De verdachte, werkzaam als portier bij een nachtclub, werd beschuldigd van poging doodslag, poging zware mishandeling en mishandeling van een aangever op 22 april 2022 in Amsterdam. Het hof onderzocht het dossier, waaronder verklaringen van betrokkenen en camerabeelden van het incident.
De verklaringen waren onderling tegenstrijdig, waardoor het hof deze niet als uitgangspunt nam. De camerabeelden toonden dat de verdachte de aangever ongeveer 25 seconden stevig vasthield met een arm rond diens nek, maar er was geen bewijs dat de aangever daardoor geen lucht kon krijgen of bewusteloos raakte. Het hof concludeerde dat er geen aanmerkelijke kans was op overlijden of zwaar letsel, waardoor vrijspraak volgde voor poging doodslag en poging zware mishandeling.
Voor het meer subsidiair ten laste gelegde feit van mishandeling oordeelde het hof dat de verdachte een geslaagd beroep deed op noodweer. De aangever had zich mogelijk agressief gedragen en een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding gevormd. De verdediging was proportioneel en noodzakelijk. Hierdoor ontbrak de wederrechtelijkheid en werd ook vrijspraak gegeven voor mishandeling.
De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd afgewezen omdat de verdachte niet schuldig werd bevonden. Het hof vernietigde het eerdere vonnis en sprak de verdachte volledig vrij.