ECLI:NL:GHAMS:2026:2127

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
28 juli 2026
Publicatiedatum
31 juli 2026
Zaaknummer
23-002153-24
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:106 BWArt. 242 Sr oud
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hof bevestigt vonnis verkrachting met aanpassing schadevergoeding slachtoffer

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland inzake een verkrachtingszaak. Het hof bevestigde het primaire vonnis, behalve de beslissing over de schadevergoeding aan de benadeelde partij, die het vernietigde en opnieuw beoordeelde.

De verdediging voerde aan dat het voorafgaande Tinder-contact en vermeende instemming van het slachtoffer de betrouwbaarheid van haar verklaring aantastten. Het hof oordeelde dat dit niet tot twijfel over de betrouwbaarheid leidde en dat geen instemming met seks in de bestelbus aannemelijk was.

De benadeelde partij vorderde materiële en immateriële schadevergoeding. Het hof kende de volledige materiële schade toe van €796,04 en matigde de immateriële schadevergoeding tot €8.000,00, gelet op het nieuwe trauma en de ernst van het misdrijf. Tevens werd wettelijke rente toegekend vanaf 10 oktober 2022.

Het hof legde de verdachte de verplichting op om het bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer, met een gijzelingstermijn van maximaal 68 dagen bij niet-betaling. De rest van het vonnis werd bevestigd.

Uitkomst: Het hof bevestigt de bewezenverklaring van verkrachting en wijst een schadevergoeding van €8.796,04 toe aan het slachtoffer.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002153-24
datum uitspraak: 28 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 12 september 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-341549-23 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1972,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 juli 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis, en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit daarom bevestigen met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij, in zoverre wordt het vonnis vernietigd, en met dien verstande dat het hof:
  • het eerste bewijsmiddel, zoals opgenomen in de bijlage bij het vonnis, aanpast door de zin: ‘
  • een aanvullende bewijsoverweging opneemt waarin het hof reageert op de door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweren;
  • in hetgeen door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep in het kader van de straftoemeting is aangevoerd geen grond ziet anders te overwegen en oordelen met betrekking tot de op te leggen straf dan de rechtbank heeft gedaan.

