ECLI:NL:GHAMS:2026:294

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
200.317.966
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:207 BWArt. 2:343 BWArt. 2:336 BWArt. 2:337 BWArt. 2:339 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep aandeelhoudersgeschil over uittreding en waardebepaling aandelen

In deze zaak staat een geschil tussen aandeelhouders van een onderneming in internationale handel compliance centraal. Appellante vordert dat de vennootschap haar aandelen overneemt tegen een door een deskundige te bepalen prijs, omdat zij door gedragingen van mede-aandeelhouders en de vennootschap niet langer aandeelhouder kan blijven. Daarnaast vordert zij periodieke managementvergoedingen.

De rechtbank wees de vordering tot overname van aandelen af vanwege een onjuiste veronderstelling dat de aandelen niet volgestort waren en wees de periodieke vergoedingen eveneens af omdat appellante sinds juli 2020 geen werkzaamheden meer verrichtte. Het hof vernietigt het vonnis voor wat betreft de uittredingsvordering, oordeelt dat aan de voorwaarden van artikel 2:343 BW Pro is voldaan en dat de prijs van de aandelen moet worden vastgesteld. De vordering tot periodieke vergoedingen wordt bevestigd afgewezen.

Het hof stelt dat de toetsing van artikel 2:207 lid 2 BW Pro pas kan plaatsvinden nadat de prijs is vastgesteld. Conservatoire beslagen blijven gehandhaafd vanwege het belang van appellante en de slechte financiële situatie van de vennootschap. Partijen krijgen gelegenheid zich uit te laten over de wijze van waardebepaling. Het hof wijst vergoeding van werkelijk gemaakte proceskosten af wegens ontbreken van buitengewone omstandigheden.

Uitkomst: Vordering tot uittreding toewijsbaar met nog te bepalen aandelenprijs; periodieke vergoedingen afgewezen; conservatoire beslagen blijven gehandhaafd.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.317.966/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem : C/15/322910/HA ZA 21-636
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 27 januari 2026
in de zaak van
[appellant],
gevestigd in [plaats] ,
appellante,
advocaat: mr. H. Ruiter te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde],
gevestigd in [plaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. B.D. Bos te Rotterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

[appellant] is één van de drie aandeelhouders van [geïntimeerde] . Volgens [appellant] is sprake van een situatie waarin – door gedragingen van [geïntimeerde] en haar mede-aandeelhouders – niet langer van haar gevergd kan worden dat zij aandeelhouder blijft. Zij heeft gevorderd dat [geïntimeerde] haar aandelen overneemt tegen een door een deskundige nader te bepalen prijs. Daarnaast heeft zij bedragen gevorderd uit hoofde van periodieke managementvergoedingen. De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen.
Het hof is van oordeel dat de vordering tot uittreding (vooralsnog) toewijsbaar is en zal dus de waarde van de aandelen van [appellant] moeten bepalen. Partijen worden in de gelegenheid gesteld zich daarover bij akte uit te laten. Voor een vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten ziet het hof geen grond. Het oordeel van de rechtbank over de periodieke vergoedingen blijft in stand. Ook de gelegde conservatoire beslagen blijven in stand.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
[appellant] is bij dagvaarding van 4 oktober 2022 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 6 juli 2022 van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie en verweerster in het incident en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie en eiseres in het incident (hierna: het bestreden vonnis). In deze procedure waren ook [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) en [naam 2] & Sons Coöperatief U.A. (hierna: [bedrijf 2] ) partij als gedaagden in conventie tevens eiseressen in reconventie.
2.2.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties 1 tot en met 22; en
- memorie van antwoord, met producties 20 tot en met 42.
2.3.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 3 oktober 2023 laten toelichten, beiden door hun advocaat en aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen. [appellant] heeft nog productie 23 in het geding gebracht en [geïntimeerde] producties 43 tot en met 85.
2.4.
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.De feiten

3.1.
[geïntimeerde] drijft een onderneming op het gebied van
international trade compliance(ITC). Zij geeft onder meer trainingen en advies aan bedrijven en overheden met betrekking tot (de implementatie van) wet- en regelgeving op het gebied van internationale handel.
3.2.
[geïntimeerde] is op 1 juli 2014 opgericht door [appellant] , [bedrijf 2] en [bedrijf 1] . Zij houden elk 33,3% van de aandelen in het geplaatste kapitaal van [geïntimeerde] (oftewel ieder houdt 6.000 aandelen met een nominale waarde van in totaal € 6.000). De aandelen van [appellant] zijn volgestort.
