ECLI:NL:GHAMS:2026:2113

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
C/15/361536 / FA RK 25-515
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Alimentatieverordening (EG) nr. 4/2009Art. 76 RvArt. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nederlandse rechter bevoegd voor vaststelling kinderalimentatie na terugkeer kind in Nederland

De zaak betreft een geschil over kinderalimentatie voor een minderjarige die sinds 2014 met haar moeder in Kenia verbleef en in juli 2024 terugkeerde naar Nederland. De rechtbank had zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het verzoek van de moeder tot vaststelling van kinderalimentatie, omdat de vader in een niet-lidstaat woont en de verblijfplaats van het kind onduidelijk was.

In hoger beroep heeft het hof geoordeeld dat de gewone verblijfplaats van het kind sinds 24 januari 2025 in Nederland is, gelet op de feitelijke omstandigheden zoals inschrijving op een adres, schoolgang, zorgverzekering, medische zorg, sociale en sportieve activiteiten. De vader stelde dat het verblijf tijdelijk zou zijn, maar het hof vond geen concrete aanwijzingen voor vertrek.

Het hof vernietigde de bestreden beschikking en verklaarde de Nederlandse rechter bevoegd op grond van artikel 3, aanhef en sub b van de Alimentatieverordening. Omdat partijen niet overeenkwamen over het aan zich houden van de zaak, verwees het hof de zaak terug naar de rechtbank voor inhoudelijke behandeling.

Het verzoek tot een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat het geding bij het hof ten einde was door de terugverwijzing. De uitspraak bevestigt dat de feitelijke integratie en het centrum van het leven van het kind bepalend zijn voor de bevoegdheid van de rechter in alimentatiezaken.

Uitkomst: De Nederlandse rechter is bevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummers: 200.365.381/01 en 200.365.381/02
zaaknummer rechtbank: C/15/361536 / FA RK 25-515
beschikking van de meervoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaak van
[de moeder],
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep en in het incident,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. P.J. van de Pol te Haarlem,
en
[de vader] ,
wonende te [plaats B] , Verenigde Arabische Emiraten,
verweerder in hoger beroep en in het incident,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. C.F.L.A. van der Vegt-Boshouwers te Eindhoven.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de kinderalimentatie voor [minderjarige] (15). De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het verzoek van de moeder tot vaststelling van kinderalimentatie.
De moeder stelt dat de Nederlandse rechter wel bevoegd is; zij wil dat alsnog een door de vader te betalen bijdrage voor [minderjarige] wordt bepaald.
De vader is het wel eens met de bestreden beschikking. Als het hof zich toch bevoegd verklaart, dient de zaak volgens hem te worden terugverwezen naar de rechtbank. Indien het hof de zaak aan zich houdt, stelt de vader dat het verzoek van de moeder moet worden afgewezen.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is (in de zaak met zaaknummer 200.365.381/01) op 25 februari 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 25 november 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland (Haarlem) (hierna: de rechtbank).
Zij heeft daarnaast verzocht voorlopige voorzieningen te treffen (zaaknummer 200.365.381/02).
2.2
De vader heeft op 7 april 2026 een verweerschrift in beide zaken ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- het proces-verbaal van de behandeling bij de rechtbank, ingediend door de moeder op 2 maart 2026, en
- een bericht van de zijde van de vader van 29 mei 2026 met bijlage.
2.4
Het hof heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling beslist dat de op 26 mei 2026 ingediende reactie van de moeder op het verweerschrift van de vader buiten beschouwing dient te worden gelaten vanwege strijd met de goede procesorde, in het bijzonder de twee-conclusieregel. De bijgevoegde producties heeft het hof wel in beschouwing genomen.
2.5
De zitting heeft op 8 juni 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en door E. Kosanovic, een tolk in de Engelse taal,
- de vader via een videobelverbinding, bijgestaan door zijn advocaat.
De advocaat van de moeder heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige] , geboren te [plaats A] [in] 2011.
De ouders zijn getrouwd geweest van [datum] 2012 tot 21 oktober 2016. Zij zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] .
3.2
De ouders en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit. In ieder geval de moeder bezit daarnaast de Keniaanse nationaliteit.
3.3
Sinds maart 2014 verbleef de moeder met [minderjarige] in Kenia. De vader heeft in december 2014 toestemming gegeven voor een (verlenging van het) verblijf tot eind maart 2015. De moeder is na maart 2015 niet teruggekeerd naar Nederland.
3.4
Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 29 juli 2015 heeft de rechtbank Amsterdam het verzoek van de vader om [minderjarige] aan hem toe te vertrouwen en de moeder te veroordelen tot afgifte van [minderjarige] afgewezen.
3.5
Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 16 december 2015 heeft de rechtbank Amsterdam bepaald dat de vader met ingang van 7 oktober 2015 € 285,50 per maand aan de moeder dient te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderbijdrage) van [minderjarige] .
3.6
Bij beschikking wijziging voorlopige voorzieningen van 15 juni 2016 heeft de rechtbank Amsterdam de vader niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om toevertrouwing van [minderjarige] . De rechtbank heeft de kinderbijdrage voor [minderjarige] met ingang van 19 mei 2016 gewijzigd naar
€ 210,- per maand.
3.7
Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 18 mei 2016 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Bij beschikking van 28 september 2016 – voor zover van belang – is het verzoek van de moeder tot vaststelling van een kinderbijdrage afgewezen. De rechtbank heeft overwogen dat het redelijk is dat de vader de voor hem beschikbare gelden kan reserveren om [minderjarige] te bezoeken in Kenia en daar bij haar te kunnen verblijven, in plaats van dat hij een onderhoudsbijdrage voor [minderjarige] aan de moeder moet voldoen.
3.8
De moeder heeft op 3 december 2015 een voorlopige-voorzieningenprocedure in Kenia aanhangig gemaakt. De Keniaanse rechter heeft op 7 maart 2017 voorlopig bepaald dat de vader moet zorgen voor schoolgeld en schoolgerelateerde kosten. Verder is beslist dat de vader 30.000 Keniaanse shilling per maand moet betalen.
3.9
Op 13 juli 2024 zijn de moeder en [minderjarige] teruggekeerd naar Nederland. Volgens de GBA-gegevens is de vader in augustus 2024 met zijn echtgenote en twee jongste kinderen naar [plaats B] verhuisd (zij verbleven daar feitelijk al eerder). De vader is werkzaam als piloot bij [X] .

