraag of zij hadden moeten betalen voor de rit, dat dat het geval was en dat zij de bestuurder van het voertuig € 40,00 contant hadden betaald voor de rit vanuit Holendrecht naar Schiphol. De bestuurder van het voertuig bleek de verdachte te zijn. Na raadpleging bij de KIWA bleek verdachte niet in het bezit van een taxivergunning.
Het hof acht niet relevant of de verdachte als initiator heeft voorgesteld de passagiers naar Schiphol te brengen of dat dit op verzoek van (een van) de passagier(s) heeft plaatsgevonden. Van belang is dat de verdachte op het moment van het taxivervoer niet over een daartoe vereiste vergunning beschikte en voor het vervoer een betaling heeft ontvangen die een onkostenvergoeding (ver) te boven gaat. Dat maakt dat niet kan worden gesproken van een vriendendienst. Dit leidt ertoe dat voldoende is komen vast te staan dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 19 juli 2023 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, op de weg, taxivervoer heeft verricht met een Hyundai Tucson, gekentekend [kenteken], zonder te beschikken over een daartoe door de Minister van Infrastructuur en Milieu verleende vergunning.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 76, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De economische politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 1.200,00 subsidiair 21 dagen hechtenis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd, met dien verstande dat de vervangende hechtenis wordt vastgesteld op elf dagen.
De raadsman heeft primair verzocht een voorwaardelijke straf op te leggen en de betaling van een geldboete in termijnen te laten plaatsvinden. Subsidiair is verzocht toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr) (rechterlijk pardon).
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verrichten van taxivervoer zonder de daartoe vereiste vergunning te hebben. Het vergunningsstelsel voor het taxivervoer is onder meer in het leven geroepen om toezicht van de overheid op het veilig vervoer van personen en een correcte opgave van inkomsten mogelijk te maken. Door taxivervoer te verrichten zonder een daartoe afgegeven vergunning heeft de verdachte zich onttrokken aan dit toezicht. Bovendien heeft hij hierdoor de concurrentiepositie van de vervoerders die wel onder een vergunning hun diensten aanbieden, verslechterd en hen financieel benadeeld.
Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden. Het hof zal de geldboete deels voorwaardelijk opleggen, gelet op de medische toestand en de geringe draagkracht van de verdachte. Voor de toepassing van artikel 9a Sr ziet het hof geen aanleiding.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24a en 24c van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en de artikelen 76 en 103 van de Wet personenvervoer 2000.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 29 januari 2024 onder CJIB nummer [nummer].
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 1.200,00 (duizend tweehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
12 (twaalf) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot
€ 600,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
6 (zes) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bepaalt dat het totaal van de aan de verdachte onvoorwaardelijk opgelegde
geldboetemag worden voldaan in
6 (zes) termijnenvan
1 maand, elke termijn groot
€ 100,00 (honderd euro).
Dit arrest is gewezen door de meervoudige economische strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. mr. M.J.A. Plaisier, B.E. Dijkers en mr. T.J. Kelder, in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 januari 2026.
Mr. T.J. Kelder en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.