De Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam behandelde op 29 januari 2026 een geschil tussen [persoonlijke vennootschap van A] c.s. en [T&A B.V.] over verzoeken tot uittreding uit de vennootschap CZT. Beide partijen verzochten elkaar te bevelen hun aandelen over te nemen tegen een door de Ondernemingskamer te bepalen prijs, met daarbij samenhangende vorderingen en verzoeken tot kostenveroordeling.
Tijdens de mondelinge behandeling werden standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De Ondernemingskamer stelde partijen in de gelegenheid tot overleg, maar zij bereikten geen overeenstemming. Een verzoek om inzage in relevante stukken werd afgewezen wegens ontijdigheid en strijd met de goede procesorde.
De Ondernemingskamer overwoog dat CZT feitelijk geen activiteiten meer ontplooit en alleen schulden heeft, waardoor geen sprake is van voortzetting van de onderneming. Geen van beide partijen had voldoende onderbouwd dat de andere aandeelhouder zodanig in zijn rechten of belangen werd geschaad dat uittreding redelijkerwijs noodzakelijk was. Daarom werden de wederzijdse verzoeken tot uittreding afgewezen.
De voorwaardelijke vorderingen van [persoonlijke vennootschap van A] c.s. werden niet beoordeeld omdat de uittredingsverzoeken werden afgewezen. De samenhangende vordering van [T&A B.V.] werd eveneens afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing en grondslag. Elke partij draagt haar eigen proceskosten.