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft zich in de bestreden beschikking onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het verzoek van de moeder strekkende, kort samengevat, tot de vaststelling van een door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] van
€ 990,- per maand met ingang van 3 juli 2024, althans 1 januari 2025, althans 24 januari 2025 en van € 1.545,- per maand met ingang van 1 september 2025 en van het verzoek te bepalen dat de vader financiële stukken dient over te leggen alsook van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.
4.2
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, te bepalen dat:
1. de vader aan de moeder een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] dient te betalen met ingang van 13 juli 2024, althans met ingang van 20 augustus 2024, althans met ingang van een zodanige datum als het hof juist zal achten, van € 875,- per maand met ingang van 13 juli 2024 tot 1 januari 2025, van € 931,- per maand met ingang van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2025 en van € 974,- per maand vanaf 1 januari 2026;
ll. de vader jaarlijks na overlegging van een toelatingsbewijs en factuur de kosten van de internationale school voor [minderjarige] betaalt.
4.3
Het verweer van de vader strekt ertoe de verzoeken van de moeder af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing in de hoofdzaak

Bevoegdheid
5.1
De rechtbank heeft overwogen dat de bevoegdheid om kennis te nemen van de verzoeken van de moeder niet kan worden ontleend aan de woonplaats van de vader zoals genoemd in de Alimentatieverordening in artikel 3 [1] aanhef en sub a, omdat hij in [plaats B] woont (geen lidstaat). Op grond van artikel 3, aanhef en sub b van de Alimentatieverordening is de lidstaat waar de onderhoudsgerechtigde zijn/haar gewone verblijfplaats heeft bevoegd om kennis te nemen van alimentatieverzoeken.
Volgens de moeder is de gewone verblijfplaats van [minderjarige] bij haar in Nederland en dus is de Nederlandse rechter bevoegd. De vader heeft in eerste aanleg gesteld dat [minderjarige] nog in Kenia woont (en daar haar gewone verblijfplaats heeft) en dat zij alleen naar Nederland reist voor haar orthodontiebehandelingen.
Aan het hof ligt de vraag voor of de rechtbank terecht heeft overwogen dat niet kan worden vastgesteld dat [minderjarige] haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft, om welke reden de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard kennis te nemen van de verzoeken van de moeder.
5.2
Op grond van art. 3, aanhef en sub b van de Verordening (EG) nr. 4/2009 betreffende onderhoudsverplichtingen (Alimentatieverordening) is in de lidstaten op het gebied van onderhoudsverplichtingen bevoegd het gerecht van de plaats waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft.
Volgens vaste rechtspraak moet de gewone verblijfplaats van een kind worden bepaald op basis van alle feitelijke omstandigheden van het geval. Naast de fysieke aanwezigheid van het kind op het grondgebied van een staat moeten worden aangetoond dat deze aanwezigheid niet tijdelijk of toevallig is en dat de verblijfplaats een zekere integratie in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. De gewone verblijfplaats van een kind komt overeen met de plaats waar zich in feite het centrum van zijn leven bevindt. In dat kader moet in het algemeen worden aangeknoopt bij factoren als de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf van het kind op het grondgebied van de staat waar het aanwezig is, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het naar school gaat, alsook de familiale en sociale banden die het kind in die staat heeft.
5.3
Gelet op dit criterium is het hof van oordeel dat [minderjarige] inmiddels geruime tijd haar gewone verblijfplaats heeft bij de moeder in Nederland, in ieder geval per 24 januari 2025, de datum waarop de moeder haar inleidend verzoek bij de rechtbank heeft ingediend (en per welke datum de bevoegdheid moet worden beoordeeld). Het hof komt tot dit oordeel op grond van het volgende.
Het staat vast dat de moeder en [minderjarige] op 13 juli 2024 vanuit Kenia zijn aangekomen op Schiphol, waar zij werden verwelkomd door de vader en zijn gezin. Vanaf 20 augustus 2024, na goedkeuring van de gemeente [plaats A] , stonden [minderjarige] en de moeder ingeschreven op een postadres in [plaats A] .
