ECLI:NL:GHAMS:2026:229

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
23-003450-22
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling voor mishandeling met verwerping van noodweer(exces) en oplegging van geldboete en schadevergoeding

In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 28 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een veroordeling voor mishandeling. De verdachte had hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam, waarin hij op 14 december 2022 was veroordeeld voor mishandeling van de benadeelde partij. De tenlastelegging betrof het slaan van de benadeelde partij in het gezicht en hoofd op 2 juni 2021 te Amsterdam. De verdachte voerde aan dat hij handelde uit zelfverdediging, maar het hof verwierp dit beroep op noodweer en putatief noodweer(exces). Het hof oordeelde dat er geen sprake was van een noodweersituatie, aangezien de verdachte de benadeelde partij had aangevallen terwijl deze op de grond lag. Het hof achtte de mishandeling wettig en overtuigend bewezen en legde een geldboete van € 750,00 op, te vervangen door 7 dagen hechtenis. Daarnaast werd de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor immateriële schade van € 1.000,00 toegewezen, terwijl de materiële schade niet werd toegewezen. Het hof constateerde ook dat de redelijke termijn in hoger beroep was overschreden, maar besloot de straf niet te matigen. De uitspraak benadrukt de ernst van de mishandeling en de gevolgen voor het slachtoffer, die nog steeds last heeft van letsel.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003450-22
datum uitspraak: 28 januari 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 14 december 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-003063-22 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 2 juni 2021 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [benadeelde partij] heeft mishandeld door voornoemde [benadeelde partij] meermalen, althans éénmaal, in/op/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd te stompen en/of te slaan.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat hem een beroep op noodweer toekomt. Er was sprake van een dreiging voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. De verdachte zag dat de aangever een vriend van de verdachte sloeg. De aangever liep vervolgens op een agressieve manier op de verdachte af, waarna hij de aangever één klap gaf.
De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat de verdachte geen beroep op zelfverdediging toekomt omdat er geen sprake was van een noodweersituatie.
Het hof overweegt als volgt.
Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat sprake is van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Dat sprake is geweest van een (dreiging voor een) dergelijke aanranding van de verdachte is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden. Daartoe is het volgende van belang.
De aangever heeft verklaard dat hij samen met een vriend was, getuige [getuige 1] , en dat op een gegeven moment een ruzie ontstond met een jongen, NN1. Deze jongen pakte de aangever eerst met beide handen bij de keel en gaf de aangever daarna een vuistslag tegen de rechterkant van het gezicht. Door de vuistslag kwam de aangever ten val, waarbij hij ook een stekende pijn aan zijn rechter elleboog voelde. Vervolgens kwam een andere jongen, NN2 – die later de verdachte bleek te zijn –, op de aangever af en sloeg hem met zijn vuist meermalen hard op de linkerkant van zijn gezicht.
Getuige [getuige 1] heeft ook verklaard dat NN1 met zijn vuist uithaalde naar de aangever, waarna de aangever op de grond viel. Een tweede jongen, NN2, begon vervolgens vol met zijn vuisten op de aangever in te beuken.
Deze verklaringen passen goed bij het geconstateerde letsel. Uit de letselverklaring en de foto’s van het letsel in het dossier blijkt onder meer dat de linker helft van het gezicht van de aangever flink gezwollen was. Er was een forse zwelling van de linkeroogkas. De oogleden waren zo gezwollen dat het oog zelf niet direct zichtbaar was. De oogleden waren paarsrood gekleurd en er was roodheid rondom het oog. Ook het oogwit was voor de helft rood gekleurd door een bloeding. Daarnaast was de linkeroorschelp gezwollen en paars verkleurd, en was er een rode verkleuring van de schedel achter het oor. De oorschelp en schedel rond het oor waren gevoelig en de kaken en kaakgewrichten van de aangever waren pijnlijk, ook aan de rechterkant. Verder was sprake van rode striemen in de hals en schaafwonden en een verdikking aan de rechter elleboog. Dit laatste letsel wijst op het vastgrijpen bij de keel en het ten val brengen van aangever.