3.3.
[naam 3] (hierna: [naam 3] ) houdt indirect alle aandelen in het kapitaal van [appellant] en is tevens, indirect, haar enige bestuurder. [naam 2] (hierna: [naam 2] ) is enig aandeelhouder/bestuurder van [bedrijf 2] . [naam 1] (hierna: [naam 1] ) is indirect enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] en sinds 9 juli 2020 de enige bestuurder van [geïntimeerde] .
3.4.
[naam 3] , [naam 1] en [naam 2] hebben hun samenwerking vastgelegd in de statuten en de "
Shareholders Agreement" van 15 oktober 2013 (hierna: de aandeelhoudersovereenkomst). [naam 3] en [naam 1] vormden aanvankelijk gezamenlijk het bestuur van [geïntimeerde] met ieder zelfstandige vertegenwoordigingsbevoegdheid. [naam 3] was als
managing directoronder meer verantwoordelijk voor de financiële aangelegenheden en administratie van [geïntimeerde] . [naam 1] richtte zich met name op de acquisitie en de uitvoering van opdrachten van de vennootschap. [naam 2] richtte zich (naast zijn werkzaamheden voor zijn advocatenkantoor in de Verenigde Staten) onder andere op het juridisch adviseren van klanten van [geïntimeerde] .
3.5.
Overweging C van de aandeelhoudersovereenkomst luidt als volgt:
"the Shareholders have agreed that the profits from the business in the field of international trade compliance, international trade law and related advisory service, as well as the lawyers' litigation services (together the "
Business") will be equally split among the Shareholders (…)"
3.6.
In de aandeelhoudersovereenkomst is ten aanzien van managementvergoedingen en dividenden het volgende opgenomen:
"
10. FEE SHARING/DISTRIBUTION OF PROFITS
10.1
In consideration of the Shareholders and the persons assigned by the Shareholders for providing the Business services, each Shareholder shall be entitled to a monthly/annual fee, to be agreed on by the Shareholders during the first Shareholders meeting after the date of this Agreement.
10.2
The Parties agree on the following dividend distribution policy in respect of the net after tax profits of the Company (the "
Profits"). The Profits shall be distributed as dividend to the Shareholders, with the following exceptions: (i) if and to the extent that the relevant financing arrangements do not allow for a distribution, (ii) if a distribution would in any way seriously harm the Business prospects or the financial stability of the Company. Any distribution of Profits shall in any year be limited to (a) fifty percent (50 %) of the Profits and (b) fifty percent (50 %) of the cash available to the Company."
3.7.
Aan de aandeelhoudersovereenkomst is als bijlage een "
Memorandum of understanding" gehecht. Daarin staat onder meer:
"
Fee-dividend sharing / cost sharing
Any and all Services performed on the Company's behalf will be invoiced by the relevant
(Dutch or US) affiliates of the Company and any income related to the Services will be for
the benefit of the Company (and/or its affiliated companies) and equally split among the
Parties on a 33,33% basis (as a dividend and/or fee payment) (…)"
3.8.
Verder bepaalt de aandeelhoudersovereenkomst dat iedere aandeelhouder verplicht is zijn aandelen in [geïntimeerde] aan te bieden tegen de nominale waarde in het geval van een
material breach.
3.9.
[appellant] , [bedrijf 2] en [bedrijf 1] hebben jarenlang harmonieus samengewerkt. [naam 2] , [naam 1] en [naam 3] waren naast zakenpartners ook goede vrienden. Partijen voerden maandelijks verschillende keren, onder meer via Zoom, overleg met elkaar. Daarnaast hadden [naam 3] en [naam 1] een affectieve relatie met elkaar.
3.10.
Op 19 juli 2019 heeft [naam 3] de relatie met [naam 1] verbroken.
3.11.
[naam 1] , [naam 3] en [naam 2] hebben vervolgens, mede naar aanleiding van een e-mailbericht van 27 juli 2019 van [bedrijf 2] waarin zij schrijft het voornemen te hebben om haar aandelen in [geïntimeerde] aan te bieden, gesproken over ontvlechting van de samenwerking en ontbinding van [geïntimeerde] . Onder begeleiding van een externe adviseur heeft [geïntimeerde] diverse opties onderzocht. [bedrijf 2] heeft vervolgens besloten haar voornemen tot aanbieding van haar aandelen niet door te zetten.
3.12.