Sinds 1 december 2024 wonen [minderjarige] en de moeder op het adres [A-straat] in [plaats A] , maar de inschrijving in de BRP dateert van 1 mei 2025. De moeder wijt deze discrepantie aan het administratieve proces en het onderzoek dat nodig was in het kader van de door haar aangevraagde toeslagen.
Wat er zij van deze onduidelijkheid: het hof is ook op grond van de overige omstandigheden – en de onderbouwing daarvan door de moeder – van oordeel dat het feitelijke centrum van het leven van [minderjarige] zich in Nederland (meer in het bijzonder: in [plaats A] ) bevindt. Een belangrijke omstandigheid betreft de schoolgang van [minderjarige] . Zij gaat sinds 30 september 2024 naar het [school] , zoals de school heeft bevestigd in een verklaring van 27 november 2025. De moeder heeft daarnaast facturen overgelegd van de schoolkosten (activiteiten en uitjes) en foto’s van [minderjarige] op school.
Een andere omstandigheid betreft de zorg waarvan [minderjarige] gebruik maakt in Nederland. De moeder heeft een polisblad van de zorgverzekering van [minderjarige] bij FBTO overgelegd, waaruit blijkt dat zij daar is verzekerd met ingang van 20 augustus 2024. Zij staat sinds 24 augustus 2024 ingeschreven bij een huisarts, die haar op 3 december 2025 heeft verwezen naar een psycholoog voor onderzoek/ondersteuning/behandeling. Uit een brief van de huisarts van 3 december 2025 blijkt verder dat [minderjarige] sinds 24 augustus 2024 tien (waarvan drie telefonische) consulten heeft gehad bij haar. Verder heeft een orthodontist in [plaats A] een beugel geplaatst bij [minderjarige] in februari 2025 en heeft [minderjarige] daar maandelijks een consult.
Tot slot blijkt dat [minderjarige] een sociaal leven heeft in [plaats A] (gezien door de moeder overgelegde foto’s) en dat zij er sport en muziekles heeft. Sinds 3 mei 2025 is [minderjarige] lid van de [plaats A] zwemvereniging [Y] . Uit het bewijs van haar lidmaatschap blijkt dat zij driemaal per week traint en eens per week een wedstrijd zwemt. Van die competitie zijn voorts enkele foto’s in het geding gebracht. Daarnaast heeft [minderjarige] eens per week saxofoonles in [plaats A] sinds april 2025.
Gezien deze feiten en omstandigheden concludeert het hof dat het centrum van het leven van [minderjarige] zich inmiddels geruime tijd, in ieder geval per 24 januari 2025, in [plaats A] bevindt. Dat de vader vraagtekens zet bij de beweegredenen achter de verhuizing (na tien jaar afwezigheid) leidt niet tot een ander oordeel. De vader vreest dat [minderjarige] en haar moeder weer naar Kenia zullen vertrekken zodra een kinderbijdrage ten laste van hem is vastgesteld. Concrete aanknopingspunten dat [minderjarige] en haar moeder over enige tijd Nederland zullen verlaten zijn het hof echter niet gebleken. Maar wat daar verder ook van zij: [minderjarige] heeft inmiddels geruime tijd in ieder geval per 24 januari 2025, haar gewone verblijfplaats in Nederland, zij woont hier en heeft hier een leven opgebouwd met school, sport en hobby’s. Dat is bepalend voor het aannemen van rechtsmacht.
De conclusie is dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 3, aanhef en sub b Alimentatieverordening bevoegd is om kennis te nemen van de alimentatieverzoeken van de moeder. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook vernietigen.
Terugverwijzing
5.4
Artikel 76 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat de rechter in hoger beroep, indien hij een beschikking van een lagere rechter, waarbij deze zich onbevoegd had verklaard wegens het ontbreken van rechtsmacht vernietigt, de zaak dient te verwijzen naar deze lagere rechter om op de hoofdzaak te worden beslist, tenzij partijen verklaren te verlangen dat de rechter in beroep de zaak aan zich houdt.
De moeder heeft het hof verzocht de zaak aan zich te houden, maar de vader wil dat de zaak wordt verwezen naar de rechtbank. Dat betekent dat de uitzondering van artikel 76 Rv Pro zich hier niet voordoet en dat het hof de zaak dient terug te verwijzen naar de rechtbank Noord-Holland ( [plaats A] ). Het hof kan de zaak dus niet zelf inhoudelijk afdoen.

