ECLI:NL:GHAMS:2026:2082

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
23-002270-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 51f SvArt. 238 RvArt. 6:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis medeplegen poging doodslag en afwijzing materiële schadevergoeding

Het gerechtshof Amsterdam heeft op 13 mei 2026 het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 2 oktober 2025, waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen poging doodslag, openlijke geweldpleging tegen goederen en diefstal.

De verdediging voerde alleen verweer tegen het opzet op doodslag, maar het hof bevestigde het vonnis en verwierp het verweer. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd deels toegewezen: de materiële schade aan Apple Airpods en reis- en parkeerkosten werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en jurisprudentie, terwijl de immateriële schade wegens lichamelijk letsel en PTSS werd toegewezen.

De immateriële schadevergoeding van €3.000 werd als billijk beoordeeld op basis van de Rotterdamse Schaal, met erkenning van de psychische en fysieke gevolgen van het strafbare feit. De verdachte werd hoofdelijk aansprakelijk gesteld en veroordeeld tot betaling van deze vergoeding met wettelijke rente vanaf 8 juli 2024.

Het hof legde tevens een schadevergoedingsmaatregel op en bepaalde een maximale gijzelingstermijn van 30 dagen bij niet-betaling, zonder dat dit de betalingsverplichting opheft. De beslissing op de vordering van de benadeelde partij werd daarmee gewijzigd ten opzichte van het vonnis van de rechtbank.

Uitkomst: Het hof bevestigt het vonnis en wijst de immateriële schadevergoeding van €3.000 toe, terwijl materiële schade en proceskosten worden afgewezen.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002270-25
datum uitspraak: 13 mei 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 2 oktober 2025 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-233045-24 (hierna: zaak A) en 09-282799-24 (hierna: zaak B) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2009,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 30 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis van de rechtbank zal worden bevestigd.
De verdediging heeft in zaak A vrijspraak bepleit van het onder 1 primair tenlastegelegde omdat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Ten aanzien van de overige feiten heeft de verdediging geen verweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen ten aanzien van het in zaak A onder 1 primair tenlastegelegde zal uitwerken in een aanvulling op dit arrest indien beroep in cassatie wordt ingesteld.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.344,54, bestaande uit een bedrag van € 344,54 aan materiële schade en een bedrag van € 3.000,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij dezelfde beslissing moet worden genomen als de rechtbank.
De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Het hof overweegt als volgt.
Materiële schade
De gestelde materiële schade bestaat uit:
Apple Airpods € 258,00;
reis- en parkeerkosten € 86,54.
Uit het dossier (in het bijzonder de aangifte en de aanvullende verklaring van de aangever) volgt niet dat de Apple Airpods als gevolg van het bewezenverklaarde verloren of (onherstelbaar) beschadigd zijn geraakt. Daarbij komt dat de benadeelde deze gevorderde schade niet heeft onderbouwd. De benadeelde partij noch zijn advocaat is aanwezig geweest ter terechtzitting in eerste aanleg of in hoger beroep om de vordering nader toe te lichten. Naar het oordeel van het hof is dan ook onvoldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde deze gestelde schade als rechtstreekse gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte heeft geleden. De benadeelde zal daarom ten aanzien van dit deel, te weten een bedrag van € 258,00, niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
Verder blijkt uit de vordering van de benadeelde partij dat reis- en parkeerkosten zijn gemaakt ten behoeve van gesprekken met de advocaat van de benadeelde partij en de officier van justitie en in verband met een pro forma zitting op 10 oktober 2024. Het hof overweegt ter zake van deze kosten als volgt. Reis- en aanverwante kosten die worden gemaakt in het kader van de vorderingsprocedure of het bijwonen van de zitting kunnen volgens vaste jurisprudentie niet worden aangemerkt als rechtstreekse schade als bedoeld in artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Anders dan is gevorderd, kunnen de reis- en parkeerkosten daarom niet als onderdeel van de schade in de zin van artikel 51f Sv worden toegewezen.
Voor zover is bedoeld het bedrag van deze reis- en parkeerkosten als vergoeding van proceskosten te vorderen, overweegt het hof het volgende. Uit artikel 238 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering volgt dat (alleen) een in persoon procederende partij reis- en aanverwante kosten als proceskosten vergoed kan krijgen. In dit geval heeft de benadeelde partij zich laten bijstaan door een gemachtigde. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan in dit geval een uitzondering zou moeten worden gemaakt, zijn gesteld, noch gebleken. De gevorderde reis- en parkeerkosten, te weten een bedrag van € 86,54, worden daarom afgewezen.
Immateriële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, nu de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen én hij ten gevolge van het strafbare feit op andere wijze in zijn persoon is aangetast op grond van artikel 6:106 sub b van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Immers, de verdachte heeft de benadeelde partij meermalen tegen het lichaam en het hoofd geslagen en getrapt, waardoor hij lichamelijk letsel heeft opgelopen, bestaande uit onder meer een opgezwollen linkerslaap en meerdere bloeduitstortingen en schaafwonden op zijn lichaam. Daarnaast heeft de benadeelde partij door het bewezenverklaarde forse traumaklachten opgelopen zoals herbelevingen, nachtmerries, verhoogde alertheid en fysieke onrust en spanning. Hij is blijkens het verslag van zijn psycholoog gediagnosticeerd met een posttraumatische stressstoornis (PTSS), met een indicatie voor een EMDR behandeling. De benadeelde partij heeft inmiddels drie EMDR-sessies afgerond en de behandeling heeft een positief effect gehad op de afname van de traumaklachten.
Het hof neemt bij het vaststellen van de omvang van de immateriële schade de Rotterdamse Schaal (RS) tot uitgangspunt. Het hof ziet in de gegeven situatie aanleiding aan te sluiten bij de daarin genoemde categorie “Posttraumatische stressstoornis (PTSS)”, waarbij sprake is van een volledige herstelperiode binnen ongeveer één tot twee jaren en waarbij alleen geringe klachten langere tijd aanhouden (RS paragraaf 14.2 sub d). Nu de vordering ook overigens niet door en namens de verdachte is betwist, acht het hof de gevorderde immateriële schadevergoeding van in totaal € 3.000,00 in de gegeven situatie billijk.
De verdachte is hoofdelijk tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.
Het hof zal – ook hoofdelijk – de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het in zaak A onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 3.000,00 (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst het door de benadeelde partij als reis- en parkeerkosten gevorderde bedrag van € 86,54 af.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het in zaak A onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,00 (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 30 (dertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 8 juli 2024.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.R.A. Meerbeek, mr. C.J. van der Wilt en mr. V.J.M. Goldschmeding, in tegenwoordigheid van mr. C.E. Dongelmans, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 mei 2026.
mr. C.E. Dongelmans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.