[bedrijf 1] en [bedrijf 2] hebben bij brieven van 6 en 7 juli 2020 [appellant] in gebreke gesteld wegens niet nakoming van de aandeelhoudersovereenkomst en de statuten.
3.13.
[naam 3] is uit eigen beweging op 30 mei 2020 tijdelijk, en op 9 juli 2020 permanent teruggetreden als bestuurder. [naam 1] is sindsdien enig bestuurder van [geïntimeerde] .
3.14.
De bij [geïntimeerde] betrokken partijen hebben naderhand vele procedures tegen elkaar gevoerd. Eén daarvan betreft het verzoek van 12 oktober 2020 van [appellant] aan de Ondernemingskamer van dit hof (hierna: OK) om een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van/binnen [geïntimeerde] over de periode vanaf 30 mei 2020,en daarbij bij wijze van onmiddellijke voorziening onder andere [naam 1] als bestuurder te schorsen, bepaalde besluiten van [geïntimeerde] te schorsen en de aandelen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] over te dragen aan een te benoemen beheerder.
3.15.
Bij uitspraak van 6 januari 2021 (ECLI:NL:GHAMS:2021:9) heeft de OK de verzoeken van [appellant] – mede in het licht van gedane toezeggingen door [geïntimeerde] – afgewezen en daarbij overwogen, samengevat, dat de verstoorde verhoudingen tussen [naam 3] enerzijds en [naam 1] en [naam 2] anderzijds er niet toe hebben geleid dat de organen van [geïntimeerde] niet meer naar behoren kunnen functioneren. Verder heeft de OK overwogen dat zowel in het bestuur als in de AVA op ordelijke wijze besluitvorming plaatsvindt en niet gebleken is dat de wrijving tussen de aandeelhouders de bedrijfsvoering heeft geschaad. [naam 3] is op eigen verzoek gedurende de periode 31 mei 2020 tot 29 juni 2020 tijdelijk teruggetreden als
managing director. Nadat [bedrijf 1] en [bedrijf 2] diverse aantijgingen jegens [naam 3] hadden geuit en een AVA was uitgeschreven voor 10 juli 2020 met als agendapunten de reactie van [naam 3] op die aantijgingen en haar ontslag, heeft [naam 3] bij brief van 9 juli 2020 de aandeelhouders bericht per direct terug te treden als bestuurder van [geïntimeerde] . [naam 3] is daarbij slechts beperkt ingegaan op de aan haar gemaakte verwijten, terwijl het volgens de OK, mede in het belang van de vennootschap, op haar weg had gelegen de bij haar medeaandeelhouders gerezen vragen te beantwoorden. Met het beëindigen van zowel haar bestuurderschap als haar positie van
managing directoris [naam 3] meer op afstand van de bedrijfsvoering komen te staan. Dat [naam 3] sindsdien niet langer actief is betrokken bij de bedrijfsvoering, achtte de OK tegen die achtergrond niet onredelijk zodat dit geen aanleiding vormde voor gegronde reden tot twijfel aan de juistheid van het beleid en gang van zaken. Verder heeft de OK geoordeeld dat [appellant] zich wel (deels) terecht heeft beklaagd over de wijze waarop [geïntimeerde] , [bedrijf 2] en [bedrijf 1] met haar aandeelhoudersrechten zijn omgegaan en heeft er op gewezen dat [appellant] als minderheidsaandeelhouder ruimhartig van informatie dient te worden voorzien over de gang van zaken binnen de vennootschap en onderneming.
3.16.
In februari 2018 is tussen [geïntimeerde] en de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Defensie) een geschil ontstaan met betrekking tot door het Ministerie van Defensie al dan niet gedane toezeggingen ten aanzien van het opzetten van een masteropleiding ITC. De kwestie stond binnen [geïntimeerde] bekend als "project Justus" en werd jarenlang geleid door [naam 3] . [geïntimeerde] en de Staat hebben op 29 juli 2021 een schikking getroffen, op grond waarvan de Staat een bedrag van € 1.500.000 verschuldigd is aan [geïntimeerde] .
3.17.
[appellant] heeft aangekondigd een uittredingsprocedure te starten. Zij heeft in verband daarmee op haar verzoek verlof verkregen tot beslaglegging ten laste van [geïntimeerde] , met begroting van de vordering op € 1.270.000. Vervolgens heeft [appellant] eind augustus 2021 meerdere conservatoire beslagen gelegd, waaronder op de vordering van [geïntimeerde] op de Staat.

4.De eerste aanleg

De hoofdzaak
4.1.