6.De motivering van de beslissing in het incident

6.1
De moeder verzoekt, bij wijze van voorlopige voorziening, een voorlopige kinderbijdrage voor [minderjarige] van € 974,- per maand vast te stellen voor de duur van het hoger beroep en - indien het hof de zaak terugverwijst naar de rechtbank - totdat de rechtbank opnieuw inhoudelijk heeft beslist, althans totdat een rechter anders beslist, althans een voorlopige bijdrage vast te stellen op een bedrag en met een duur als het hof juist acht, althans een zodanige voorlopige voorziening te treffen als het hof juist zal achten.
6.2
Het verweer van de vader strekt tot afwijzing van het verzoek.
6.3
Op grond van artikel 223 Rv Pro kan iedere partij tijdens een aanhangig geding verzoeken dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Nu het hof de zaak, gezien hetgeen hiervoor is overwogen, zal terugverwijzen naar de rechtbank, is het geding bij dit hof ten einde gekomen en kan aan een voorziening voor de duur van het geding niet worden toegekomen. Dat brengt mee dat het hof dit verzoek zal afwijzen.
6.4
Dit leidt tot de volgende beslissing.

7.De beslissing

Het hof:
In de zaak met zaaknummer 200.365.381/01
vernietigt de bestreden beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem , van 25 november 2025 en, opnieuw rechtdoende:
verwijst de zaak naar die rechtbank om te beslissen op de hoofdzaak met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen;
In de zaak met zaaknummer 200.365.381/02
wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.H. Steenmetser-Bakker, mr. A.N. van de Beek en mr. J.W. van Zaane, in tegenwoordigheid van mr. F.J.E. van Geijn als griffier en is op 21 juli 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.

Voetnoten

1.In de lidstaten zijn op het gebied van onderhoudsverplichtingen bevoegd: