ECLI:NL:GHAMS:2026:2096

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
200.363.036/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:461 lid 1 sub e BWArt. 1:461 lid 2 BWArt. 1:451 lid 1 BWArt. 1:451 lid 2 BWArt. 1:452 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag Stichting Mentorschap en benoeming AmstelVisie als opvolgend mentor

De betrokkenen verzochten het ontslag van Stichting Mentorschap als mentor en de benoeming van een opvolgend mentor, primair mevrouw [naam 1] en subsidiair AmstelVisie. De kantonrechter wees dit verzoek af, waarna de betrokkenen in hoger beroep gingen.

Het hof oordeelde dat er sinds de bestreden beschikking een ernstige en duurzame verstoring van de vertrouwensrelatie tussen de betrokkenen en Stichting Mentorschap is ontstaan, waardoor een constructieve samenwerking niet meer mogelijk is. Dit vormt een gewichtige reden voor ontslag van Stichting Mentorschap als mentor.

De voorkeur van de betrokkenen voor mevrouw [naam 1] als opvolgend mentor werd afgewezen vanwege haar eerdere rol, het gebrek aan professionele afstand en de ontstane spanningen met zorgverleners. Het hof benoemde daarom subsidiair AmstelVisie als opvolgend mentor, die bereid is het mentorschap te aanvaarden en als neutrale, professionele partij kan optreden.

De ontslagbeschikking en benoeming van de nieuwe mentor gaan in op 28 juli 2026, met een overgangsperiode voor overdracht. Verzoeken tot proceskostenveroordeling werden niet toegewezen omdat de betrokkenen geen kostenveroordeling hadden gevorderd.

Uitkomst: Stichting Mentorschap wordt ontslagen als mentor en AmstelVisie benoemd als opvolgend mentor wegens verstoorde vertrouwensrelatie.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.363.036/01
zaaknummer rechtbank: 11559609 MB VERZ 25-122
beschikking van de meervoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak van

1.[betrokkene 1] ,

wonende te [plaats A] ,
hierna: [betrokkene 1] ,

2. [betrokkene 2] ,

wonende te [plaats A] ,
hierna: [betrokkene 2] ,
verzoekers in hoger beroep,
hierna gezamenlijk: de betrokkenen,
advocaat: mr. H. Beekelaar te Kwadijk,
en
Stichting Mentorschap Noordwest en Midden,
gevestigd te Utrecht,
verweerster in hoger beroep,
hierna: Stichting Mentorschap,
advocaat: mr. E.C. Pietermaat-Smith.
Het hof heeft daarnaast als informant aangemerkt:
- [naam 1] , wonende te [plaats B] , hierna: [naam 1] .

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de verzoeken van de betrokkenen om Stichting Mentorschap als mentor te ontslaan en een opvolgend mentor te benoemen.
De kantonrechter heeft deze verzoeken van de betrokkenen afgewezen. De betrokkenen zijn het daar niet mee eens en willen dat de verzoeken alsnog worden toegewezen. Stichting Mentorschap is het eens met de beslissing van de kantonrechter.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De betrokkenen zijn op 24 december 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 25 september 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Zaanstad (hierna: de kantonrechter).
2.2
Stichting Mentorschap heeft op 12 maart 2026 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de betrokkenen van 14 mei 2026, met als bijlage productie 13;
- een bericht van de betrokkenen van 18 mei 2026, met als bijlage productie 14.
2.4
De zitting heeft op 28 mei 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de betrokkenen, bijgestaan door hun advocaat;
- Stichting Mentorschap, vertegenwoordigd door [naam 2] en [naam 3] en bijgestaan door mr. Pietermaat-Smith;
- [naam 1] .