[appellant] heeft in eerste aanleg – samengevat en voor zover in hoger beroep van belang – gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, (i) [geïntimeerde] te veroordelen bepaalde bedragen aan haar te betalen, waaronder een periodieke vergoeding over de periode vanaf 10 juli 2020 en (ii) [geïntimeerde] , [bedrijf 1] en [bedrijf 2] hoofdelijk te veroordelen de aandelen van [appellant] in [geïntimeerde] over te nemen tegen betaling van een conform het petitum nader te bepalen prijs, met rente en kosten. [geïntimeerde] , [bedrijf 1] en [bedrijf 2] hebben reconventionele vorderingen ingesteld.
4.2.
De rechtbank heeft de vordering van [appellant] tot betaling toegewezen voor een bedrag van € 37.247,50, maar afgewezen voor wat betreft de periodieke vergoedingen vanaf 10 juli 2020. De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] geen recht heeft op dergelijke vergoedingen omdat – kort gezegd – de aandeelhoudersovereenkomst bepaalt dat aandeelhouders recht hebben op een maandelijkse vergoeding voor verrichtte werkzaamheden, en vaststaat dat [appellant] na 9 juli 2020 geen werkzaamheden heeft verricht voor [geïntimeerde] .
4.3.
Daarnaast heeft de rechtbank de vordering van [appellant] om [geïntimeerde] te veroordelen haar aandelen over te nemen afgewezen. Volgens de rechtbank is gebleken dat de aandelen van [appellant] niet zijn volgestort. Aangezien verkrijging door de vennootschap van niet volgestorte aandelen in haar kapitaal op grond van artikel 2:207 lid 1 BW Pro nietig is, kan de vordering tegen [geïntimeerde] niet worden toegewezen. Omdat beide partijen in het ongelijk zijn gesteld, heeft de rechtbank proceskosten gecompenseerd.
4.4.
Ten aanzien van de vordering van [appellant] dat [bedrijf 1] en [bedrijf 2] haar aandelen overnemen, heeft de rechtbank een deskundige benoemd om vast te stellen of sprake is van een
material breachals bedoeld in de aandeelhoudersovereenkomst door [appellant] . Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat als de deskundige concludeert dat geen sprake is van een
material breachdoor [appellant] , het in de rede ligt dat een deskundigenbericht zal worden gelast om de marktwaarde van de aandelen te bepalen. Dit deel van de procedure loopt nog bij de rechtbank.
4.5.
De reconventionele vorderingen van [geïntimeerde] , [bedrijf 1] en [bedrijf 2] heeft de rechtbank afgewezen, waaronder de vordering tot opheffing van de gelegde beslagen. Alleen die laatste vordering speelt nog een rol in dit hoger beroep.
Het incident
4.6.
[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg in een incident op de voet van artikel 223 lid 1 Rv Pro opheffing, althans beperking, gevorderd van de conservatoire beslagen die [appellant] ten laste van haar heeft gelegd.
4.7.
De rechtbank heeft bij wijze van voorlopige voorziening het bedrag van de vordering waarvoor conservatoir beslag is gelegd, herbegroot op een lager bedrag (van € 48.421,75) omdat het gegeven verlof is gebaseerd op een vordering van € 1.270.000, terwijl de rechtbank slechts een vordering van € 37.247,50 heeft toegewezen en de overige vorderingen van [appellant] afgewezen. Daarnaast heeft de rechtbank [appellant] veroordeeld in de proceskosten van het incident.

5.De beoordeling

De vorderingen in hoger beroep
5.1.
[appellant] heeft vier grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis. Volgens [appellant] (i) heeft zij recht heeft op periodieke vergoedingen vanaf 10 juli 2020, (ii) heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de aandelen van [appellant] niet zijn volgestort en de vordering van [appellant] op [geïntimeerde] tot overname van de aandelen daarom moet worden afgewezen, (iii) had de rechtbank de vordering waarvoor conservatoir beslag is gelegd, niet mogen herbegroten en (iv) heeft de rechtbank de proceskosten ten onrechte gecompenseerd. [appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – alsnog de afgewezen vorderingen van [appellant] zal toewijzen en de incidentele vordering van [geïntimeerde] zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de werkelijke kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente.
5.2.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot – naar het hof begrijpt – (i) opheffing dan wel beperking van de door [appellant] gelegde conservatoire beslagen bij wege van een eis in de hoofdzaak en bij wege van een voorlopige voorziening en (ii) bekrachtiging van het bestreden vonnis voor zover daarin de vorderingen van [appellant] zijn afgewezen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep.