Aanvullende bewijsoverweging

De raadsman heeft betoogd dat de omstandigheid dat de aangeefster met de verdachte in de avond/nacht voorafgaand aan de avond van de tenlastegelegde gebeurtenis heeft gechat via ‘Tinder’ en dit niet heeft benoemd in haar informatieve gesprek bij de politie afdoet aan haar betrouwbaarheid. Verder is volgens de raadsman op grond van de omstandigheden van het tenlastegelegde aannemelijk dat het slachtoffer heeft ingestemd met seks en om die reden beiden naar de achterbank zijn verplaatst.
Het hof is van oordeel dat het gegeven dat door de aangeefster bij het informatieve gesprek bij de politie niets is gezegd over het via ‘Tinder’ voeren van een gesprek met de verdachte in de avond/nacht voorafgaand aan de avond van de tenlastegelegde gebeurtenis, niet maakt dat hetgeen zij heeft verklaard over wat op de bewuste avond op de achterbank van verdachtes bestelbus heeft plaatsgevonden in een ander daglicht is komen te staan, laat staan als onbetrouwbaar terzijde geschoven zou moeten worden. In haar uitvoerige getuigenverklaring heeft de aangeefster immers wel degelijk (op eigen initiatief) over het voorafgaande ‘Tinder’-contact met de verdachte gesproken.
Verder is het hof van oordeel dat het, gelet op de inhoud van het dossier en hetgeen ter terechtzitting door de verdachte naar voren is gebracht, niet aannemelijk is geworden dat de aangeefster op enig moment in de bestelbus heeft ingestemd met het hebben van seks met de verdachte en ze dus om die reden naar de achterbank zijn verplaatst.
Al het overige van wat de raadsman heeft aangevoerd, wordt naar het oordeel van het hof weerlegd door de inhoud van de gebruikte bewijsmiddelen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 15.796,04, bestaande uit € 796,04 aan materiële schade en € 15.000,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 8.387,32, bestaande uit € 387,32 aan materiële schade en € 8.000,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft verzocht de vordering tot een bedrag van € 10.796,04 toe te wijzen.
De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering tot materiële schade gerefereerd aan het oordeel van het hof. Ten aanzien van de vordering tot immateriële schade heeft de raadsman verzocht deze te matigen tot maximaal € 5.000,00, rekening houdend met het al eerder bestaande trauma bij de benadeelde partij en vergelijkbare zedenzaken.
Het hof overweegt als volgt.
Ten aanzien van de materiële schade
De gestelde materiële schade bestaat uit:
a. a) reiskosten: € 736,04
b) kleding: € 60,00
--------------------------------------------------
totaal: € 796,04.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden. De vordering tot materiële schadevergoeding is niet betwist door de verdediging. Nu deze schade het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal de vordering tot het gehele gevorderde bedrag van € 796,04 worden toegewezen.
Ten aanzien van de immateriële schade
Aanspraak
De benadeelde partij is het slachtoffer geweest van de bewezenverklaarde verkrachting. De benadeelde partij heeft de vordering gebaseerd op artikel 6:106 sub b van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW Pro is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in haar eer of goede naam of 'op andere wijze' in haar persoon is aangetast.​
Van aantasting in de persoon 'op andere wijze' is in ieder geval sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven zijn of kunnen worden vastgesteld.
Op basis van de onderbouwing van de vordering van de benadeelde partij stelt het hof vast dat de benadeelde partij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit (verkrachting) bijkomend geestelijk letsel heeft opgelopen. Uit de stukken blijkt dat de benadeelde partij al eerder is gediagnosticeerd met PTSS en een persisterende depressieve stoornis, maar door de verkrachting een nieuw trauma en een terugval heeft gehad waarna ze weer opgenomen is geweest. In de GGZ stukken van 21 oktober 2022 wordt geschreven:
“Vrouw van 22 jaar, PTSS, conversiestoornis en persisterende depressieve stoornis, komt voor vrijwillige time-out opname i.v.m. oplopen van paniekklachten, depressieve klachten en daarbij suïcidale gedachten met angst voor controleverlies. Acute stressoren actuele PTSS-behandeling die klachten doet opvlammen met daar overheen een nieuw trauma van een verkrachting op 10 oktober.”
Het gaat aldus om naar objectieve maatstaven vastgesteld geestelijk letsel, dat zij als gevolg van het bewezenverklaarde heeft opgelopen. Los daarvan brengen de aard en de ernst van de normschending in dit geval mee dat de in dit verband nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon 'op andere wijze' kan worden aangenomen. Gebleken is dat de benadeelde partij tot op heden ernstige psychische klachten ondervindt.
Daarmee heeft de benadeelde partij op grond van artikel 6:106 sub b BW Pro recht op vergoeding van immateriële schade en komt het hof toe aan de begroting van die schade.
Begroting
De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Naast de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, heeft het hof bij de begroting van de immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal (RS), een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. Het hof heeft daarnaast acht geslagen op de Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van art. 6:106 BW Pro (rechtspraak.nl).
Het hof neemt voor het seksuele misdrijf als uitgangspunt de RS-categorie ‘verkrachting (art. 242 Sr Pro oud) (c) tamelijk ernstig’ met een bandbreedte van € 2.500 tot € 7.500 (RS par 15.1). Ook neemt het hof in ogenschouw: de kwetsbaarheid van de benadeelde, het leeftijdsverschil met de dader en de aard en ernst van de gevolgen voor de benadeelde.
Alles afwegend en in onderlinge samenhang beschouwd, acht het hof in de gegeven omstandigheden het door de rechtbank toegewezen bedrag aan immateriële schade van € 8.000,00 billijk. Dit bedrag zal dan ook worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente hierover is eveneens toewijsbaar. Daarbij wordt uitgegaan van de aanvangsdatum van 10 oktober 2022, tot aan de dag van algehele voldoening. De vordering zal voor het overige worden afgewezen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 8.796,04 (achtduizend zevenhonderdzesennegentig euro en vier cent) bestaande uit € 796,04 (zevenhonderdzesennegentig euro en vier cent) materiële schade en € 8.000,00 (achtduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 8.796,04 (achtduizend zevenhonderdzesennegentig euro en vier cent) bestaande uit € 796,04 (zevenhonderdzesennegentig euro en vier cent) materiële schade en € 8.000,00 (achtduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 68 (achtenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 10 oktober 2022.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.R.A. Meerbeek, mr. M.J.A. Plaisier en mr. R. van der Heijden, in tegenwoordigheid van mr. I. Peetoom, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 juli 2026.
Mrs. N.R.A. Meerbeek en M.J.A. Plaisier zijn buiten staat om dit arrest mede te ondertekenen.