3.De feiten

3.1
[betrokkene 1] is geboren [in] 1964 in [plaats C] . [betrokkene 2] is geboren [in] 1964 in [plaats D] . [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zijn [in] 1992 met elkaar getrouwd te [plaats C] . Zij hebben geen kinderen.
3.2
De kantonrechter heeft bij beschikking van 27 juni 2022 ten behoeve van [betrokkene 1] , op verzoek van Stichting Odion, een mentorschap ingesteld met benoeming van Stichting Mentorschap tot mentor.
3.3
De kantonrechter heeft bij beschikking van 2 juli 2024 ten behoeve van [betrokkene 2] , op haar eigen verzoek, een mentorschap ingesteld met benoeming van Stichting Mentorschap tot mentor.
3.4
[naam 1] was van 24 juli 2024 tot 31 maart 2025 de (uitvoerend) mentor van [betrokkene 2] op basis van een mandaatbesluit van het bestuur van de Stichting Mentorschap. Per laatstgenoemde datum heeft de Stichting Mentorschap het mandaat van [naam 1] ingetrokken.
[betrokkene 1] had via de Stichting Mentorschap een andere uitvoerend mentor.
Vanaf 23 december 2025 is [naam 2] , verbonden aan Stichting Mentorschap, de (uitvoerend) mentor van beide betrokkenen.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking het verzoek van de betrokkenen tot ontslag van Stichting Mentorschap als mentor en benoeming van [naam 1] tot opvolgend mentor, afgewezen.
4.2
De betrokkenen verzoeken, met vernietiging van de bestreden beschikking, te bepalen dat Stichting Mentorschap wordt ontslagen als mentor en primair mevrouw [naam 1] , dan wel subsidiair AmstelVisie Financiële Zorg en Bewind (hierna: AmstelVisie) tot opvolgend mentor te benoemen.
4.3
Stichting Mentorschap verzoekt de verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. Ook verzoekt Stichting Mentorschap het verzoek om proceskostenveroordeling af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader
5.1
Volgens artikel 1:461, eerste lid, aanhef en sub e en tweede lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de mentor door de rechter ontslag worden verleend met ingang van een door deze te bepalen dag, hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer voldoet aan de eisen om mentor te kunnen worden, zulks op verzoek van de medementor of degene die gerechtigd is mentorschap te verzoeken als bedoeld in artikel 1:451, eerste en tweede lid, BW, dan wel ambtshalve.
5.2
In artikel 1:452, derde lid, BW is bepaald dat de rechter bij de benoeming van de mentor de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene volgt, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten.
De standpunten
5.3
De betrokkenen menen dat de kantonrechter ten onrechte het verzoek om Stichting Mentorschap als mentor te ontslaan en [naam 1] te benoemen tot opvolgend mentor heeft afgewezen. Zij ervaren dat [naam 1] goed naar hen luistert en hun wensen en zorgen serieus neemt, in tegenstelling tot de mentor(en) van Stichting Mentorschap. [naam 1] heeft aangekaart dat de rolstoel van [betrokkene 1] al vier jaar niet naar behoren werkt en zij heeft onder de aandacht gebracht dat de betrokkenen niet de zorg (hebben) ontvangen die zij nodig hadden en hebben. De betrokkenen hebben vertrouwen in [naam 1] en zij betwisten dat [naam 1] onvoldoende professionele afstand tot hen bewaart. [naam 1] heeft de betrokkenen een machtiging laten ondertekenen dat zij als hun vertegenwoordiger optreedt om te voorkomen dat de betrokkenen tussen wal en schip zouden vallen toen de toenmalige mentor vier à vijf weken op vakantie was. [naam 1] heeft die ondertekende machtiging naar alle betrokken partijen gestuurd zodat de belangen van de betrokkenen goed behartigd zouden worden. Indien [naam 1] niet tot opvolgend mentor benoemd wordt, verzoeken de betrokkenen subsidiair dat AmstelVisie wordt benoemd tot opvolgend mentor, aangezien zij onvoldoende vertrouwen hebben in Stichting Mentorschap.
5.4
Stichting Mentorschap vindt dat de kantonrechter terecht de verzoeken van de betrokkenen heeft afgewezen. Een mentor dient op onafhankelijke en onpartijdige wijze de belangen van de betrokkenen te behartigen en daarbij passende zorg te waarborgen. [naam 1] heeft de positie van de door de kantonrechter benoemde mentor ondermijnd door de betrokkenen een machtiging te laten ondertekenen waarin stond dat zij akkoord gaven voor het optreden van [naam 1] als hun mentor. Deze handelswijze heeft verkeerde verwachtingen geschapen bij de betrokkenen en heeft geleid tot een verstoring van de samenwerking met verschillende zorginstellingen.