[appellant] heeft geen recht op periodieke vergoedingen vanaf 10 juli 2020
5.3.
[appellant] heeft zich op het standpunt gesteld dat zij op grond van de aandeelhoudersovereenkomst recht heeft op een periodieke vergoeding vanaf 10 juli 2020. Volgens [appellant] blijkt dit uit (i) de tekst van artikel 10 van Pro de aandeelhoudersovereenkomst, (ii) het
memorandum of understanding, (iii) de overwegingen van de aandeelhoudersovereenkomst, (iv) verklaringen van de aandeelhouders en (v) het feit dat [appellant] [naam 3] beschikbaar heeft gesteld om werkzaamheden te verrichten voor [geïntimeerde] . Het hof volgt [appellant] niet in dit betoog en licht dit als volgt toe.
5.4.
Het antwoord op de vraag wat [appellant] en [geïntimeerde] in de aandeelhoudersovereenkomst met elkaar zijn overeengekomen hangt af van wat beide partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Haviltex)).
5.5.
Uit het opschrift van artikel 10 van Pro de aandeelhoudersovereenkomst (zie 3.6) volgt dat het artikel zowel de managementvergoeding (
fee sharing) als de winstverdeling (
distribution of profits) beoogt te regelen. Dit laatste wordt geregeld in lid 2, terwijl lid 1 gaat over de managementvergoeding. Lid 1 bepaalt dat een aandeelhouder recht heeft op een vergoeding (
fee) voor het verrichten van diensten: "
In consideration(…)
for providing the Business services (…)". Een logische en redelijke uitleg van deze bepaling brengt mee dat een aandeelhouder alleen dan een vergoeding krijgt als hij werkzaamheden heeft verricht. Dit spoort met het bepaalde in het
memorandum of understanding(zie 3.7), waarin eveneens een onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds vergoedingen voor verrichtte werkzaamheden door de aandeelhouders en anderzijds de winst die zonder meer gelijkelijk tussen de aandeelhouders wordt verdeeld. [appellant] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die de opvatting ondersteunen dat partijen hebben bedoeld dat een aandeelhouder ook recht zou hebben op een vergoeding als hij geen werkzaamheden zou verrichten. Ook blijkt nergens uit dat partijen hebben bedoeld dat een periodieke vergoeding zou worden betaald voor het enkele beschikbaar houden van een persoon om werkzaamheden te verrichten. [appellant] heeft in dit verband weliswaar gewezen op de overwegingen van de aandeelhoudersovereenkomst (zie 3.5), maar daaruit volgt slechts dat de inkomsten gelijkelijk onder de aandeelhouders worden verdeeld. Dat sluit aan bij het tweede lid van artikel 10, waarin de winstverdeling wordt geregeld. Over een vergoeding voor werkzaamheden die door of namens een aandeelhouder worden verricht, staat niets in de overwegingen. Verder heeft [appellant] gewezen op uitlatingen van [geïntimeerde] in de enquêteprocedure dat alle aandeelhouders recht hebben op een gelijke periodieke vergoeding, maar [geïntimeerde] heeft onweersproken aangevoerd dat die uitlatingen zien op de periode waarin ( [naam 3] namens) [appellant] nog wél werkzaamheden heeft verricht voor [geïntimeerde] . Uit deze uitlating volgt dus nog niet dat de periodieke vergoeding voor alle aandeelhouders even hoog zou moeten zijn als daar geen werkzaamheden tegenover staan.
5.6.
Vaststaat dat ( [naam 3] namens) [appellant] sinds 10 juli 2020 geen werkzaamheden meer heeft verricht voor [geïntimeerde] , nadat [naam 3] uit eigen beweging op 9 juli 2020 permanent is teruggetreden als bestuurder van [geïntimeerde] . Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] haar na die datum niet toegestaan werkzaamheden te verrichten en kan [geïntimeerde] er daarom geen beroep op doen dat [appellant] geen recht zou hebben op een periodieke vergoeding. Dit betoog gaat niet op. Zoals de OK heeft overwogen, is [naam 3] met het niet afdoende beantwoorden van vragen van haar mede-aandeelhouders en het op eigen initiatief beëindigen van zowel haar bestuurderschap als haar positie van
managing directormeer op afstand van de bedrijfsvoering komen te staan. Dat [naam 3] sindsdien niet langer actief is betrokken bij de bedrijfsvoering is tegen die achtergrond dan ook niet onredelijk en belet [geïntimeerde] derhalve niet om er een beroep op te doen dat [appellant] geen werkzaamheden heeft verricht en geen aanspraak heeft op een vergoeding. Om deze reden is evenmin sprake van schuldeisersverzuim aan de kant van [geïntimeerde] .
