Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep het vonnis van de politierechter vernietigd en de verdachte veroordeeld voor mishandeling van de benadeelde partij op 2 juni 2021 in Amsterdam. De mishandeling bestond uit meerdere klappen en stompen tegen het gezicht en hoofd van het slachtoffer, die op de grond lag. Het hof verwierp het beroep van de verdachte op noodweer en putatief noodweer(exces), omdat geen sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding of een gerechtvaardigde veronderstelling daarvan.
De bewijsvoering bestond uit verklaringen van het slachtoffer en getuigen, letselrapporten en foto's die het letsel bevestigden. De verklaringen van de aangever en zijn vriend werden als aannemelijker beoordeeld dan die van de verdachte. Het hof concludeerde dat de verdachte het slachtoffer heeft aangevallen terwijl deze op de grond lag, waardoor het noodweerverweer faalde.
De strafoplegging bestond uit een geldboete van €750, te vervangen door 7 dagen hechtenis bij niet-betaling. Het hof hield rekening met de ernst van het feit, het letsel en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Tevens werd de vordering van de benadeelde partij tot immateriële schadevergoeding van €1.000 toegewezen, gebaseerd op de Rotterdamse Schaal, en proceskosten van €858. Materiële schade en buitengerechtelijke kosten werden afgewezen wegens onvoldoende bewijs en procedurele beperkingen.
De redelijke termijn in hoger beroep werd overschreden met meer dan een jaar, maar dit leidde niet tot strafvermindering. Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 28 januari 2026.