Ter zitting heeft Stichting Mentorschap verklaard in te kunnen stemmen met haar eigen ontslag als mentor, onder de voorwaarde dat AmstelVisie tot opvolgend mentor wordt benoemd en niet [naam 1] .
5.5
[naam 1] heeft ter zitting verklaard dat zij aanvankelijk bij [betrokkene 2] betrokken is geraakt als mentor door haar mandaat daartoe vanuit Stichting Mentorschap. [betrokkene 1] heeft problemen met zijn rolstoel en [naam 1] heeft de toenmalig mentor van [betrokkene 1] aangeboden om hierbij te helpen. De betrokkenen hebben hun ongenoegen over de uitvoering van het mentorschap door Stichting Mentorschap geuit naar [naam 1] . De situatie van de betrokkenen verslechterde zodanig dat [naam 1] meende dat haar ingrijpen noodzakelijk was. [naam 1] treedt voor meerdere mensen op als vertrouwenspersoon.
De beoordeling door het hof
5.6
Aan het hof ligt de vraag voor of Stichting Mentorschap dient te worden ontslagen als mentor van de betrokkenen. Om in dit geval tot het ontslag van de mentor te komen dient er sprake te zijn van òf een ontslag op eigen verzoek van Stichting Mentorschap, òf van gewichtige redenen die het ontslag van Stichting Mentorschap als mentor rechtvaardigen. Een ernstig en duurzaam verstoorde vertrouwensrelatie tussen de mentor en de betrokkene(n) kan een dergelijke gewichtige reden opleveren, indien die verstoring eraan in de weg staat dat de mentor zijn/haar taak naar behoren kan uitoefenen. Het enkele ontbreken van vertrouwen of de wens van de betrokkene(n) om een andere mentor te benoemen, is daarvoor onvoldoende.
5.7
De door Stichting Mentorschap ter zitting afgelegde verklaring dat zij instemt met haar eigen ontslag als mentor onder de voorwaarde dat AmstelVisie tot opvolgend mentor wordt benoemd, kan naar oordeel van het hof niet worden aangemerkt als een ontslag op eigen verzoek. Een dergelijke voorwaardelijke instemming met het verzoek van betrokkenen kan immers niet worden aangemerkt als een eigen verzoek tot ontslag. Dat betekent dat voor ontslag van Stichting Mentorschap als mentor moet worden beoordeeld of sprake is van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 1:461 lid 2 BW Pro.
5.8
Het hof overweegt dat er sinds de bestreden beschikking een zodanige verslechtering in de verhoudingen is opgetreden dat sprake is van gewichtige redenen voor het ontslag van Stichting Mentorschap als mentor van de betrokkenen. Voor een behoorlijke uitvoering van het mentorschap is het noodzakelijk dat er op een constructieve wijze contact is tussen de mentor en de betrokkenen en zij in enige mate kunnen samenwerken. Deze benodigde basis ontbreekt inmiddels, omdat de relatie tussen de betrokkenen en Stichting Mentorschap ernstig is verstoord. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de betrokkenen en de mentor de afgelopen periode, sinds december 2025, slechts eenmaal contact hebben gehad. De betrokkenen hebben weerstand tegen bemoeienis van Stichting Mentorschap en zij hebben geen vertrouwen in de uitvoering van het mentorschap door Stichting Mentorschap. Tegen de achtergrond van de inmiddels langdurig verstoorde verstandhouding tussen de betrokkenen en Stichting Mentorschap en het slechts moeizaam kunnen onderhouden van contact, acht het hof een zinvolle samenwerking tussen hen niet meer mogelijk. Het is het hof duidelijk geworden dat het wederzijdse vertrouwen, dat noodzakelijk is om invulling te geven aan de uitvoering van het mentorschap, ontbreekt en het is niet te verwachten dat hierin op afzienbare termijn verandering komt. Er zijn nu dus gewichtige redenen die maken dat het hof Stichting Mentorschap ontslag zal verlenen als mentor van de betrokkenen. Het verzoek van de betrokkenen zal in zoverre worden toegewezen.
5.9
Voorts dient het hof te beoordelen of de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkenen om [naam 1] tot opvolgend mentor benoemd te zien, gevolgd dient te worden. Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat er redenen zijn die zich tegen benoeming van [naam 1] verzetten. Deze redenen zijn erin gelegen dat [naam 1] zich als mentor van [betrokkene 2] ook mengde in het mentorschap over [betrokkene 1] en dat zij, terwijl zij vanaf maart 2025 niet meer de uitvoerend mentor was van [betrokkene 2] , de belangen van beide betrokkenen is blijven behartigen alsof zij hun mentor was. In dat kader heeft [naam 1] getracht namens de betrokkenen zaken te (blijven) regelen middels een door hen ondertekende machtiging met betrekking tot ‘alle zaken betreffende het mentorschap en het wonen bij Odion, zo nodig inclusief gerechtelijke stappen’, zonder hiervoor toestemming te hebben van Stichting Mentorschap. Als gevolg hiervan zijn bovendien problemen ontstaan in de samenwerking met verschillende zorginstellingen. [naam 1] heeft zodoende onvoldoende oog gehad voor de wettelijke positie van de door de kantonrechter benoemde mentor en de werkzaamheden van de mentor gefrustreerd. Gelet op haar eerdere rol als mentor, waartoe zij in het verleden is opgeleid, had van haar mogen worden verwacht dat zij zich hiervan rekenschap had gegeven.