5.7.
De conclusie luidt dat [appellant] vanaf 10 juli 2020 geen recht heeft op een periodieke vergoeding omdat zij sinds die datum geen werkzaamheden heeft verricht voor [geïntimeerde] . Deze vordering van [appellant] is dan ook niet toewijsbaar en de grief faalt.
Aan de voorwaarden voor een vordering tot uittreding is voldaan; prijsbepaling
5.8.
Artikel 2:343 BW Pro bepaalt – kort gezegd – dat de aandeelhouder die door gedragingen van één of meer mede-aandeelhouders of de vennootschap zodanig in zijn rechten of belangen is geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd, een vordering tot uittreding kan instellen tegen (onder andere) de vennootschap. De rechter bepaalt de prijs die de vennootschap voor de aandelen moet betalen. Een vordering tegen de vennootschap kan evenwel niet worden toegewezen, voor zover artikel 2:207 BW Pro aan verkrijging van de aandelen door de vennootschap in de weg staat. Dat artikel bepaalt in lid 1 dat verkrijging door de vennootschap van niet volgestorte aandelen nietig is. Artikel 2:207 lid 2 BW Pro bepaalt vervolgens dat de vennootschap, behalve om niet, geen volgestorte eigen aandelen mag verkrijgen als het eigen vermogen, verminderd met de verkrijgingsprijs, kleiner is dan de reserves die krachtens de wet of de statuten moeten worden aangehouden of als het bestuur weet of redelijkerwijs behoort te voorzien dat de vennootschap na de verkrijging niet zal kunnen blijven voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden.
-
Het hof is bevoegd kennis te nemen van de vordering van [appellant]
5.9.
In beginsel is de OK bij uitsluiting bevoegd in hoger beroep kennis te nemen van een vordering tot uittreding (artikel 2:343 lid 2 jo Pro. 2:336 BW), tenzij partijen bij overeenkomst een andere rechter als bevoegd hebben aangewezen (artikel 2:343 lid 2 jo Pro. 2:337 lid 2 BW). Doordat beide partijen de behandeling van deze vordering door de onderhavige kamer van dit hof klaarblijkelijk hebben aanvaard, worden zij geacht te zijn overeengekomen de onderhavige kamer van het hof daarvoor aan te wijzen. Het hof (te weten de onderhavige kamer) kan dus kennisnemen van de vordering van [appellant] .
-
De aandelen van [appellant] zijn volgestort
5.10.
De rechtbank heeft, zoals gezegd, geoordeeld dat dat de aandelen van [appellant] niet zijn volgestort. Daarop is het oordeel gebaseerd dat artikel 2:207 BW Pro aan een vordering tot uittreding in de weg staat en dat de vordering van [appellant] op [geïntimeerde] tot overname van de aandelen moet worden afgewezen. Tussen partijen is evenwel niet in geschil dat de aandelen van [appellant] wél zijn volgestort. In zoverre berust het bestreden vonnis op een onjuistheid en kan het niet in stand blijven. Deze grief van [appellant] slaagt dus.
5.11.
Het hof zal hierna beoordelen of de vordering van [appellant] op [geïntimeerde] tot overname van de aandelen van [appellant] op grond van artikel 2:343 BW Pro (alsnog) kan worden toegewezen.
-
Toets van artikel 2:207 lid 2 BW Pro: op het moment van overdracht van de aandelen
5.12.
[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat de vordering van [appellant] reeds nu moet worden afgewezen omdat artikel 2:207 lid 2 BW Pro aan toewijzing daarvan in de weg staat. De financiële situatie van [geïntimeerde] is zodanig slecht dat de waarde van [geïntimeerde] feitelijk nihil is. Het eigen vermogen van [geïntimeerde] laat niet toe dat zij de aandelen van [appellant] overneemt en daarnaast heeft een dergelijke verkrijging tot gevolg dat opeisbare schulden niet meer kunnen worden betaald, aldus [geïntimeerde] .
5.13.
