ECLI:NL:GHAMS:2026:235
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van hoger beroep in strafzaak
In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 15 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam, gedateerd 15 april 2025. De verdachte had hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis, maar op 30 april 2025 heeft de verdachte dit hoger beroep ingediend. Tijdens de zitting op 15 januari 2026 heeft de advocaat-generaal verzocht om de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep, omdat de verdachte in een e-mail van 19 december 2025 had aangegeven het hoger beroep niet te willen handhaven. Het hof heeft vastgesteld dat de intrekking van het hoger beroep niet meer mogelijk was, aangezien het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep al op 26 augustus 2025 was begonnen. Gezien deze omstandigheden heeft het hof geoordeeld dat de verdachte geacht moet worden zijn eerdere bezwaren tegen het vonnis in te trekken. Het hof heeft daarom besloten het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, omdat er geen rechtens te respecteren belang was dat diende met nader onderzoek van de zaak. De beslissing is genomen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarbij de rechters D.A.C. Koster, R. van der Heijden en P.K. van Riemsdijk aanwezig waren. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 januari 2026.