Omdat dit letsel veel beter past bij de verklaringen van de aangever en zijn vriend dan bij de verklaring van de verdachte dat slechts sprake was van één klap van hemzelf onder het linkeroog terwijl de aangever stond, gaat het hof bij de vraag of sprake was van een noodweersituatie uit van de verklaringen van aangever en zijn vriend. De door de verdachte geschetste feitelijke toedracht van het gebeuren is naar het oordeel van het hof, gelet op het voorgaande, niet aannemelijk geworden. Uit de verklaringen van de aangever en zijn vriend kan niet worden afgeleid dat sprake was van een noodweersituatie voor de verdachte. Daaruit volgt namelijk dat de verdachte de aangever heeft aangevallen terwijl hij op de grond lag. Het hof merkt daarbij op dat ook de verklaring van de getuige [getuige 2] bij de politie eerder in de richting van het door de aangever en zijn vriend geschetste scenario wijst dan dat het het noodweerscenario van de verdachte onderschrijft.
Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de verdachte de hem verweten gedragingen niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van zijn lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. De verdachte komt daarom geen beroep op noodweer toe. Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 2 juni 2021 te Amsterdam [benadeelde partij] heeft mishandeld door voornoemde [benadeelde partij] meermalen in/op/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd te stompen en/of te slaan.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsvrouw heeft verder betoogd dat – indien het hof ervan uitgaat dat geen sprake was van een dreiging voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding – de verdachte daaromtrent verontschuldigbaar heeft gedwaald en hem een beroep op putatief noodweer toekomt, hetgeen betekent dat hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Mocht het hof van oordeel zijn dat de verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, dan meent de verdediging dat de verdachte een geslaagd beroep op (putatief) noodweerexces toekomt en om die reden moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het hof overweegt als volgt.
Hiervoor heeft het hof overwogen dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, zodat het beroep op noodweerexces reeds daarom niet kan slagen. Het verweer wordt daarom verworpen. Ook het beroep op putatief noodweer(exces) wordt verworpen. Het is niet aannemelijk geworden dat de verdachte in de gerechtvaardigde veronderstelling verkeerde dat hij werd belaagd door de aangever, toen laatstgenoemde op de grond lag.
De verdachte is strafbaar, omdat ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 750,00, te vervangen door 15 dagen hechtenis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 500,00, waarvan € 250,00 voorwaardelijk met een proeftijd van een jaar.
De raadsvrouw heeft verzocht in het geval van strafoplegging rekening te houden met de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Een onvoorwaardelijke straf acht zij niet meer passend. De raadsvrouw heeft verzocht te volstaan met een geheel voorwaardelijke geldboete van summiere omvang.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft het slachtoffer op straat mishandeld door hem meermalen in zijn gezicht en tegen zijn hoofd te slaan, terwijl het slachtoffer op de grond lag. Het slachtoffer heeft hieraan flink letsel overgehouden. Tot op de dag van vandaag, ruim vier jaar later, heeft het slachtoffer nog steeds last van een zwart vlekje in het zicht van zijn linkeroog. De verdachte heeft met zijn handelen een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dat de mishandeling in het openbaar heeft plaatsgevonden, acht het hof des te kwalijker.
Het hof constateert dat de redelijke termijn in hoger beroep, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. De verdachte heeft immers op 23 december 2022 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof nu arrest wijst. Daarmee is de redelijke termijn in hoger beroep overschreden met een jaar en een maand. Het hof volstaat met de constatering dat daarmee een inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM en zal de op te leggen straf niet matigen, omdat de hoogte van de op te leggen straf in de weg staat aan strafvermindering.
Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van € 750,00, te vervangen door 7 dagen hechtenis, passend en geboden. Het hof ziet geen aanleiding om een deel van deze geldboete in voorwaardelijke vorm op te leggen, zoals door de advocaat-generaal is gevorderd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.220,50, bestaande uit € 220,50 aan materiële schade en € 1.000,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van
€ 250,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. In aanvulling daarop is namens de benadeelde partij verzocht de proceskosten te begroten op
€ 858,00, conform het liquidatietarief voor een behandeling in hoger beroep, en is verzocht buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 1.340,08 toe te wijzen.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van € 1.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.
De raadsvrouw heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Subsidiair heeft zij verzocht de materiële schade af te wijzen, omdat deze schade niet aan de verdachte is toe te rekenen. Ten aanzien van de immateriële schade heeft zij verzocht dit bedrag te matigen. Wat betreft de proceskosten heeft de raadsvrouw verzocht aan te sluiten bij het liquidatietarief en de gevorderde buitengerechtelijke kosten af te wijzen.