Het hof verwerpt dit verweer. De toets van artikel 2:207 lid 2 BW Pro kan pas plaatsvinden als de prijs van de aandelen is bepaald. Weliswaar heeft [geïntimeerde] gesteld dat de financiële situatie van de vennootschap slecht is, maar of de verkrijging van de aandelen van [appellant] in strijd is met artikel 2:207 lid 2 BW Pro is afhankelijk van de prijs waartegen [geïntimeerde] de aandelen moet overnemen. Zolang het hof die prijs niet heeft bepaald, kan het hof niet beoordelen of verkrijging door [geïntimeerde] in strijd is met artikel 2:207 lid 2 BW Pro. Die beoordeling zal dus pas kunnen plaatsvinden op een later moment.
5.14.
Het voorgaande brengt mee dat op dit moment niet kan worden gezegd dat [appellant] geen belang heeft bij haar vordering omdat de nog lopende procedure in eerste aanleg ertoe zal leiden dat de aandelen van [appellant] al worden overgenomen door [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , zoals [geïntimeerde] in hoger beroep heeft betoogd. Niet valt in te zien waarom [appellant] er geen belang bij zou hebben dat ook [geïntimeerde] wordt veroordeeld de aandelen van [appellant] over te nemen.
-
Voldaan aan de vereisten van artikel 2:343 BW Pro
5.15.
Het hof dient eerst te beoordelen of voldaan is aan de vereisten van artikel 2:343 BW Pro. Het hof is van oordeel dat dat het geval is. [appellant] heeft onvoldoende weersproken gesteld dat zij door de gedragingen van [geïntimeerde] , [bedrijf 1] en [bedrijf 2] zodanig in haar rechten en belangen is geschaad dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van haar kan worden gevergd. Het hof neemt daarbij de volgende gedragingen in aanmerking, die ook volgen uit de bevindingen van de OK: het niet respecteren van [appellant] 's informatierecht, agenderingsrecht en stemrecht, het ten onrechte starten van een gerechtelijke procedure tegen [appellant] met betrekking tot administratiestukken, het beëindigen van de managementovereenkomst en het vervangen van de sloten van de kantoorruimten. Bovendien zijn partijen het erover eens dat de bestaande situatie onhoudbaar is en dat daar een einde aan moet worden gemaakt.
-
Het hof moet de waarde van de aandelen bepalen
5.16.
Vervolgens is de vraag aan de orde tegen welke prijs [geïntimeerde] de aandelen van [appellant] zal moeten overnemen. Het hof zal dus de prijs van de aandelen moeten bepalen. Normaal gesproken benoemt het hof in dergelijke gevallen een deskundige, tenzij tussen partijen overeenstemming bestaat over de vaststelling van de waarde van de aandelen (artikel 2:343 lid 2 jo Pro. 2:339 BW). In dit geval is het de vraag of het benoemen van een deskundige opportuun is, omdat in de nog lopende procedure tussen [appellant] , [bedrijf 1] en [bedrijf 2] – naar het hof uit de mededelingen van [appellant] tijdens de mondelinge behandeling begrijpt – inmiddels een deskundige is benoemd om de waarde van de aandelen van [appellant] te bepalen. Weliswaar is [geïntimeerde] geen partij (meer) bij die procedure en komt dat deskundigenbericht dus zonder haar inspraak tot stand, maar dat neemt niet weg dat het deskundigenbericht dienstige inlichtingen kan bevatten voor deze procedure. Daarnaast heeft [geïntimeerde] tijdens de mondelinge behandeling te kennen gegeven liever geen tweede deskundige te laten benoemen. Het komt het hof dan ook het meest praktisch voor dat partijen overeenstemming bereiken over de waardering van de aandelen op basis van de waardebepaling door de deskundige in de procedure tussen [appellant] , [bedrijf 1] en [bedrijf 2] en dat het hof aan de hand daarvan de prijs van de aandelen van [appellant] vaststelt. Het hof zal partijen evenwel in de gelegenheid stellen bij akte toe te lichten aan welke manier van prijsbepaling door het hof zij de voorkeur geven. Vervolgens zal het hof een beslissing nemen over de voortgang van deze procedure.
[geïntimeerde] moet de proceskosten van het incident vergoeden
5.17.
[appellant] heeft een grief gericht tegen de beslissing van de rechtbank in het incident om bij wijze van voorlopige voorziening het bedrag van de vordering waarvoor beslag is gelegd te herbegroten en tegen de proceskostenveroordeling in het incident. Deze grief slaagt. Zoals volgt uit het voorgaande, heeft [appellant] een vordering tot uittreding op [geïntimeerde] . Hoe groot die vordering is, moet het hof nog bepalen. In ieder geval kan nu niet worden vastgesteld dat de vordering van [appellant] op [geïntimeerde] slechts een fractie bedraagt van het bedrag waarvoor het beslagverlof is verleend. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte het bedrag van de vordering waarvoor beslag is gelegd, herbegroot. De incidentele vordering van [geïntimeerde] had moeten worden afgewezen en [geïntimeerde] had in de proceskosten van het incident moeten worden veroordeeld. Het hof zal dat bij eindarrest alsnog doen.
