In deze civiele kort gedingprocedure staat de vraag centraal wie van de voormalige partners het voorlopig uitsluitend gebruiksrecht van hun gezamenlijke huurwoning krijgt toegewezen. De voorzieningenrechter had reeds bepaald dat de vrouw dit recht toekomt, met een verbod voor de man om de woning na drie maanden te betreden. De man ging in hoger beroep tegen dit vonnis.
Het hof bevestigt de feiten zoals vastgesteld door de voorzieningenrechter, waaronder het feit dat beide partijen onder bewind staan en een gezamenlijke minderjarige dochter hebben. Er zijn meldingen van huiselijk geweld en een veroordeling van de man wegens een geweldsincident. De relatie is verbroken en de woning wordt gezamenlijk gehuurd.
De man voerde onder meer aan dat er sprake zou zijn van een belangenconflict door dezelfde bewindvoerder en dat er geen spoedeisend belang zou zijn. Het hof verwierp deze grieven en oordeelde dat de gespannen woonsituatie en de stress voor de vrouw en het kind een voortzetting van de huidige situatie onmogelijk maken.
De belangenafweging leidde tot het oordeel dat het belang van de vrouw om in de woning te blijven zwaarder weegt, mede vanwege haar rol als hoofdverzorger van de jonge dochter en het belang van stabiliteit voor het kind. De man heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij de woning nodig heeft voor omgang met zijn andere kind of dat hij geen alternatieven heeft. De proceskosten worden gecompenseerd en het hof bekrachtigt het bestreden vonnis.