Daarnaast is gebleken dat [naam 1] heeft geweigerd om in gesprek te gaan met Stichting Mentorschap en de betrokken zorgverleners van Odion. Dit, terwijl Stichting Mentorschap en de zorgverleners van Odion herhaaldelijk op een gesprek met [naam 1] hebben aangedrongen. [naam 1] heeft toegelicht dat zij miscommunicatie wilde voorkomen en om die reden geen telefonisch of fysiek gesprek wilde, maar de voorkeur gaf aan schriftelijke communicatie. Het hof acht het van wezenlijk belang dat een mentor goed contact onderhoudt met de betrokken hulpverleners en zorgaanbieder(s) van de betrokkene(n). Juist bij onenigheid is (mondeling) overleg noodzakelijk om tot passende oplossingen te komen die in het belang van de betrokkenen zijn. Het hof onderkent dat [naam 1] zich begaan toont met de betrokkenen en zich zeer verantwoordelijk voelt voor hun zorg. Daarbij is het hof gebleken dat [naam 1] een prominente rol in het leven van de betrokkenen vervult en het lijkt dat haar visie en handelen van grote invloed kan zijn op de opstelling van de betrokkenen. De vraag rijst of [naam 1] in haar optreden als mentor een zodanige professionele afstand zou kunnen bewaren dat zij de belangen van de betrokkenen effectief zou kunnen behartigen. De betrokkenheid van [naam 1] heeft immers geleid tot spanningen en onduidelijkheid in de samenwerking tussen de betrokkenen, Stichting Mentorschap en de betrokken zorgverleners. Dit is uiteindelijk niet in het belang van de betrokkenen. Het hof acht het van belang dat de komende periode rust en stabiliteit gewaarborgd worden en dat (nieuwe) communicatieproblemen tussen zorgverleners, de mentor en de betrokkenen worden voorkomen. Het hof zal op grond van de bovenstaande redenen het primaire verzoek van de betrokkenen tot benoeming van [naam 1] als opvolgend mentor afwijzen.
5.1
De betrokkenen hebben subsidiair verzocht om AmstelVisie tot opvolgend mentor te benoemen. Zij hebben daarbij gewezen op de positieve ervaring die zij al hebben met AmstelVisie in het kader van de bewindvoering voor [betrokkene 1] . Uit de stukken blijkt dat AmstelVisie zich bereid heeft verklaard het mentorschap te aanvaarden. Het hof acht het van belang dat een neutrale en professionele mentor voor de betrokkenen optreedt ten behoeve van een bestendige en constructieve samenwerking met de verschillende hulpverleners en andere bij de zorg betrokken instanties. Het hof wijst daarom het subsidiaire verzoek van de betrokkenen toe en zal AmstelVisie tot opvolgend mentor benoemen.
5.11
Het hof zal het ontslag van de Stichting Mentorschap en de benoeming van AmstelVisie laten ingaan op 28 juli 2026, zodat de Stichting Mentorschap nog enige tijd heeft voor afronding en overdracht van haar werkzaamheden.
5.12
Voor zover Stichting Mentorschap heeft verzocht een verzoek tot proceskostenveroordeling af te wijzen, overweegt het hof dat de betrokkenen geen verzoek tot veroordeling in proceskosten hebben gedaan. Dit verweer behoeft daarom geen inhoudelijke beoordeling.
5.13
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Zaanstad, van 25 september 2025, en opnieuw beschikkende:
ontslaat met ingang van 28 juli 2026 Stichting Mentorschap Noordwest en Midden als mentor van [betrokkene 1] , geboren [in] 1964 te [plaats C] , en [betrokkene 2] , geboren [in] 1964 te [plaats D] ,
benoemt met ingang van 28 juli 2026 tot opvolgend mentor over hen beiden:
AmstelVisie B.V.,
postbus 247,
1420 AE Uithoorn;
bepaalt dat de mentor voor de (aanvangs)werkzaamheden en voor de met het mentorschap gemoeide kosten de in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren vastgestelde forfaitaire tarieven ten laste van het vermogen van de betrokkenen mag brengen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. J.F. Miedema en mr. A.E. Oderkerk, in tegenwoordigheid van mr. F. de Jongh als griffier en is op 14 juli 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.