Het hof overweegt als volgt.
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof onvoldoende gebleken dat de gestelde materiële schade door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte is veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom voor het bedrag van € 220,50 aan materiële schade in de vordering niet worden ontvangen.
Immateriële schade
Artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) brengt mee dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade indien hij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Dat is hier het geval.
Bij het naar billijkheid vaststellen van de omvang van de immateriële schade heeft het hof gelet op de aard en de ernst van de normschending en het letsel – zoals hiervoor beschreven onder ‘oplegging van straf’ –, de verwachting van het herstel en bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. In het bijzonder neemt het hof daarbij in aanmerking dat de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht dat hij tot op heden, ruim vier jaar na het bewezenverklaarde, nog een zwart vlekje in zijn zicht heeft door de vuistslagen op zijn oog en dat dit naar verwachting nooit zal weggaan. Dit stoort de benadeelde partij het meest wanneer hij naar een wit vlak kijkt, zoals tijdens het lezen.
Het hof neemt bij het vaststellen van de omvang van de immateriële schade de Rotterdamse Schaal tot uitgangspunt. In deel A, Lichamelijk letsel, hoofdstuk 13 ‘Licht letsel’ wordt onder categorie ‘(a) Herstelperiode van ongeveer vier tot zes maanden’ reeds een bedrag tussen de € 1.450,00 tot € 2.675,00 genoemd. Alles afwegend, stelt het hof de omvang van de immateriële schade daarom naar billijkheid vast op de gevorderde € 1.000,00.
Proceskosten
De verdachte zal tevens worden veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij, nu laatstgenoemde in het gelijk wordt gesteld. Het hof overweegt dat redelijke uitleg van artikel 532 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) meebrengt dat bij de begroting daarvan dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. Daarin wordt bij de vordering als hier aan de orde doorgaans het ‘Liquidatietarief rechtbanken en hoven’ gehanteerd. Voor de berekening van het te vergoeden bedrag gaat het hof uit van het per 1 februari 2024 geldende liquidatietarief I van € 858,00 per punt, behorende bij de hoogte van de vordering zoals het hof die zal toewijzen. Het hof begroot de kosten van rechtsbijstand, in lijn met hetgeen namens de benadeelde partij is verzocht, daarom op € 858,00.
Buitengerechtelijke kosten
De advocaat van de benadeelde partij heeft in hoger beroep verzocht om vergoeding van de buitengerechtelijke kosten en daarbij verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 25 november 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1681, r.o. 3.7).
Krachtens artikel 6:96, tweede lid, aanhef en onder b en c, BW komen redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid alsmede ter verkrijging van voldoening buiten rechte voor vergoeding als vermogensschade in aanmerking, tenzij in het gegeven geval de regels betreffende proceskosten van toepassing zijn. Deze buitengerechtelijke kosten dienen als materiële schade te worden aangemerkt.
De buitengerechtelijke kosten zijn namens de benadeelde partij voor het eerst in hoger beroep gevorderd. Gelet op het bepaalde in artikel 421, derde lid, Sv kan een benadeelde partij zich in hoger beroep echter enkel binnen de grenzen van haar eerste vordering voegen en mag de vordering het bedrag van de vordering in eerste aanleg dus niet overstijgen. Reeds om die reden zal het hof de gevorderde buitengerechtelijke kosten afwijzen.
Ten overvloede overweegt het hof dat de situatie in de door de advocaat aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad niet vergelijkbaar is met de onderhavige zaak en dat dus ook om die reden de gevorderde buitengerechtelijke kosten niet voor vergoeding in aanmerking zouden kunnen komen, al zouden zij in de eerste vordering als materiële schade zijn opgenomen.
Conclusie
Het hof wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 1.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen datum. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. De proceskosten worden begroot op € 858,00.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
7 (zeven) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 1.000,00 (duizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 1.340,08 (duizend driehonderdveertig euro en acht cent) aan materiële schadeaf.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
858,00 (achthonderdachtenvijftig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.000,00 (duizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 10 (tien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 2 juni 2021.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.J. van der Wilt, mr. M. Iedema en mr. F.C.W. de Graaf, in tegenwoordigheid van mr. I.A. de Bruijne, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 januari 2026.
De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]
[…]