Geen opheffing of beperking van de conservatoire beslagen
5.18.
De vordering van [geïntimeerde] om de beslagen op te heffen zal het hof aanhouden. Op grond van artikel 705 Rv Pro kan een beslag onder meer worden opgeheven of beperkt als summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt. Dat blijkt vooralsnog niet. Niet alleen heeft [appellant] uit hoofde van het bestreden vonnis een vordering van € 37.247,50, maar ook zal [geïntimeerde] de aandelen van [appellant] moeten overnemen tegen een nader te bepalen prijs. [appellant] heeft deze vordering zelf begroot op ruim € 1 miljoen. Weliswaar heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat dit bedrag te hoog is, maar of dat daadwerkelijk het geval is, zal pas blijken nadat het hof de prijs van de aandelen heeft bepaald.
5.19.
Bovendien volgt uit de eigen stellingen van [geïntimeerde] dat zij in ernstige liquiditeitsproblemen verkeert en dat de waarde van de vennootschap nihil is. Daarnaast heeft [geïntimeerde] gesteld dat zij het bedrag van de vordering op de Staat (€ 1.500.000) nodig heeft om crediteuren, werknemers en achterstallige managementvergoedingen voor haar aandeelhouders te betalen. Per 1 september 2023 was de totale schuldenlast volgens [geïntimeerde] € 1.442.320,52. Het valt te betwijfelen dat na het voldoen van deze schulden voldoende resteert om de vorderingen van [appellant] te voldoen. Dit maakt dat [appellant] er alle belang bij heeft de beslagen te handhaven. Het belang van [appellant] bij het handhaven van de conservatoire beslagen weegt naar het oordeel van het hof zwaarder dan het belang van [geïntimeerde] bij opheffing of beperking daarvan. Het hof zal de conservatoire beslagen dan ook in ieder geval vooralsnog niet opheffen of beperken.
Geen vergoeding van werkelijk gemaakte proceskosten
5.20.
Het oordeel van de rechtbank dat de aandelen van [appellant] niet zijn volgestort, is gebaseerd op een mededeling van (de advocaat van) [geïntimeerde] tijdens de mondelinge behandeling die onjuist blijkt te zijn geweest. Hoewel [appellant] heeft verzocht [geïntimeerde] daarom te veroordelen in de werkelijk gemaakte proceskosten aan de zijde van [appellant] in eerste aanleg en in hoger beroep, ziet het hof daartoe geen aanleiding. Vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten is uitsluitend aan de orde in buitengewone omstandigheden, waarbij moet worden gedacht aan onrechtmatige daad of misbruik van procesrecht (HR 19 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:57). Daarvan is in dit geval geen sprake. Niet is weersproken dat de mededeling tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg berustte op een misverstand (in die zin dat niet de aandelen van [appellant] , maar de aandelen van [bedrijf 2] niet waren volgestort). Bovendien had [geïntimeerde] voorafgaand aan de mondelinge behandeling in eerste aanleg al stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat de aandelen van [appellant] wel degelijk waren volgestort.
5.21.
Voor het overige zal het hof bij eindarrest oordelen over de proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep.
Slotsom
5.22.
[appellant] heeft geen recht op periodieke vergoedingen vanaf 10 juli 2020. Op het punt van de vordering op grond van artikel 2:343 BW Pro kan het vonnis van de rechtbank niet in stand blijven. De vordering tot uittreding van [appellant] voldoet aan de voorwaarden van artikel 2:343 BW Pro. Het hof zal de prijs van de aandelen van [appellant] moeten bepalen. Partijen worden in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten. De gelegde conservatoire beslagen blijven vooralsnog ongewijzigd in stand. Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

6.De beslissing

Het hof:
6.1.
verwijst de zaak naar de rol van 24 februari 2026 voor het nemen van een akte door zowel [appellant] als [geïntimeerde] over de gewenste manier van waardebepaling van de aandelen van [appellant] door het hof, waarna het hof een beslissing zal nemen over de voortgang van de procedure;
6.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. D.J. Oranje, M.C. Bosch en Y. Steeg-Tijms en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.