Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[gedaagde 1] .,
[gedaagde 2],
[gedaagde 3], in haar hoedanigheid van enig beherend vennoot van de commanditaire vennootschap [gedaagde 3] .,
1.De zaak in het kort
2.Het procesverloop
- de door het Scheidsgerecht gewezen Arbitrale Vonnissen vernietigt voor zover zij betrekking hebben op de beslissingen inzake de kwestie Ruilgronden, waaronder begrepen de beslissingen ten aanzien van de uitleg van artikel 13.2 van de VOK en de onderdelen 5.3(2) (schadevergoeding Ruilgronden), 5.5 t/m 5.14 (arbitragekosten) van het dictum van het Eindvonnis;
- [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt in de kosten van het geding met nakosten en rente.
3.Feiten
4.Beoordeling
Het moet in het bijzonder gaan om onjuistheden in vaststellingen of de beoordeling van het scheidsgerecht en niet (primair) om nadere zienswijzen van partijen.”. Aldus overwegend over de vraag of er redenen voor heroverweging in voormelde zin waren is het Scheidsgerecht vervolgens in r.o. 2.3 tot het volgende oordeel gekomen: “
Arbiters zien grond noch aanleiding om terug te komen van hun oordeel in de nummer 7.6-10 van het eerste tussenvonnis over de aard en het karakter van de Overeenkomst en over de betekenis – in algemene zin – van artikel 13.2 van de Overeenkomst. Voor zover het betoog van [eiser] na het eerste tussenvonnis ertoe strekt dat arbiters dat oordeel heroverwegen, leidt dit dus niet tot een ander oordeel.” Dit oordeel valt niet anders te begrijpen dan dat [eiser] het Scheidsgerecht niet ervan overtuigd heeft dat de eerdere beoordeling door het Scheidsgerecht onjuist was; het door [eiser] te berde gebrachte leidt niet tot een ander oordeel. Samengevat komt deze gang van zaken er dus op neer dat het Scheidsgerecht in het eerste tussenvonnis tot een gemotiveerd oordeel is gekomen, waar [eiser] nadien tegen geageerd heeft, maar welke kritiek het Scheidsgerecht niet van de gestelde onjuistheid van zijn eerdere oordeel heeft overtuigd. Daarmee staat genoegzaam vast dat het oordeel wél gemotiveerd was en dat het gemotiveerd ‘napleiten’ door [eiser] niet tot een ander oordeel heeft geleid, hoewel het Scheidsgerecht die mogelijkheid op zichzelf wel onder ogen had gezien. De (dis-)kwalificaties door [eiser] van de motiveringen door het Scheidsgerecht missen daarmee feitelijke grondslag en kunnen dan ook niet tot toewijzing van de gevorderde vernietiging leiden. De overige op dit punt door [eiser] aangehaalde omstandigheden (bijvoorbeeld dat het Scheidsgerecht de verklaringen van Asselbergs en Backer niet heeft gebruikt) leiden niet tot een andere beoordeling; [eiser] stelt dienaangaande niet meer dan dat het genoemde personen niet bijstond dat er iets over compensatie in relatie tot de Ruilgronden zou zijn besproken of afgesproken. Het Scheidsgerecht mag verklaringen die niet meer inhouden dan dat hen ‘iets niet meer bijstaat’ terzijde leggen, omdat zij geen bewijs opleveren, laat staan beslissend bewijs. Deze klacht faalt.
geen objectief beeld heeft geschetst van de standpunten van partijen’. Het hof ontgaat hier de relevantie van het adjectief ‘objectief’, omdat klachten over een vermeend gebrek aan onpartijdigheid niet thuishoren in een vernietigingsprocedure, althans niet ten aanzien van de hier aan de orde zijnde vernietigingsgrond ‘geen of volstrekt onvoldoende motivering’.
de in de Overeenkomst voorziene, beoogde overdracht van de Ruilgronden”. [eiser] merkt dienaangaande op dat de ontwikkeling van de Ruilgronden onzeker was en dus niet ‘voorzien’ of ‘beoogd’. Ten onrechte beschouwt [eiser] deze kritiek als relevant voor het door haar te leveren bewijs van een ‘ongemotiveerd’ vonnis. [eiser] maakt in vergelijkbare zin ook vergeefs bezwaar tegen het woordgebruik van het Scheidsgerecht dat [eiser] ‘ambtelijk gesondeerd’ (randnummer 114) heeft, waartegenover [eiser] stelt dat zij intensieve gesprekken heeft gevoerd met Rijkswaterstaat en de Provincie.
ondeugdelijke procedurele gang van zaken’ en/of ‘
disbalans’ waarover [eiser] hier spreekt hebben evenmin betrekking op in dit verband relevante motiveringsklachten. De klacht faalt.
Het handelen van het Scheidsgerecht is onacceptabel, voldoet niet aan de eisen aan een eerlijk proces en is daarmee in strijd met de Nederlandse openbare orde.”. Een andere grondslag, specifiek voor deze aangevoerde vernietigingsgrond ontbreekt. Door [eiser] zijn (behoudens het hierna in 4.13 besprokene) geen schendingen van hoor en wederhoor gesteld, noch enige andere dan de hiervoor niet nader toegelichte stelling. Daarmee heeft [eiser] niet aan haar stelplicht voldaan en kan haar vordering niet op deze grondslag worden toegewezen.
5.Conclusies
6.Strijd met de openbare orde
equality of arms’ en ‘
hoor en wederhoor’ zou hebben geschonden. [eiser] voert daartoe aan dat het Scheidsgerecht zonder bewijslevering een stelling van [gedaagden] zou hebben overgenomen en dat het de bewijslast zou hebben omgekeerd, niet getoetst zou hebben aan het dwingendrechtelijk publiek kader en tot een ‘arbitraire’ kanseninschatting zou zijn overgegaan, met verruiming van de feitelijke grondslag. Ook deze stellingen treffen geen doel. De beoordeling van stellingen en verweer, alsmede de bewijsbeslissingen zijn voorbehouden aan het Scheidsgerecht en over de uitkomst daarvan kan vanzelfsprekend getwist worden, maar met die betwisting alleen is de lat voor schending van genoemde beginselen niet gehaald. Hetgeen [eiser] heeft gesteld is daartoe onvoldoende. [eiser] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het Scheidsgerecht buiten de feitelijke grondslag van het partijdebat is getreden. Anders dan [eiser] kennelijk meent is daartoe onvoldoende dat het Scheidsgerecht met een eigen inschatting van diverse scenario’s komt en een eigen schatting van de schade maakt. Tot dat laatste is het Scheidsgerecht immers gehouden indien er sprake is van meerdere scenario’s. Van enige schending van genoemde beginselen is niet gebleken, laat staan van een voor vernietiging voldoende ernstige schending.
7.Proceskosten
€ 1.214,00 +